EEN RUGBYER IN HET VERKEERDE LAND

Ruim tien jaar was hij het onverschrokken boegbeeld van het Nederlandse rugby. Maar vanmiddag, wanneer de nationale ploeg voor het eerst in de geschiedenis aantreedt tegen grootmacht Engeland, zit Yves Kummer (33) voor de buis. “Ik wil niet meer vooroplopen.'

Voetballen kon hij als de beste. Met een knipoog: “Moet je niet onderschatten, hoor. Uit alle hoeken en standen was het raak. Niet van de bal af te krijgen.' Rugby werd niettemin zijn passie. “Op m'n veertiende, vijftiende was ik een tamelijk verlegen jochie dat niet echt lekker in zijn vel zat. Rond die tijd drukte mijn vader mij een artikel over rugby onder de neus. Ik wist niet wat ik zag! Die vierkante koppen die waanzinnige lichamen! Ik dacht: zo wil ik ook zijn. Rugby appelleert aan mannelijkheid. Zeker als puber ben je daar vatbaar voor. Na een proeftraining bij DIOK wist ik het zeker: dit is het, zo wil ik zijn.'

Ruim tien jaar was Yves Kummer het boegbeeld van de Nederlandse rugbyploeg. Maar in Huddersfield, waar het nationale vijftiental vanmiddag voor het eerst in de geschiedenis aantreedt tegen grootmacht Engeland schittert de 33-jarige spelverdeler van landskampioen DIOK door afwezigheid. Hetzelfde geldt voor het tweede duel uit de derde ronde van de WK-kwalificatie, woensdag tegen Italie. Noodgedwongen volgt de 64-voudig international de verrichtingen in het Alfred McAlpine Stadium thuis op televisie. Met “twee aanvaardbare nederlagen' zou Kummer vrede hebben. “Als ze tegen Engeland met minder dan tachtig punten verliezen mogen ze met opgeheven hoofd van het veld. Het blijft toch een duel tussen profs en amateurs.'

Na lang wikken en wegen haakte Kummer vorige week af. Belangrijkste reden: een malaria-aanval die hem - na een wereldreis met vriendin en oud-roeister Irene Eijs - begin oktober aan bed gekluisterd hield. “Vier dagen gestrekt met veertig graden koorts. Inmiddels ben ik redelijk hersteld, maar fit ben ik nog lang niet en als recreant ga ik niet mee naar Huddersfield.

Sommigen heb ik horen zeggen: verliezen oke, maar ik heb tenminste het shirtje van die Engelsen. Kom zeg, ik ga niet mee om na afloop een shirtje in ontvangst te mogen nemen. Daar ben ik nu echt te oud voor.'

Vier jaar geleden nam Kummer voor het eerst afscheid van de nationale ploeg. “We speelden een interland tegen Duitsland, ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van Delft. John van Altena was toen bondscoach. Een sympathieke man, maar niet iemand die het Nederlandse rugby naar een hoger niveau kan tillen. Ik zat na afloop in de kleedkamer en dacht: wat doe ik hier? Dit wordt niks. Nu niet, nooit niet. Na afloop heb ik iedereen een hand gegeven en ben vertrokken.'

Amper anderhalf jaar later maakte Kummer zijn rentree. Met dank aan de nieuwe bondscoach, de Nieuw-Zeelander Geoff Old die zojuist was aangesteld door de Nederlandse Rugby Bond (NRB) op voordracht van de International Rugby Board (IRB). “Op een goede dag belde Geoff me op. Hij zei: 'Ik wil naar het WK in Wales. Ik heb je nodig, ik wil je spreken.' Omdat ik uit Noordwijk kom en hij daar inmiddels woonde, zei ik: 'Da's goed, ik zit aan het eind van de dag in die en die strandtent. Ik zie je wel.' En ja hoor, daar kwam-ie. Samen met z'n zoon terwijl de zon langzaam onderging. Hij ging zitten, bestelde een enorme pul bier en begon een fantastisch verhaal over rugby. Over hoe hij tegen de sport aankeek, wat hij dacht dat nodig was om Nederland op de rugbykaart te zetten. Een energie! Ongelooflijk.'

Kummer bezweek voor het enthousiasme van Old, een voormalig politieagent die zeventien keer uitkwam voor de nationale ploeg van Nieuw Zeeland, de fameuze All Blacks. “Die man weet waarover hij praat.

Hij heeft rugbyboeken gelezen en geschreven. Zo'n man verkoopt geen lulkoek. En wat belangrijker is: hij staat boven de partijen, dus boven de clubs en hun belangen. Old werkt niet vanuit Nederlands perspectief. hij komt uit een land waar rugby op een voetstuk staat. Hij kwam bij wijze van spreken over het water aangelopen en reikte ons de hand. Met in zijn achterzak een enorme dosis kennis en ervaring waar wij sindsdien met open mond naar luisteren.'

Old brak met de heersende cultuur, waarin hobbyisten de toon zetten en een glas bier op z'n minst net zo belangrijk was als een try of scrum. Kummer: “Het Nederlandse rugby was gewend om twee, drie keer in de week te trainen. Old eist total commitment. Hij kreeg het voor elkaar dat de competitie werd stilgelegd zodra de nationale ploeg met de voorbereiding begon en hij voerde de trainingsintensiteit op. Onder het mom van: een wedstrijd in september begint in juni in het krachthonk. Bij DIOK waren wij ons daar al langer van bewust. Niet voor niets zijn wij al tien jaar achtereen kampioen van Nederland.'

Met Kummer in de gelederen won Nederland achtereenvolgens van Polen, Oekraine en Belgie, waarna Roemenie veel te sterk bleek (41-3). Hoewel plaatsing voor de volgende ronde al een feit was, betekende het duel in Boekarest een keerpunt. “Een aantal mensen kwam daar zwaar tekort. We tackelden niet eens. 't Was net tikkertje spelen. Na afloop reageerden de meesten tamelijk laconiek, zo van: wat maakt het uit, we hebben de volgende ronde toch bereikt? Terwijl ze juist met de ellende in hun flikker van het veld hadden moeten stappen.'

Verbazen deed Kummer zich niet over die houding. “In de voorbereiding was al snel duidelijk dat van de 25 spelers maar een stuk of vijf, zes het verplichte trainingsprogramma hadden afgewerkt.

De rest had verzaakt. Bij de training liep ik voorop, terwijl dat niet de taak is van iemand die de dertig is gepasseerd. Ik wil niet meer vooroplopen. Dat wil zeggen: ik zou niet meer voorop mogen lopen. Anderen moeten het voortouw nemen. Maar de jonge garde heeft niet het niveau en niet de wil om hogerop te komen.'

Hij schrikt van zijn eigen woorden. “Het is niet allemaal bagger natuurlijk. Afgelopen maand heeft Old de selectie op vijftien plaatsen gewijzigd. Er lopen nu een paar jongens rond van wie ik tot voor kort nog nooit had gehoord, maar die mij sindsdien op aangename manier hebben verrast.' Ook Kummer ontving in een vroeg stadium al een uitnodiging, maar de marketingmanager van zuivelfabrikant Yakult vroeg bedenktijd aan nadat zijn moeder in april overleed. “Haar dood kwam bovenop mijn drukke baan en mijn werk bij de atletencommissie van NOC*NSF. Mentaal kon ik het niet langer opbrengen om vijf dagen per week op het veld te staan.'

Inspiratie putte Kummer vooral uit bescheiden successen met de nationale ploeg, zoals begin jaren negentig onder leiding van de toenmalige bondscoach Theo Snijders. Of uit het jaarlijkse Europa-Cuptoernooi dat hij, samen met een aantal DIOK-getrouwen, in 1989 voor het eerst organiseerde. “We hadden onze dromen en weigerden ons neer te leggen bij de middelmaat. En dus schreven we een brief, aan de Engelse en de Franse kampioen, Bath en Toulon. Tot onze verbazing stemden ze toe. Zo ontstond de eerste Europese bekerfinale. Van die wedstrijden hebben we ontzettend veel geleerd.'

Zijn internationale contacten leverden Kummer, zoon van een Frans-Nederlandse vader en een Italiaans-Nederlandse moeder, vier jaar geleden een zeer eervolle uitnodiging voor The Barbarians, een invitatieteam voor de beste spelers van de wereld.

Met een ander internationaal gezelschap, The French Barbarians, trok hij een maand door Namibie en Zuid-Afrika. “In het begin schijt je in je broek. Daar sta je dan tussen al die grootheden. Uiteindelijk bleek het enorm mee te vallen. Sterker nog, als ik daar iets heb geleerd dan is het wel dat je op dat niveau uitblinkers hebt, maar daarnaast ook spelers die het uitsluitend van hard werken moeten hebben. Kortom: wie bereid is offers te brengen, kan heel ver komen.'

Maar kom daar eens om in Nederland. “Nederlanders zijn verwend. Die zien op hun zestiende een leuke meid rondlopen en zijn vervolgens niet meer bereid alles voor het rugby opzij te zetten. Clubs kijken niet verder dan de eigen kas. Als het eerste niet speelt, komt er geen geld in het laatje en dus zijn ze tegen een onderbreking van de competitie. Zo simpel wordt er geredeneerd. Ze vergeten dat als de nationale ploeg presteert de aandacht van zowel sponsors, media als publiek zal toenemen.' Na een korte pauze: “Misschien ben ik wel in het verkeerde land geboren.'

Kummer ontkomt niet aan de conclusie dat onder Old de situatie is verbeterd. “Maar vergeet niet dat andere landen de laatste jaren ook niet stil hebben gezeten. Integendeel zelfs. Neem Italie. Daar verloren we zeven jaar geleden nog heel nipt van. Inmiddels is dat een topland, dat over twee jaar debuteert in het beroemde Vijflandentoernooi.'

Italie dankt de opmars grotendeels aan een batterij geldschieters, Benetton voorop. In Nederland moet de NRB de touwtjes aan elkaar knopen. De conclusie: “Nederland voert een achterhoedegevecht. De kloof tussen de echte top, Nieuw Zeeland, Australie, Zuid-Afrika, Engeland en Frankrijk en de subtop is enorm.'

Wil Nederland een rol van betekenis spelen, dan moeten keuzes worden gemaakt. “Of je zegt: we blijven wat we nu zijn. Goedwillende amateurs die blij zijn met een wedstrijdje tegen de grote jongens, zoals de voetballers van Liechtenstein dat zijn als ze tegen Nederland spelen terwijl ze overdag brieven rondbrengen. Of je gaat serieus te werk, en dat wil zeggen: volledig professionaliseren.'

Vraag is hoe realistisch die laatste optie is. Kummer, resoluut: “Dat is haalbaar. Alleen: alle clubs en alle spelers zullen in dat geval de eigen belangen overboord moeten zetten. Uit de competitie stappen bijvoorbeeld.'

Wie Kummer hoort praten, waant zich de gesprekspartner van een rugbybestuurder-in-wording. Na een daverende lach: “Zou wel mooi zijn, he? Maar ach, wie weet. Marketing is mijn vakgebied. Een van de eerste dingen die ik zou aanpakken, is het imago van de sport. In Nederland wordt rugby te veel geassocieerd met hakken en bikkelen, en daarna lekker zuipen met z'n allen. Dat beeld strookt niet met de werkelijkheid. Zelf drink ik al jaren geen bier, en denk maar niet dat die jongens in Engeland en Nieuw Zeeland ladderzat aan de bar hangen. Rugby vereist enorm veel discipline, in en buiten het veld. Het heeft bovendien een aantal interessante kenmerken: Moed, samenwerking, elegantie en inzicht, om maar eens wat te noemen. Daarop moet de sport verkocht worden.'

Met gemengde gevoelens nam Kummer de afgelopen weken kennis van de prestaties van de judoka's van Kenamju die zowel met de mannen- als met de vrouwenploeg de Europa Cup wonnen. “Waarom kunnen zij wel wat wij niet kunnen? Het antwoord is heel simpel: daar zitten mensen met visie, karakter en beleid. Ik hoor mensen weleens zeggen: Nederland heeft geen rugbycultuur. Onzin! Een cultuur begint ergens, en dat heb je grotendeels zelf in de hand. Kijk maar naar de volleyballers.'