Paars II blokkeert de Europese integratie

Het paarse kabinet wil de Nederlandse nettobijdrage aan de EU drastisch verminderen. W.H. Roobol meent dat dit ten koste gaat van de Europese integratie en een uiting is van een bekrompen statelijk egoisme.

De ruzie tussen minister Zalm en de Nederlandse europarlementariers over de vorming van een reserve in het budget van de Europese Unie was voor Laurens Jan Brinkhorst eind vorige maand aanleiding op te roepen tot een nieuw nationaal debat over Europa. Hij heeft gelijk, want enerzijds dringt Europa als een soort kruipolie in de hoeken en gaten van onze maatschappij door, zonder dat we er vat op hebben. Anderzijds neemt de euroscepsis, mede door toedoen van het kabinet, hand over hand toe. Het Verdrag van Amsterdam is, in de woorden van de minister-president, niet spectaculair. Wie dat had verwacht leefde volgens hem in een droomwereld.

De Europese integratie heeft politieke, economisch-sociale en culturele drijfveren. Om met de laatste te beginnen: het geloof in een Europese culturele identiteit is vanaf het begin aanwezig geweest en bestaat nog steeds, maar de kracht ervan valt moeilijk te peilen. Maar wie de Europese eenheid wil, moet er ook een beetje in geloven. Politiek zonder enige bevlogenheid is wel erg armzalig en werkt op den duur averechts.

Oorspronkelijk was de politieke drijfveer het sterkst. Zij had twee elementen: het voorkomen van een nieuwe oorlog tussen Duitsland en Frankrijk en het bijdragen aan de verdediging van de Atlantische wereld tegen de communistische dreiging.

In de loop der jaren is de politieke drijfveer van aard veranderd doordat de doeleinden zijn verwezenlijkt. Een oorlog tussen Duitsland en Frankrijk is onwaarschijnlijk geworden en het communistische gevaar bestaat niet meer. Het verguisde maar ook wel gemakkelijke IJzeren Gordijn is verdwenen. Dat heeft nieuwe problemen voortgebracht. Moeten de landen van het voormalige Oostblok niet zo spoedig mogelijk in Europa worden geintegreerd zoals herhaaldelijk is beloofd? En tot hoever reikt Europa eigenlijk? Voldoet de oude notie van Europese identiteit met haar elementen van westelijk christendom, renaissance, verlichting en democratie nog wel?

Het is niet gemakkelijk meer het politieke doel van de integratie precies vast te stellen. Op de lange termijn lijkt de slechts zelden openlijk uitgesproken wens om als geheel een rol van betekenis te spelen op het politieke wereldtoneel niet onbelangrijk. Of dat zou bijdragen tot de schepping van een paradijs op aarde, staat te bezien. Voorlopig echter is het politieke doel vooral de vervolmaking en uitbreiding van het constitutionele en geografische kader waarbinnen het economische doel kan worden verwezenlijkt.

In dit opzicht heeft een verwisseling van doelstellingen plaatsgevonden. Eerst was de economie dienstbaar aan de politiek, nu is de politiek dienstbaar aan de economie geworden. Dit is gepaard gegaan met een afname van het engagement.

Bovendien hebben de economisering en de bureaucratisering tot gevolg dat de inzet voor democratisering, die toch al nooit erg hoog was, is afgenomen. Het is een merkwaardige paradox van de Europese Unie dat aan het democratische gehalte van de landen die lid wensen te worden hoge eisen worden gesteld, terwijl de inspanning om het eigen constitutionele kader te democratiseren nauwelijks lijkt toe te nemen.

Het economische doel van de integratie is Europa tot zover we het willen laten reiken te maken tot een welvarend deel van de wereld waarin bovendien de welvaart zo gelijk mogelijk over de bewoners is verdeeld. Het tweede deel van deze doelstelling wordt wel in woorden beleden, maar vaak gunt de ene staat zijn bewoners toch graag wat meer dan de bewoners van een andere staat.

Ook komt het me voor dat de bekommernis over de treurniswekkende economische toestand in de gebieden van de voormalige Sovjet-Unie slechts zover gaat als de vrees voor een economische terugslag in onze streken.

Hierin ligt een voornaam element van de tegenstellingen tussen de Unie als geheel, de afzonderlijke lidstaten en de nieuw in de Unie op te nemen gebieden. Zij werken samen voor een mooi doel, maar zijn tegelijkertijd elkaars concurrenten.

Om het economische doel naderbij te brengen worden politieke, juridische economische en culturele instrumenten gebruikt. Ik beperk mij hier tot het economische instrument bij uitstek, het budget. Het budget heeft afgezien van de financiering van de instellingen van de Unie, ten minste vier beleidsdoelstellingen:

de versterking van de economie van de Unie als geheel, waarbij een kleine 50 procent van het budget ten goede komt aan de landbouw;

de spreiding van de welvaart over de lidstaten en de regio's binnen die lidstaten;

de financiering van de uitbreiding;

de financiering van een aantal ontwikkelingsprojecten.

Het budget is tot 1999 gebonden aan een plafond van 1,27 procent van het gemeenschappelijke brutoprodukt van de Unie. Bovendien is er een vrij grote mate van begrotingsdiscipline want het plafond wordt niet bereikt. Gezien de doelstellingen is het budget heel laag en ternauwernood geschikt om succesvol beleid te voeren.

Het opbouwen van een reserve om de grillen van de dagelijkse politiek op te vangen, lijkt heel plausibel. Helaas wordt er ook nogal wat geld over de balk gegooid of komt in de verkeerde zakken terecht. Met name de subsidies aan de landbouw, die aan een gering en niet altijd het armste deel van de Europese bevolking ten goede komen, vormen een hardnekkig probleem. Ook weet zelfs de grootste euro-optimist dat veel geld van de structuur- en cohesiefondsen niet, zwak uitgedrukt, optimaal wordt besteed.

Toch is het natuurlijk naief om te verwachten dat uit het chaotische samenstel van arme en rijke regio's op een koopje een bloeiend landschap geschapen kan worden. De uitspraak van minister Zalm dat de voorstellen van de Unie een te uitbundig uitgavenverloop hebben, is in dit licht bezien eerder provocerend dan realistisch.

Het geld van de Unie is afkomstig uit wat de 'eigen middelen' heet. Aangezien een Europese belasting ontbreekt, komt het erop neer dat die middelen worden verstrekt door de lidstaten volgens een bepaalde sleutel. Die sleutel is voor het laatst ten tijde van de top in Edinburgh (1992) vastgesteld en moet in 1999 worden herzien. Door die sleutel is Nederland dat tot het begin van de jaren negentig meer geld van de Gemeenschap ontving dan het betaalde, een der nettobetalers geworden. Per inwoner betaalt Nederland inderdaad het hoogste bedrag van de Unie en ook zijn de gemiddelde draagkracht en de afdracht aan de Unie niet geheel met elkaar in overeenstemming.

De geprikkeldheid hierover wordt bepaald niet verminderd door het feit dat Groot-Brittannie nog steeds profiteert van de door Margaret Thatcher bedongen terugbetalingen. Sommigen bewonderen dit Britse gedrag, maar ik ben eerder geneigd het beschamend te vinden.

Het ziet ernaar uit dat de scheefgroei nog zal toenemen. Na enig publicitair rumoer over de Nederlandse nettobijdrage aan de Unie heeft ook het eerste paarse kabinet begin 1995 zijn bezorgdheid hierover uitgesproken. Dit standpunt is overgenomen door Paars-II en wordt ondersteund door een zeer grote meerderheid in het parlement. Het heeft echter nog niet veel indruk gemaakt op de Unie, al erkent de Commissie inmiddels wel dat het een knelpunt is.

Het kabinet dreigt nu bepaalde besluiten van de Unie met een veto te blokkeren als men niet tegemoet komt aan de Nederlandse eis tot herziening van de verdeelsleutel voor de afdrachten.

Als door dergelijke veto's de pogingen tot spreiding van welvaart in Europa en de uitbreiding van de Unie zouden worden afgeremd, is deze methode buitengewoon kortzichtig. Het is ook niet ondenkbaar dat de methode averechts zal werken omdat Nederland op veel terreinen ongehoord profiteert van de vrije markt.

Minister Zalm heeft de Nederlandse europarlementariers verweten dat zij het Nederlandse belang uit het oog hebben verloren door te pleiten voor de vorming van een reserve. Nu is het belang van een land een omstreden begrip dat onmogelijk objectief valt te definieren. De staatskas is zeker gebaat bij een zuinig beheer en dus een zo laag mogelijke afdracht aan de Unie.

Maar het hemd zou niet altijd nader dan de rok moeten zijn. Wie het van een hoger belang acht dat er in Europa een gelijkmatiger spreiding van welvaart tot stand komt dan tot nu toe het geval is, en wie ook vindt dat met de beloften aan de kandidaat-lidstaten wel erg onwaarachtig wordt omgesprongen, ziet in dat extra uitgaven noodzakelijk zijn. Men kan beter pogen de andere landen van dit standpunt te overtuigen dan de voortgang van de integratie blokkeren ten voordele van een nogal bekrompen statelijk egoisme.

Het verwijt aan de europarlementariers heeft ook een constitutioneel aspect. Het is zeker zo dat sommige lidstaten hun europarlementariers beschouwen als zetbazen wier eerste taak het is de veronderstelde belangen van hun land te vertegenwoordigen.

Hier wreekt zich het feit dat indertijd bij de instelling van het parlement gekozen is voor een stelsel van een kamer.

Als er twee kamers waren geschapen, met een kamer waarin de lidstaten elk met een gelijk aantal leden vertegenwoordigd zouden zijn, was de belangenverstrengeling gemakkelijker te voorkomen geweest. Het zou ook veel beter hebben gepast in de Europese (en Atlantische) constitutionele traditie.

Nu er slechts een kamer is, zou de Nederlandse regering er beter aan doen de Nederlandse parlementariers niet lastig te vallen met wat zij als het Nederlandse belang ziet. Ook hier is een hoger belang in het spel: de vestiging van een degelijk en niet te ingewikkeld constitutioneel stelsel in Europa waarbij de verantwoordelijkheden duidelijk van elkaar zijn gescheiden.