Gewicht van Russisch njet is flink afgenomen

Rusland is tegen. Tegen wat? Tegen alles - of het nu om Kosovo gaat of om Irak, ook als het met zijn 'nee' abjecte regimes als die van Slobodan Milosevic of Saddam Hussein steunt. Maar het Russische verzet heeft steeds minder te betekenen.

Nu president Jeltsin, fysiek en wellicht ook geestelijk verzwakt het dagelijks bestuur in Rusland goeddeels heeft overgedragen aan premier Jevgeni Primakov, is, althans in de toon, een verharding merkbaar in het buitenlandse beleid van Rusland. Onder Primakov, ex-spionagechef en ex-minister van Buitenlandse Zaken, wordt niet meer, zoals ten tijde van Jeltsin, geroepen dat Moskou weliswaar in de kwestie-X of in vraagstuk-Y tegen het jongste initiatief van Washington is, maar toch wel degelijk heel veel prijs stelt op heel goede relaties met het Westen. President Jeltsins nuancerende opmerkingen lijken verleden tijd. Het 'njet' uit Moskou klinkt harder dan vroeger.

De tegenstand hoeft niet te verbazen, noch in de Kosovo-crisis, noch in de Iraakse crisis - de twee belangrijkste internationale crises van dit moment. In de eerste kwestie roept Moskou graag en vaak dat het Servische broedervolk oneerlijk wordt behandeld en wordt veel gewezen op de traditionele banden tussen Russen en Serviers.

De werkelijkheid is anders, want die broederlijke banden stellen weinig voor: in Rusland ligt niemand wakker van de Serviers en in Servie is Amerika beduidend populairder dan Rusland, en ook in het verleden stelden die broederlijke banden niet veel voor. Waar het Moskou werkelijk om gaat is het behoud van een minimum aan internationale invloed. Ook op de Balkan, dat Rusland graag tot een soort invloedssfeer rekent. En het internationaal geheel geisoleerde Joegoslavie van Slobodan Milosevic is het enige land op het schiereiland dat bereid is - graag zelfs - de Russen daar een handje bij te helpen.

Daarbij komt dat de zaak van de Albanezen in Kosovo voor Moskou een absolute nachtmerrie is: als Kosovo morgen onafhankelijk zou worden, zoals die Albanezen willen, wil overmorgen een groot deel van de republieken van de Russische federatie ook onafhankelijk worden - en daar hebben de machthebbers in Moskou niet net een in geld en mensenlevens peperdure oorlog in Tsjetsjenie voor gevochten.

In de Iraakse crisis gaat het om een minimum aan Russische invloed in het Midden-Oosten - en om economische banden, want Irak is de afgelopen decennia een gretige koper van Russisch wapentuig geweest, en de wederopbouw van de Russische wapenindustrie is een hoogst belangrijke prioriteit van Jevgeni Primakov. Ergo: Irak moet wat hem betreft zo snel mogelijk worden bevrijd van de status van internationale paria, het moet weer zijn olie kunnen verkopen het moet in staat worden gesteld zijn miljardenschuld aan Rusland te betalen en het moet ook in staat worden gesteld weer Russische wapens aan te schaffen.

Primakov staat in eigen land zwaar onder druk, met name van de Doema, het parlement dat wordt gedomineerd door de communisten en de nationalisten. De rood-bruine coalitie is fervent anti-Westers pro-Servisch en pro-Iraaks.

Daar komt nog bij dat Primakov van huis uit een arabist is die ook nog eens heel goed kan opschieten met Saddam Hussein. Zo staat niets de ondersteuning van Bagdad door Moskou in de weg.

Maar Primakov heeft een groot probleem: hij kan zijn 'njet', anders dan zijn communistische Sovjet-voorgangers, niet hard maken. Rusland is formeel nog een supermacht: het heeft een permanente stem in de Veiligheidsraad en een omvangrijk kernwapenarsenaal, dat echter in crises die het voortbestaan van Rusland niet direct bedreigen, niet inzetbaar is. Maar dat is alles, aan activa.

Het Russische leger is gedemoraliseerd en zo verzwakt dat soldaten van honger dreigen te sterven en vroeger zo fiere marineschepen van pure ellende dreigen te zinken. Het land kraakt in zijn voegen en balanceert op de rand van de chaos en de desintegratie: Primakov heeft zelfs in eigen land steeds minder te vertellen, want de ene regionale gouverneur na de andere lapt de oproepen en oekazes uit Moskou gewoon aan zijn laars en dreigt op de eigen hulpbronnen te blijven zitten.

De bevolking is verpauperd, de overheidsinstellingen - inclusief de strijdkrachten en de instellingen van sociale zorg - dreigen in te storten door geldgebrek, vele honderden banken zijn failliet en werknemers krijgen al vele maanden geen loon. De economie degenereert tot een ruilhandeleconomie. Alom ligt het gevaar van hongersnood op grote schaal op de loer. De overheid overleeft - als ze dat al doet - voornamelijk door geld bij te drukken.

Er wordt in de Russische media zelfs gespeculeerd dat het Westen de almaar uitgebleven Russische ratificatie van START-2 best - letterlijk - kan kopen. Rusland moet in 1999 bijna achttien miljard dollar aan rente en aflossing op de buitenlandse schuld betalen en kan dat met geen mogelijkheid. Integendeel: het Westen moet met omvangrijke 'zachte' leningen en met grote hoeveelheden voedsel over de brug komen om Rusland en de Russen de komende wintermaanden door te helpen.

Primakov is derhalve afhankelijk van juist die landen waartegen hij zijn kwade 'njet' richt. Hij en zijn minister van Buitenlandse Zaken Ivanov dreigen met nare “consequenties' van een militair ingrijpen van het Westen tegen Irak, maar Rusland bevindt zich niet in de positie om aan zijn neewoord daden toe te voegen die het tot veel meer dan een kwaad woord maken.

De internationale agenda wordt al een tijdje niet meer in Moskou vastgesteld. En het Westen weet dat maar al te goed en handelt ernaar. Voor Bill Clinton was “vriend Boris' nog wel belangrijk. Jevgeni wordt gerespecteerd, maar is geen vriend. En Jevgeni hoeft ook niet per se een vriend te zijn.