North: Huiver bekruipt me; Heibel om Holbein

Aanleiding: Norths poging tot ontraadseling van de symboliek in 'De Ambassadeurs', een mysterieus schilderij van Hans Holbein uit 1533. De Utrechtse hoogleraar Jeroen Stumpel reageerde, North schreef een weerwoord.

PROF. STUMPEL voelt zich blijkbaar nogal bedreigd, en het spijt me indien ik verantwoordelijk daarvoor ben geweest, ook al was het indirect. Het artikel was uiteraard geschreven door Jan Gerritsen, niet door mij. Gerritsens verslaglegging was zeker van een aanzienlijk hoger niveau dan wat men doorgaans in kranten leest, en bevatte in ieder geval een duidelijke rode draad, hetgeen men van de brief waarin hij wordt aangevallen niet kan zeggen. Indien Gerritsen mijn woorden selectief heeft weergegeven, dan was dat om kort te willen zijn, niet om mijn woorden te verdraaien. Ik ga daarom ook niet klagen over de keuze van bepaalde formuleringen die ikzelf niet zou hebben gekozen. 'Wat het schilderij in essentie voorstelt' bijvoorbeeld, of 'rechter oog' terwijl een ieder met zijn eigen ogen kan zien dat het om het linkeroog gaat.

Stumpel kan trouwens niet geheel blindvaren op zijn eigen gezichtsvermogen als hij categorisch stelt dat het getal 27 op geen van de instrumenten voorkomt. De arm van het instrument gelegen voor het quadrant (er is er maar een) wijst duidelijk 27 graden aan, maar ik zal Stumpel verdere zogenaamde 'loze mededelingen' besparen, omdat hij van mening lijkt te zijn dat aangezien meer lijnen getrokken kunnen worden met bijbehorende interpretaties, men beter helemaal geen lijn kan trekken. Maar wat voor soort logica is dat?

'Bij beeldende kunst mag de geest waaien, het geeft niet waarheen', zegt Stumpel. Misschien Stumpels geest, zeker niet de mijne. Zijn kritiek waait alle kanten op zonder onderbouwing en zonder in te gaan op de details van mijn argumenten. Ik begon bij de schedel waarover hij merkwaardigerwijs niets zegt. (Is hij als hoogleraar in de kunstgeschiedenis werkelijk zo onwetend over lijnen getrokken vanuit een punt buiten een schilderij als hij meent te zeggen?) Een ander belangrijk element in mijn interpretatie, Holbeins vriendschap met de astronoom Kratzer, wordt eveneens genegeerd.

Het astronomische gegeven dat de zon een hoogte had van 27 graden op het desbetreffende moment wordt afgedaan als een 'loze mededeling'.

Natuurlijk staat het hem vrij vraagtekens te zetten bij het idee van een horoscoop opgenomen in het schilderij - het idee had ik natuurlijk zelf ook kritisch bekeken - maar hij heeft ongelijk als hij meent dat het om een soort van universele horoscoop zou gaan, geldig voor elke dag en voor elk tijdstip. Volgens hem is het beter om maar helemaal geen horoscoop te tekenen indien er eindeloos veel mogelijkheden zijn om deze in te vullen. Wederom dezelfde slechte logica.

In de 16de eeuw was er in ieder geval nog deskundigheid op dit gebied. Men kan datering en tijdstip aan het schilderij zelf ontlenen. Het jaar staat op de vloer geschilderd: 1533. Uit de stand van de cilindrische zonnewijzer kan men afleiden dat het om Goede Vrijdag van dat jaar gaat. (De mededeling dat dit reeds gevonden kan worden in de 'bekende' chronologische tabellen en in het boek van Hersey [sic] is even relevant als het feit dat de verjaardag van Elvis in Stumpels agenda staat. So what?). Ook het tijdstip op die dag wordt bepaald door de stand van de zonnewijzer. Voor elke kunsthistoricus zou dat reden genoeg moeten zijn om op zijn minst geinteresseerd te zijn in de mogelijkheid van een astrologische betekenis - een zeer reele mogelijkheid in de Middeleeuwen en de renaissance, zoals Warburg en Saxl grondleggers van het vak dat Stumpel doceert, de iconologie, terdege beseften. Een ieder die betrokken was bij de totstandkoming van het schilderij geloofde in astrologie, en zou onmiddelijk hebben ingezien dat de constellatie voor dat moment een zeer bijzondere en (in hun ogen) betekenisvolle was.

Het is bedenkelijk dat Stumpel zijn toevlucht neemt tot ad hominem argumenten door mijn onderzoek in een adem te noemen met een reeks van belachelijke en volstrekt irrelevante uitingen van 'onzin en charlatannerie' zoals 'Elvis leeft'; kennelijk heeft hij geen hoge dunk van de intelligentie van de gemiddelde NRC-lezer. Maar veel verontrustender dan dit is Stumpels erbarmelijk gebrek aan inzicht in de mentale en intellectuele wereld van deze 16de-eeuwers. Hij zegt genoten te hebben van de tentoonstelling in Londen (waarbij gebruik werd gemaakt van onder andere mijn werk van 30 jaar geleden over Kratzer en diens instrumentarium). Ik dank Stumpel voor zijn adviezen over wat waarlijk interessante onderwerpen van studie zijn, en ik ben blij dat hij dezelfde uitkomsten krijgt als ik bij de sommen 1533-33=1500 en 13-2=11 april.

Eigenlijk zou iemand zoals Stumpel, die argumenten van tafel veegt zonder zich in de details te verdiepen, zich niet moeten bekommeren om een detail als het begin van het nieuwe jaar. Voor hen wie het interesseert: astronomen in die tijd gingen uit van 1 januari, het burgerlijk jaar in Londen begon op 25 maart.

Was het wel verantwoord van de NRC-redactie om iets te schrijven over mijn interpretatie, die ik overigens reeds aan het publiek had voorgelegd in een aantal openbare lezingen (Oxford, British Museum en Warburg Institute)? Wiens oordeel moeten we volgen? Zoals uit zijn reactie zo pijnlijk blijkt, heeft Stumpel niet het alleenrecht op geleerdheid, en enige huiver bekruipt me bij de gedachte dat geleerden zoals hij de pers gaan censureren - een suggestie die impliciet in zijn brief besloten lijkt te liggen. Quis custodiet ipsos custodes?