Gezondheid beweegt beleggers meer dan techniek

Toen de Amerikaanse medicijnenfabrikant Pfizer in april van dit jaar Viagra, het inmiddels overbekende blauwe pilletje voor mannen met potentieproblemen, introduceerde, schoot de koers van het aandeel door het dak. In de week dat het product voor het eerst verkrijgbaar was en het storm liep bij apothekers, zagen beleggers de 'potentie' van Viagra als moneymaker en het aandeel Pfizer flitste omhoog van 95 naar meer dan 115 dollar.

Het resultaat van de jaren- en miljardenverslindende researchinspanning van Pfizer werd supersnel in economische waarde vertaald.

Viagra is misschien een wat bijzonder geval omdat het product nu eenmaal meer tot de verbeelding spreekt dan een willekeurig smeerseltje tegen kriebel in de knieholte. Maar wie beursgenoteerde farmaceutische bedrijven een beetje volgt - niet op het Damrak overigens want, afgezien van Akzo Nobel dat met dochter Organon maar een half farmaceutisch bedrijf is, heb je zulke bedrijven hier niet; je moet er voor naar Zurich, Londen en New York - die weet dat het niet zo uitzonderlijk is dat nieuws over de ontwikkeling van een nieuw medicijn tot felle koersreacties leidt. Beleggers kunnen heel opgewonden raken van een bericht over een doorbraak in het vinden van een nieuw medicijn, over het patenteren van de receptuur of over het krijgen van groen licht om het product te mogen verkopen. Maar ook omgekeerd: als een medicijn bijwerkingen blijkt te hebben, kan de koers fors onderuit gaan.

Logisch zou je zeggen, want met een nieuw product komen nieuwe winstbronnen in zicht. Inderdaad, maar hoe komt het dan dat je dit fenomeen bijna nooit ziet als Philips met een nieuw type cd-speler scheerapparaat, of energiezuinige lamp komt? Waarom zie je het niet op die heftige manier als kopieermachinefabrikant Oce weer met revolutionair apparaat uitkomt? Ja, waarom zie je het zelfs niet bij softwarebedrijven wanneer ze een nieuw pakket op de markt brengen dat voor een bepaalde doelgroep een 'must' is? Wat is er zo anders aan farmaceutische innovaties dat die een zo sterke impact hebben?

“Het heeft in hoofdzaak met twee dingen te maken', zegt Marcel Wijma, die bij IRIS de effectenresearchdochter van Rabo en Robeco, de farmaceutische industrie volgt, “Enerzijds met het patent op een medicijn dat gemiddeld 6 tot 8 jaar na de introductie van kracht blijft, zodat de fabrikant in die periode van concurrentie niets te vrezen heeft; anderzijds met het prettige fenomeen dat het de klant meestal niks kan schelen wat het medicijn kost.

In de meeste gevallen is de gebruiker immers verzekerd, en zelfs als dat niet het geval is, dan is het gevraagde financiele offer een kleinigheid in verhouding tot de verbetering van de kwaliteit van zijn leven.'

Omdat de farmaceutische markt een wereldmarkt is, kan de omzet van een product waarvan de kosten van grondstoffen en bereiding te verwaarlozen is, makkelijk in de miljarden lopen. Wijma noemt wat voorbeelden van zulke kaskrakers. Het al genoemde Viagra zal Pfizer eind 2002 naar schatting 9 miljard gulden aan omzet hebben binnengebracht; een cholesterolverlagend product Zocor van de Amerikaanse fabrikant Merck gaat vermoedelijk 10 miljard opleveren en het befaamde Prozac, gemaakt door Eli Lilly levert een geschatte opbrengst van een kleine 7 miljard op. “En dan moet je bedenken,' zegt Wijma, dat bruto winstmarges op zulke nieuwe beschermde producten rond de 75 procent liggen. Dat verklaart het enorme effect van een zo'n patent op de totale winstgevendheid van een onderneming. Het grote verschil met andere industrieen is dat daar innovaties meer druppelsgewijs plaatsvinden, dat de markt in een langzaam proces bevochten moet worden en dat er, zelfs voor relatief unieke producten haast altijd wel bepaalde alternatieven bestaan. Of in aantocht zijn. De concurrentie zorgt dat de winstmarges binnen de perken blijven.'

De farmaceutische industrie is zo winstgevend dat fabrikant Merck met een omzet van 23 miljard dollar op de beurs 160 miljard waard is, terwijl Koninklijke Shell met 172 miljard omzet een beurswaarde van 190 miljard krijgt. Maar er moet wel wat voor worden gedaan. Het belangrijkste is onderzoek en ontwikkeling, meestal aangeduid met research en development of 'R&D'.

Daaraan gaat bij medicijnenmakers praktisch 20 procent van de omzet op, terwijl dat in de elektronica-industrie maar 6,4 procent is en bij een bedrijfstak die een bulkproduct als papier maakt, slechts 0,8 procent. De kosten lopen mede zo op omdat veel researchinspanning uiteindelijk niet tot een product leidt. Alhoewel omgekeerde toevalstreffers ook voorkomen; de makers van Viagra zochten oorspronkelijk naar een medicijn voor bloeddrukproblemen. De gemiddelde investering om tot een productieklaar medicijn te komen bedraagt ongeveer 700.000 gulden, terwijl het gemiddeld tijdsbeslag van idee tot product 12 jaar bedraagt.

Wijma: “Er zijn enorme R&D-investeringen nodig, niet alleen om nu een dan met een goed product te komen maar ook om te zorgen dat er voortdurend innovaties in de pijplijn zitten. Dat maakt de toetredingsdrempel tot de industrie zeer hoog. Nieuwe aanbieders komen er dus zelden bij.'

Integendeel, zou je zelfs kunnen zeggen, het aantal marktpartijen neemt af. Want de hoge investeringen en grote risico's dwingen zelfs de grootste partijen tot samenwerken. Wijma: “Dat verklaart bijvoorbeeld de pogingen van GlaxoWellcome en SmithKline Beecham om de krachten te bundelen.

Een concentratiegolf in een bedrijfstak duidt er meestal op dat winsten onder druk staan, maar hier is dat toch niet zo. De meeste partijen durven nog rustig een winstgroei per aandeel van twintig tot dertig procent te beloven. Maar daar betaalt de belegger dan ook dubbel en dwars voor. Met een koers van niet zelden veertig maal de jaarwinst, is een doorsnee 'farma-aandeel' ongeveer twee maal zo duur als het marktgemiddelde. Zijn de perspectieven voor de branche echt zo goed dat die prijs wordt gerechtvaardigd? Wijma; “Wij denken van wel.

Medicijnenmakers profiteren geweldig van de vergrijzing in de rijke delen van de wereld. Dat zorgt voor een geweldige markt voor zogeheten 'life style drugs': medicijnen die de levenskwaliteit van ouderen verbeteren.' Voorbeelden zijn Viagra maar ook een product tegen haaruitval, of een middel tegen vetzucht, zoals Xenical van Roche. “Bovendien', zegt Wijma, “biedt de farmaceutische industrie beleggers naast groei ook veiligheid. Als het economisch minder gaat blijken mensen op alles te bezuinigen, behalve op medicijnen.'