NAT NATUURHERSTEL IS RAMPZALIG VOOR HOOGVEENVLINDERS

Goedbedoelde maatregelen om de waterhuishouding in verdroogde hoogvenen te herstellen kunnen funest zijn voor de karakteristieke hoogveenvlinders. Dat blijkt uit onderzoek van Chris van Swaay van de Vlinderstichting in Wageningen. Volgens Van Swaay worden vernattingsmaatregelen meestal veel te rigoureus aangepakt. Het hoogveen verandert in een grote badkuip waarin de rupsen van allerlei vlindersoorten massaal verdrinken. Voor een karakteristieke hoogveenvlinder zoals het Veenhooibeestje betekenen de natuurherstelmaatregelen van de afgelopen jaren in feite de genadeslag. Daarom pleit de Vlinderstichting voor een voorzichtiger aanpak, want van alle dagvlinders worden de hoogveensoorten als echte specialisten het meest bedreigd.

Levende hoogvenen zijn heel arm aan bloeiende planten. Vlinders hebben er niets te zoeken. Daarom leven de echte hoogveenvlinders vooral aan de randen van het hoogveen, dichtbij de omringende hooilanden. Het Veenhooibeestje (Coenonympha tullia) is een vrij kleine hoogveenvlinder uit de familie van de zandoogjes. De mannetjes zijn aan de bovenzijde grauwbruin, de vrouwtjes okergeel. Aan de onderkant van de vleugels zit een rij opvallende zwarte oogvlekken met witte stippen. De vlinders vliegen van midden juni tot eind juli in moerassen, natte heiden en venen. Hun voornaamste waardplanten zijn wollegras en zwenkgras. Ze overwinteren in het rupsstadium, diep verscholen in de strooisellaag.

Oorspronkelijk was Nederland zeer rijk aan hoogveen. In Oost-Groningen Drenthe, Oost-Overijssel, de Peel en Limburg kwamen uitgestrekte hoogvenen voor, bij elkaar zo'n 180.000 hectare. Van dit enorme areaal is nog hooguit 2 procent over, de rest is ontwaterd en ontgonnen. Begin jaren tachtig waren er van het Veenhooibeestje, vroeger een veel voorkomende soort, nog maar enkele tientallen populaties over.

Sinds de jaren tachtig zijn maatregelen genomen om de afgetakelde hoogvenen te herstellen. Door afwateringssloten te dempen en dammen en sluizen aan te leggen werd de waterstand in korte tijd flink verhoogd. Daardoor kon de karakteristieke plantengroei zich herstellen, maar er ontstond ook een scherpe overgang van nat naar droog, terwijl de randzones van het hoogveen, die juist zo aantrekkelijk zijn voor vlinders, verdwenen.

Inmiddels zijn er nog maar zes populaties van het Veenhooibeestje over waarvan vier in Drenthe, een in de Achterhoek en een bij Kloosterhaar. De soort geldt inmiddels als 'ernstig bedreigd'.

Vermoedelijk hebben ook veel andere grondgebonden dieren de verdrinkingsdood gevonden.

Volgens de Vlinderstichting verdient het daarom de voorkeur om vernattingsmaatregelen minder snel en grootschalig uit te voeren. Bij een geleidelijke aanpak krijgen vlinders en andere dieren de kans zich aan te passen en te overleven.

    • Marion de Boo