HET ROTJOCH BESTAAT

Tweederde van de jongeren vertoont wel eens asociaal gedrag: vandalisme geweld, diefstal - in alle soorten en maten. Het vaakst gebeurt dit op het zeventiende jaar. Meestal gaat het weer over, maar niet altijd. Wat te doen? Aan de rebelse jongere is niet te zien of hij behoort tot 5 a 10 life course persistent anti-socialen of tot de 'gewone' jongens en meisjes. Voor de beste benadering van moeilijke adolescenten maakt dat onzichtbare verschil natuurlijk veel uit.

Er is een uitweg, want per definitie moet je de 'consistent problematische jongeren' kunnen herkennen aan hun eerdere gedrag. Het zou mooi zijn wanneer de probleemjongeren (en -volwassenen) al jong te herkennen waren aan bijvoorbeeld persoonlijkheidskenmerken die met relatief eenvoudige testen en vragenlijsten te meten zijn. Hoofddocent psychologie Marcel van Aken en studente Christel Heutinck van de Katholieke Universiteit Nijmegen onderzochten het verband tussen persoonlijkheid en asocialiteit bij 83 jongeren, die 'gemeten' werden op hun zevende, twaalfde en twintigste jaar. Beschikbaar waren metingen van de persoonlijkheid, intelligentie en het probleemgedrag op en voor het twintigste jaar (via een vragenlijst aan de jongeren zelf, naar zwartrijden, inbraak, geweldplegingen, alcohol- en drugsgebruik). In de net uitgekomen special van Mens & Maatschappij doen ze verslag van hun bevindingen.

Alle probleemgedragingen blijken vooral samen te hangen met een lage vriendelijkheid en een geringe impulscontrole op alle leeftijden. Vriendelijkheid betekent in dit verband vooral goede sociale vaardigheid en empathie. Belangrijk is ook te weten dat de karakterscores op zevenjarige leeftijd inschattingen door de onderwijzer zijn (op het twintigste jaar mag een vriend de scores doen). Een op school chagrijnig kind dat zijn klasgenoten pest, kan dus in zijn vrije tijd met heel andere vrienden misschien uiterst sociaal gedrag vertonen. Verder kun je je afvragen wat je meet met de typeringen door een onderwijzer: het karakter van het kind, of de vooroordelen van de onderwijzer. Hoe dan ook de sterkste samenhang met het vroege karakter wordt gevonden bij jongeren die tussen hun twaalfde en twintigste ten minste eenmaal in aanraking zijn geweest met de politie.

Deze groep, allen jongens, scoort al op zevenjarige leeftijd zo opvallend laag op vriendelijkheid en zelfcontrole dat de onderzoekers spreken van 'de voorspellende waarde' van deze combinatie van karaktertrekken.

De kans op foute voorspellingen blijft groot: van de in totaal twaalf onvriendelijke zevenjarigen met een impulscontroleprobleem kwamen er in totaal 5 in aanraking met de politie, 42 procent - dat wil zeggen 58 procent niet. Maar voor voorspelling van een toestand over dertien jaar is dit toch een vrij sterke samenhang. De samenhang van de karaktereigenschappen met misdragingen als geweldpleging en inbraak (zonder politie erbij) en met overmatig alcoholgebruik en met druggebruik is minder sterk, maar toch ook opvallend. Er is een groep van zes jongens (7 procent) die in alle deze 'ongewenste sectoren' hoog scoren, en laag scoren in vriendelijkheid en impulscontrole. Samenhang met emotionele stabiliteit en intelligentie vaak genoemd als karakterkenmerk van (latere) asocialen, is niet gevonden.

De onderzoekers wijzen erop dat de gevonden 'asociale' karaktereigenschappen als een constante oorzaak van de problemen te beschouwen zijn. De redelijk constante score op de verschillende leeftijden is er een aanwijzing voor, zo schrijven Van Aken en Heutinck. Iemand is een rotjoch en komt dus in de problemen, zeg maar. Maar dat is waarschijnlijk toch te simpel, want er kan zich een sneeuwbaleffect voordoen. Een kind dat gauw kwaad wordt, wordt eerder verstoten door leeftijdsgenoten en maakt minder kans zijn school af te maken, en zo'n puber krijgte eerder 'foute vrienden', enzovoorts.

De verbinding van karaktereigenschappen en de opstapeling van wat keurig 'ongewenste uitkomsten' heet, is een rode draad door het boeknummer van Mens & Maatschappij.

Zo is de conclusie van een ander artikel (door pedagogen van de Katholieke Universiteit Nijmegen) dat hoe aardiger nauwgezetter en en emotioneel stabieler jongeren zichzelf vinden, des te minder probleemgedragingen ze vertonen, zoals drugsgebruik, vandalisme depressiviteit, agressie, ongedurigheid, overcontrole of juist gebrekkige controle van emoties. Er zijn bij dit soort complexe correlatie-onderzoeken overigens altijd veel vreemde uitkomsten. Vindingrijkheid blijkt bijvoorbeeld alleen maar samen te hangen met drugsgebruik, niet met ander gedrag. Er is dus nog veel onderzoek nodig zo wordt vrijwel elk artikel besloten.

Het 'boeknummer' (een special die niet meetelt in de gewone driemaandelijkse nummering van het tijdschrift) is duidelijk bedoeld als tegenwicht tegen de meer algemene sociaalwetenschappelijk methode om gedrag vooral situatie-afhankelijk te bekijken: een kind is niet vervelend in de klas omdat hij een rotkarakter heeft, maar omdat de les niet interessant is of omdat zijn ouders ruzie hebben etcetera. De ongebruikelijkheid van deze 'karaktersociologie' blijkt ook uit de behoedzame formuleringen in de theoretische inleiding door Marianne Junger, van het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving in Leiden. Haast alsof ze iedere associatie met volkswijsheden over karakterconstanten van criminelen voorgoed wil uitbannen, spreekt ze bijvoorbeeld van 'intersituationele consistentie' en van super-traits die weer hetzelfde zijn als 'latente eigenschappen van een hogere orde' zoals traditionalisme of 'negatieve emotionaliteit'. Niettemin, de boodschap is duidelijk: 'Men kan bijvoorbeeld stellen dat het frequent duwen, trekken en slaan als kind conceptueel equivalent is aan het mishandelen van de partner op latere leeftijd', als tenminste die super-traits werkelijk bestaan, schrijft ze.

Mogelijk wordt een deel van de behoedzaamheid veroorzaakt door het problematische antwoord op de vraag: waar komen die karakters super-traits, latente eigenschappen of hoe ze ook genoemd mogen worden vandaan? Erfelijkheid? Opvoedingspraktijken? Jarenlang waren biologische factoren vrijwel taboe in de sociale wetenschappen, al begint de laatste tijd het tij te keren. In sociaalwetenschappelijke verklaringsmodellen zijn genetische factoren nu eenmaal amper in te passen.

De kwestie valt buiten het bestek van de special, schrijft Junger in haar inleiding. Maar dat voorkomt niet dat de verklaring van wangedrag uit karaktereigenschappen gemakkelijk de indruk kan wekken van erfelijke belasting, zeker als de kwestie niet voluit bij de kop gepakt wordt. De vraag wordt nu hooguit terloops opgeworpen. Van Aken en Heutinck, die het sterkste verband tussen wangedrag en karakter leggen, geraken nog het duidelijkst in genetisch vaarwater. Ze wijzen op het belang van onderzoek naar 'de persoonlijkheidspsychologische, mogelijk zelfs biologische achtergrond van probleemgedrag' - overigens wel in combinatie met onderzoek naar de sociale relaties. Ook Junger bepleit multidisciplinair onderzoek, dat ze 'betrekkelijk zeldzaam' noemt 'ondanks alle lippendienst eraan'. Samenbrengen van alleen sociale wetenschapsdisciplines binnen een special is dan ook niet voldoende om de verbanden tussen karaktertrekken en hardnekkig wangedrag bevredigend te behandelen.