Onderzoeker als bemiddelaar

Bram Peper : Sociale problemen en de moderne samenleving een cultuursociologische beschouwing

Ze zijn er nog wel, proefschriften die berusten op lezen en denken. Geen veldwerk, geen vragenlijsten en geen tabelletjes, maar een literatuurlijst vol klassieke boeken met een auteur in plaats van hele volleybalteams die in wisselende opstelling uit een onderzoek zes artikelen weten te halen.

Ruim 25 jaar geleden moest overigens die andere en nu zo opvallend ongenoemd gebleven Bram Peper in zijn proefschrift ('Vorming van welzijnsbeleid') ook al uitleggen, waarom hij genoeg had aan het gedrukte papier van een ander, zijn eigen witte velletjes en een secretaresse met een typemachine. Hij kon zelfs niet anders dan zich onderwerpen aan de 'law of least effort', zo schrijft hij in zijn methodenparagraaf, omdat er in de sector van het welzijnsbeleid aan onderzoek nog nauwelijks iets te halen was.

Wat de 'oude' Peper toen aan theoretische bagage voor het opbouwwerk en het welzijnsbeleid meebracht, was niet gering en zijn proefschrift is ook enkele malen herdrukt. Ik denk niet dat de 'jonge' Peper (hoe gaan de bibliografen hier trouwens persoonsverwisselingen - zelfde naam, zelfde vak, zelfde werkgebied - voorkomen?) het zover zal schoppen. Of misschien ook wel omdat het in eerste instantie vooral de indruk wekt een handzaam en toegankelijk leerboek voor de studie van sociale problemen te zijn. Zeker in de eerste twee delen - bij elkaar tweederde van het boek - had ik het gevoel de neerslag te lezen van een buitengewoon degelijke en in de loop van een jaar of vijf mooi 'uitontwikkelde' collegecyclus. Pas heel laat in het boek verandert het perspectief van uitleggen hoe het probleem in elkaar zit naar het zelf stellen van een probleem waarvoor een nieuwe oplossing moet worden gevonden. Dat gebeurt ook wel, maar 'een gedachte-experiment' is dan toch weer wat mager als het erom gaat de nieuwe 'theorie in praktijk' te brengen, zoals tenslotte trots aangekondigd wordt. Een echte poging tot toepassing van de nieuwe inzichten was toch wel de 'least effort' geweest, die je van een promovendus mag verwachten.

Het proefschrift biedt zelf heel goede aanknopingspunten voor de praktijk, soms juist ook uit het ongerijmde. Tegelijkertijd met het proefschrift was ik ook bezig met de conceptteksten van een voorstel van de Europese Commissie voor een groot nieuw sociaalwetenschappelijk onderzoeksprogramma. Ik kreeg totaal geen greep op die teksten, tot ik - met dank aan Bram Peper dus - in de gaten kreeg dat de thema's van het nieuwe programma wel maatschappelijk relevant waren ('de betekenis van flexibel werken van de partners voor het gezinsleven', ik doe maar een greep), maar heel zorgvuldig nooit als sociale problemen geformuleerd werden. Ze waren 'actueel', meestal ook erg 'crucial' en altijd 'challenging', maar nooit erg en zeker nooit een probleem waar in de praktijk iets aan gedaan zou moeten worden.

Zou de commissie haar teksten wel in die vorm gieten dan zou ze zich eigenaar van het probleem maken, op zoek moeten naar de oorzaken van het probleem en moreel verplicht zijn die uit de wereld te helpen. Zo ver reikt de competentie van de commissie niet, omdat ook tussen de lidstaten geen eenstemmigheid bestaat over wat er nu problematisch is aan de voor onderzoek vrijgegeven thema's. Bijna letterlijk passend bij deze casus schrijft Peper 'Ter illustratie: het vraagstuk van de buitenshuis werkende echtgenote is in de algemene zuil minder beladen dan in de katholieke en de protestantse zuil. Hier is reeds zichtbaar wat in een ontzuilde pluriforme samenleving zeer manifest zal worden: de onmogelijkheid om met een eenduidige definitie van een sociaal probleem te komen als de betrokkenen rond dat probleem fundamenteel van mening verschillen'. Wat ik dus als vaag en richtingloos beleef in de voorstellen, is een gevolg van een gebrek aan consensus en leidt tot onderzoek dat niet anders dan beschrijvend en inventariserend kan zijn.

Een heel ander voorbeeld. Het Sociaal en Cultureel Planbureau en het Centraal Bureau voor de Statistiek brengen ieder jaar een Armoede-monitor uit, die op basis van kwantitatieve gegevens een zo compleet mogelijk beeld van de armoede in Nederland geeft. Niemand twijfelt eraan dat armoede ook in Nederland nog steeds een sociaal probleem is, maar ik had toch niet verwacht dat de bewoners van de 'objectief armste wijk' van Nederland absoluut zouden ontkennen dragers van een sociaal probleem te zijn. Zij voelden zich niet arm en beleefden armoede als een toestand die ver verwijderd was van hun objectief toch zeer bescheiden welstand. De statistische armoede-constructie van de onderzoekers kon door de bewoners van de wijk niet alleen niet gedeeld worden, maar moest door hen ook afgewezen worden op straffe van verlies van zelfrespect en aanzien bij bewoners van naburige wijken. Niet uit te sluiten is echter dat het gemeentebestuur, als het beleidsmatig en dus financieel 'richting Den Haag' zo eens uitkomt, zich het armoederecord weer zal herinneren.

Bram Peper neemt in zijn proefschrift ook armoede als voorbeeld om te laten zien hoezeer het besef van de verschillen in de belangen van de potentiele betrokkenen en de bijna oneindige variatie in definitie van het begrip armoede ertoe kunnen leiden dat wat ooit als sociaal probleem objectiveerbaar en oplosbaar leek vervalt tot een onmachtig relativisme. Sociaal-constructivistisch kun je goed laten zien hoe armoede als sociaal probleem 'ontworpen' wordt, maar het wordt wat gruwelijk als je inderdaad op dezelfde manier ook weer zou kunnen laten zien hoe het als probleem weggedefinieerd kan worden, zonder dat er iets aan de situatie van de betrokkenen verandert.

Met een objectiverende benadering loop je bij sociale problemen kennistheoretisch vast, met een subjectiverende benadering loop je praktisch vast. Bisschop Muskens dook twee jaar geleden onder dit dilemma door toen hij de arme zelf de vrijheid gaf om, als het echt niet anders meer kan, maar een brood te stelen. In de Nederlandse verhoudingen is het een wat mal voorbeeld, maar het was wel effectief als relativering van het relativisme dat het gevolg is van het besef van de sociale werkelijkheid als een constructie. Wie op de Muskens-manier ergens snel een brood weggrist, bevindt zich in een puur materiele werkelijkheid (honger, dus eten), die pas weer sociaal wordt zodra de winkelier 'houd de dief' roept of wij erover praten.

Peper zoekt naar een mogelijkheid om, zonder het inzicht van het onvermijdelijk sociaal-constructivistische karakter van de sociale werkelijkheid op te geven, toch tot een actieve en praktische sociologie van sociale problemen te kunnen komen. Hij doet dat in twee stappen. De eerste stap brengt hem bij Nicos Mouzelis (voor mij een nieuwe naam in de sociologie, moet ik bekennen), die een onderscheid maakt tussen theorie als middel, als paradigma voor het doen van onderzoek, en theorie als doel, als verklaringsmodel voor een bepaald maatschappelijk verschijnsel. In de verschillende onderling strijdige visies op sociale problemen fungeren de theorieen vooral als doel en schieten dan letterlijk aan elkaar voorbij, maar schieten bovendien te kort in hun opdracht om ook bij te dragen aan de oplossing van sociale problemen. Want daar gaat het toch uiteindelijk om: sociale problemen zijn niet simpelweg sociologische problemen, die om een puur wetenschappelijk antwoord vragen, maar problemen waar juist ook maatschappelijk en politiek een oplossing als antwoord voor gezocht wordt.

Mouzelis is voor Peper de verbinding met de theorie van het communicatieve handelen van Juergen Habermas. Ik vond dat verrassend, omdat juist deze late, grote theorie van Habermas naar mijn gevoel wat uit de belangstelling aan het raken is door de onvoldoende bevredigende mogelijkheden er in de praktijk ook echt iets mee te kunnen doen. Dat blijkt uiteindelijk ook in het gedachte-experiment van Peper het probleem te zijn: alle gegevens moeten beschikbaar zijn, alle keuzes bekend, alle standpunten uitgeschreven, met andere woorden, binnen de kortste keren is iedereen het spoor bijster en moet de stormbal van een te hoge complexiteit gehesen worden. Het idee is echter aantrekkelijk. Door het communicatietheoretisch perspectief als instrument in te zetten en de regels van de 'herrschaftsfreie Kommunikation' serieus te nemen kan een sociaal probleem als armoede besproken worden op het niveau van de objectiveerbare feiten, maar ook op het niveau van de interpretatie van de situatie en tenslotte ook op het niveau van de beleving.

Habermas reikt, aldus Peper, 'in eerste instantie geen directe oplossing aan voor sociale problemen', maar wel 'de middelen c.q. de procedures om de discussie over sociale problemen op een zinvolle wijze te voeren'. Dan kan er ook weer gezocht worden naar een consensus in de oplossing van de problemen. Voor Peper verandert hiermee ook de rol van de onderzoeker. Hij wordt van een expert of een rechter veel meer een bemiddelaar, een begeleider in het proces van het zoeken en vinden van overeenstemming tussen de betrokkenen over 'hoe een sociaal probleem aan te pakken'. Dat lijkt heel aardig, maar ik ben bang dat de meeste onderzoekers daar toch niet voor in de wieg gelegd zijn.

    • Paul Schnabel