Het kantoor als exponent van 20ste-eeuwse techniek

Niet bekend

Kantoren van enige omvang bestaan overigens nog niet zo lang. Rond 1900 werkten in Nederland in totaal zo'n 25.000 mensen op kantoor. De meeste kantoren telden hooguit enkele bedienden. Dat veranderde echter snel. Zo werkten op het Amsterdamse kantoor van de Rotterdamsche Bankvereeniging in 1920 al bijna 1.500 mensen.

Zelfs in de kleine kantoortjes aan het eind van de negentiende eeuw rukken de apparaten op met de schrijfmachine als belangrijkste exponent. Deze vormde de kern waaromheen allerlei andere technologie toepassing vond. Zo maakte de combinatie met carbonpapier het mogelijk het vervaardigen van een document en de reproductie ervan in een arbeidsgang te bewerkstelligen. Met dicteermachines kon het formuleren van een tekst worden losgekoppeld van de productie . Er ontstond een nieuw beroep: de secretaresse.

Ook telmachines en stencilmachines deden al voor 1900 hun intrede in het kantoor. Een in 1911 in het Stedelijk museum georganiseerde tentoonstelling over kantoorinrichting stond vol met nieuwe technologie. In zekere zin was dit de voorbode van een nieuwe tijd: in de jaren daarna kwam een belangrijk nieuw apparaat op, en dat ging vergezeld van nieuwe ideeen over administratie en management. Dat apparaat was de ponskaartmachine, de ideeen systematic management en scientific management. Het ging erom administratief werk net als industriele productie efficienter te organiseren.

Nederland liep behoorlijk voorop bij de introductie van deze veelzijdige apparaten. De kracht ervan was dat koppeling van diverse administratieve processen in een apparaat mogelijk werd. Eenmaal ingevoerde getallen konden worden opgeteld adressen naar believen worden geselecteerd, gesorteerd en afgedrukt.

De informatiemaatschappij kreeg al gestalte.

Introductie van ponskaartmachines verliep overigens niet altijd vlekkeloos: in 1924 lag de Post Cheque en Giro Dienst zelfs een jaar lang plat, waarschijnlijk het grootste automatiseringsfiasco uit de Nederlandse geschiedenis. Dezelfde techniek was bij de Rotterdamsche Bankvereeniging juist uiterst succesvol ingevoerd. Dat zat hem niet in de kwaliteiten van de machines maar in de manier waarop het personeel op de nieuwe techniek was voorbereid en de manier waarop de organisatie werd bestuurd.

Intussen ontstonden gedurende het interbellum op tal van plaatsen massa-administraties. Na de oorlog werden die zelfs zo omvangrijk dat het werken met ponskaarten op fysieke problemen kon stuiten. Voor KLM was dat een belangrijke reden om eind jaren vijftig over te gaan tot aanschaf van een computer. In tegenstelling tot wat veel mensen denken vormden computers, die vanaf 1957 hun intrede deden in administraties, geen radicale breuk met het verleden. Sterker nog, de computer paste goed in de manier waarop gegevens reeds werden verwerkt met ponskaartenmachines. De dure computers pasten ook goed in een organisatiemodel waarin het verwerken van gegevens reeds sterk was gecentraliseerd. Hoewel de achterstand op Amerika groot was, liep Nederland ook met de introductie van computers mee in de voorhoede in Europa.