Duivelswater; Arsenicum in de dorpspompen van Bengalen en Bangladesh

Langzaam vergiftigt het drinkwater in West-Bengalen en Bangladesh miljoenen plattelandbewoners. De dorpspompen die in de jaren zestig de boeren hun 'Groene Revolutie' gaf, veroorzaken nu de grootste arsenicumvergiftiging uit de geschiedenis. 'Als ze het grondwater niet mogen drinken - wat dan wel?'

Als een standbeeld staat de roestige waterpomp tussen de hutjes van riet en klei, een kleine Bengaalse nederzetting verscholen in een oogverblindend woud van bananenplanten en kokospalmen. Onder het toeziend oog van hun ouders springen twee kleintjes rond in het water dat klaterend op de keien valt. “Kijk, mijn handen', zegt Mohammed Sirajul Islam. Hij opent zijn vuisten en laat zijn handpalmen zien. Ze zijn bedekt met donkere wratten en een ruwe laag eelt. Zijn vrouw heeft hetzelfde onder haar voeten. De nagels van haar handen zijn zwart en kapot. Ze lijken elk moment los te kunnen laten. “Het begon hier een jaar of tien geleden' zegt de jonge landarbeider in Kulsur, een dorpje tussen de rijst en juteakkers, vijftig kilometer ten oosten van Calcutta.

De eerste keer dat de duivel het platteland van West-Bengalen bezocht was in de jaren tachtig. Tientallen boeren in de laagvlaktes van de Gangesdelta kregen last van kleine huidaandoeningen en infecties. Sommigen klaagden over kortademigheid of piepende longen, weer anderen over wratachtige gezwellen onder hun voetzolen. Jonge kinderen kregen kleine, witte vlekjes op de borst. Het ging pijn doen. En de cirkel werd steeds wijder. Ook in andere dorpen en gehuchten, tientallen kilometers uit elkaar, kregen mensen kwalen en gezwellen, uitwendig en inwendig. Vlakbij in Bangladesh aan een andere zijarm van de rivier, kregen mensen dezelfde symptomen. Waar het vandaan kwam wisten de boeren in de streek niet. “Op een avond ging ik naar buiten om te plassen', zei een van hen. “Toen plaste de duivel op mijn hoofd.'

Vijftien jaar nadat een Indiase arts de eerste melding maakte van de onbekende ziektes in West-Bengalen - de symptomen leken te duiden op lepra en tbc, maar dat was het niet - is duidelijk wat er precies aan de hand is in de delta.

Uit honderdduizenden waterputten halen Bengaalse boeren aan beide zijden van de grens al jaren drinkwater met arsenicum naar boven, een giftige kankerverwekkende stof die van nature in de bodem zit. Het kleurloze geurloze en smaakloze spul heeft zich jarenlang opgehoopt in de lichamen van de mensen en is verantwoordelijk voor alle aandoeningen waar volgens onderzoekers inmiddels ten minste driehonderdduizend mensen in de regio aan lijden. Honderden moeten zijn overleden aan kwaadaardige tumoren aan de huid en in vitale organen. Maar omdat er geen lijkschouwers zijn en ook geen officiele overlijdenspapieren waarop dorpsartsen de doodsoorzaak invullen, weet niemand precies hoeveel slachtoffers de grootste arsenicumvergiftiging uit de geschiedenis al heeft geeist.

Een grootschalig programma om het onheil op het platteland te keren is tot nu toe niet van de grond gekomen, mede doordat de Indiase regering de zaak bagatelliseerde en niet te veel internationale publiciteit wilde trekken - en volgens vertegenwoordigers van de Verenigde Naties geen geld wilde steken in een grondig onderzoek naar de grondwatervervuiling in het verre oosten van het land. “De houding van de regering was misdadig', aldus een medewerker van de WHO in New Delhi. Wat volgens de onderzoekers meespeelde is het ontbreken van een kant-en-klare oplossing op zo'n grote schaal. “In New Delhi en Dhaka waren de politici bang dat er grote paniek zou uitbreken in de dorpen als de mensen wordt verteld waarom zij die verschijnselen hebben', zegt een Bengaalse ontwikkelingswerker. “Als ze het grondwater niet mogen drinken - wat dan wel? Een alternatief is er niet. Als de bevolking weer massaal het verontreinigde oppervlaktewater gaat drinken breken diarree en cholera uit.

Als zoiets in Europa gebeurt, houdt al het werk op en wordt het probleem net zolang aangepakt totdat er niets meer van te merken is', zegt hij. “Hier wenden politici liever het hoofd af.'

Groene Revolutie

Vanaf de jaren zestig werden met hulp van het Westen en ontwikkelingsinstituten als de Wereldbank en Unicef in India en Bangladesh miljoenen waterputten geboord. Ze moesten een einde maken aan de vele cholera-epidemieen in de regio, veroorzaakt doordat de plattelandsbewoners vervuild water dronken uit de rivieren en stilstaande watertjes. Bovendien konden de boeren het grondwater gebruiken om de akkers te irrigeren zodat ze het hele jaar door gewassen konden verbouwen. Daarmee zou in een klap een einde worden gemaakt aan de hongersnoden op het dichtbevolkte, straatarme subcontinent.

Op duizenden plaatsen werden stalen pijpen in de grond geboord, op zoek naar ondergrondse waterbronnen die soms op meer dan driehonderd meter diepte werden aangetroffen. De pijpen werden boven de grond gemonteerd aan een eenvoudige, handmatige pomp. De Westerse ingreep werd bekend als 'de Groene Revolutie'.

Aanvankelijk heerste ongeloof en wantrouwen onder de boeren toen in 1962 de eerste put werd geslagen in het West-Bengaalse district Nadia. “Weg! Weg! Het duivelswater komt!', riepen ze toen de blanke sahibs de grote waterpompen kwamen installeren. Maar de glimlachende hulpverleners overtuigden de dorpelingen ervan dat het water echt was. En noodzakelijk voor hun overleving.

En inderdaad de boeren haalden met hun nieuwe waterpompen miljarden liters grondwater uit de bodem. In de jaren die volgden verdwenen de hongersnoden en de cholera-epidemieen die in het verleden tienduizenden slachtoffers hadden geeist; een generatie later exporteren Bangladesh en India zelfs de rijst die in alle overvloed wordt geoogst.

Maar geen van de Westerse ontwikkelingsingenieurs had voorzien dat het waterrijke gebied zou uitgroeien tot een delta van de dood.

Het arsenicum werd in de loop van duizenden jaren met sediment uit de Himalaya's meegevoerd door de Ganges en de Brahmaputra. Doordat de boeren miljarden liters water aan de grond onttrokken zakte het grondwaterpeil en oxideerde het arsenicum. Daardoor ontstond een verbinding die oplosbaar is in water. Moesson na moesson sijpelde deze giftige verbinding door tot in het diepste grondwater.

Toen dit enkele jaren geleden uit verschillende onderzoeken naar voren kwam, haalde 95 procent van de Bengalen zijn drinkwater al uit ondergrondse waterbronnen. In West-Bengalen drinken - voor zover bekend - zo'n vijf miljoen mensen dit water elke dag, in Bangladesh lopen de schattingen uiteen van dertig miljoen tot vijftig miljoen. Op sommige plekken in het getroffen gebied, zo groot als Nederland en Belgie samen, is de arsenicumconcentratie in het drinkwater vierhonderd keer de hoeveelheid die de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) aanvaardbaar acht, tien microgram arsenicum per liter water. Volgens een recent onderzoek van de Amerikaanse epidemioloog Allan Smith, uitgevoerd in opdracht van de WHO, zal de komende jaren in Bangladesh een op de tien doden het slachtoffer blijken te zijn van de arsenicumvergiftiging.

“Het is beangstigend om langzaam te ontdekken om hoeveel mensen het gaat', zegt milieu-onderzoeker dr. Dipankar Chakraborti, directeur van de School voor Milieustudies aan de Jadavpur Universiteit in Calcutta de hoofdstad van West-Bengalen. Chakraborti, die vijf jaar geleden de eerste veldstudies deed, gaf zijn goedbetaalde baan in Belgie op toen hij van de epidemie in zijn vaderland hoorde.

Inmiddels is hij dagelijks zestien uur per dag bezig met arsenicum en onderzoekt hij nederzetting na nederzetting, waterpomp na waterpomp. Een van de grote raadsels is nog waarom niet iedereen die het besmette water drinkt ook daadwerkelijk de ziekteverschijnselen krijgt. Vaak lopen de symptomen dwars door de families in een dorp heen: vader wel, moeder niet, dochter wel, zoon niet.

Bolletjes koolstof

Met twee handen brengt Maskura Bibi een grote, blauwe waterpomp achter haar hutje in beweging. Een brede straal grondwater klettert uit de piepende pomp in een stalen emmer. Uit een plastic zak haalt ze een handvol bolletjes koolstof die ze in de emmer gooit. Met een grote lepel roert ze zolang totdat het water pikzwart is. “Over tweeeneenhalf uur is het gif uitgeschakeld. Dan moet ik het nog een keer zuiveren met zand en kunnen we het water drinken' zegt ze. In het stille boerendorp Chandal Hati, op een steenworp afstand van Kulsur, hebben maar drie families, waaronder die van Maskura de beschikking over de filterende stof. “Gekregen van meneer Chakraborti uit Calcutta', zegt ze. Maar ook hij heeft niet genoeg om het hele dorp bijna zestig families, van het spul te voorzien.

Nagenoeg elke familie in Chandal Hati draagt de sporen van de arsenicumvergiftiging. Sommigen zijn een broer, een moeder of een kind kwijtgeraakt na een pijnlijk ziekteproces. Rakiya Bibi, een jonge vrouw wier handen en voeten onder de uitslag zitten, verloor in februari van dit jaar haar man, 38 jaar oud. “Hij leed aan tbc', zegt ze zacht. “Volgens de arts is zijn ziekte ontstaan door het drinken van het water. We drinken het allemaal - en we gaan er allemaal aan dood.' Ondanks de pijn aan haar toegetakelde handpalmen werkt Rakiya zeven dagen per week als loonarbeider op het land.

“Andere inkomsten heb ik niet meer.'

In duizenden dorpen in West-Bengalen en Bangladesh herhaalt zich hetzelfde patroon, al jarenlang. De duivel gaat de dorpen langs, een voor een. Jonge, sterke mannen en vrouwen kwijnen langzaam weg, bezaaid met weerzinwekkende huidaandoeningen. De handen van Howladar Samad zitten nog onder de wratten, hoewel hij inmiddels toegang heeft tot schoon drinkwater. Hij werd wegens zijn ziekteverschijnselen door zijn ouders uit huis gezet; hij zou de geesten in het hutje kwaad hebben gemaakt. “Iedereen dacht dat mijn ziekte besmettelijk was, als lepra', zegt hij. Jarenlang raakte hij zijn vrouw en kinderen niet aan en at hij van zijn eigen bord.

Hij is niet de enige die behalve lichamelijk ook psychisch werd getroffen door het besmette water. “Vrouwen worden het huis uitgestuurd of geslagen door hun mannen wegens hun uiterlijke gebreken, meisjes kunnen vaak niet trouwen als ze deze huidziekten hebben', zegt Chakraborti in zijn werkkamer in Calcutta. Om hem heen, tussen de groene planten, staan grote kleurenfoto's - gedetailleerde uitvergrotingen van gezwellen en uitwendige verminkingen van Bengaalse arsenicumslachtoffers. “De plattelandsbevolking van West-Bengalen en Bangladesh is voor het grootste gedeelte ongeletterd en heeft geen idee wat hen overkomt. In de meest afgelegen dorpen denken ze werkelijk dat ze te maken hebben met de duivel al weten ze niet wat ze hebben misdaan. We zijn nog steeds in een fase waarin we de mensen ervan moeten overtuigen dat zij niet worden bezocht door slechte geesten, maar dat het grondwater is besmet.'

Hoewel er geen medicijnen bekend zijn om de verschijnselen terug te dringen dragen de wetenschappers wel oplossingen aan om de vergiftiging te voorkomen.

Ten eerste kan het drinkwater worden gezuiverd. “Dat kost drie dubbeltjes per persoon per jaar, in Azie waarschijnlijk nog minder' meent Nikolaos Nikolaidis, chemisch milieudeskundige van de Universiteit van Connecticut, die het filter bouwde voor een arsenicumvergiftiging in de Amerikaanse staat Maine.Maar omdat het zuiveringsproject tientallen miljoenen mensen zou moeten bereiken is voor het gros, op de korte termijn, nog geen zicht op verbetering van de kwaliteit van het drinkwater.

Eerste hulp is voorlopig het enige wat mensenlevens kan redden, zegt Chakraborti. “We weten dat de symptomen worden verergerd door te weinig voedsel en een gebrek aan vitaminen. Gezonde voeding verhoogt de weerstand en daardoor kan een deel van de verschijnselen worden voorkomen of zelfs teruggedrongen.' Maar die luxe is voor weinig Bengalen weggelegd. “Het enige dat we tot nu toe kunnen is de mensen bewust maken van het probleem en voorkomen dat ze het arsenicumwater drinken door de besmette pompen in de dorpen rood te verven, of van een filter te voorzien.'

Kwakzalvers

In een aantal ziekenhuizen in Calcutta wordt een breed scala aan behandelingen gegeven voor de slachtoffers, maar een goed medicijn bestaat niet en de meeste dorpelingen kunnen geen drie gulden missen voor de reis naar de grote stad. Desondanks ziet dr. Binay De van het Instituut voor Medisch Onderwijs en Onderzoek in Calcutta dagelijks arsenicumslachtoffers uit de provincie. De meesten zegt hij, komen na een eerste bezoek niet meer terug in Calcutta. Volgens hem is het kenmerkend voor de bevolking van het Bengaalse platteland dat patienten met zeer ernstige aandoeningen jarenlang wachten voordat zij medische hulp zoeken.

Ook uit Bangladesh komen steeds meer patienten naar India. “Soms komen ze zelfs met bussen, tientallen tegelijk', zegt Abdul Hanan, een voormalige patient die de Bengaalse dorpen afreist om het drinkwater te onderzoeken en de bevolking te waarschuwen. De meeste slachtoffers blijven echter ver verwijderd van elke medische hulp of vallen ten prooi aan de vele kwakzalvers die overal in de Bengaalse dorpen opduiken.

De internationale gemeenschap, medeverantwoordelijk voor de milieuramp, is de laatste jaren langzaam wakker geschud. Eind vorig jaar schonk de Wereldbank vijftig miljoen dollar aan Bangladesh om op zoek te gaan naar een oplossing met alternatief, schoon drinkwater voor vierduizend dorpen. Een druppel op de gloeiende plaat - er zijn enkele tienduizenden dorpen besmet - maar in elk geval een begin. In West-Bengalen worden met buitenlandse hulp drie waterzuiveringsinstallaties en een pijpleiding uit de Ganges aangelegd.

Het zal nog enkele jaren duren voordat de gevolgen van de vergiftiging zich in volle omvang zullen laten zien. “Veel waterputten zijn vijf tot vijftien jaar geleden geboord', zegt epidemioloog Allan Smith. “Omdat sommige ziektes zich over een reeks van jaren ontwikkelen kunnen we een grote stijging van het aantal gevallen verwachten.'

Voor de bewoners van de Ganges-delta lijkt een oplossing voorlopig reeel en zelfs eenvoudig, zegt milieudeskundige Chakraborti. “In deze streken valt zeven maanden per jaar regen', zegt hij, terwijl buiten een wolkbreuk de straten van Calcutta tot aan de enkels blank zet; de laatste stuiptrekkingen van de zeer overvloedige moesson van 1998. “West-Bengalen en Bangladesh hebben de afgelopen drie maanden voor een groot deel onder water gestaan.

En nog steeds pompen de mensen water op dat honderden meters onder de grond zit. De mensen weten niet eens dat ze dat regenwater kunnen opvangen, bewaren en opdrinken of gebruiken voor de irrigatie van hun akkers. Het valt gewoon uit de lucht.' Maar ook het water in de rivieren en meertjes moet eerst worden gezuiverd of gekookt om te voorkomen dat vuilwaterziektes als diarree en cholera opnieuw de kop op steken, erkent hij.

De Groene Revolutie is ontaard in een onverantwoordelijke aanslag op de bodem. “In deze regio verbouwen boeren soms vier gewassen per jaar. Ook als de aarde schroeit van de hitte is West-Bengalen nog prachtig groen en zie je overal boeren tot hun enkels in het water staan - miljarden liters water die uit de grond zijn gehaald. Dat is helemaal niet nodig. Er moet een beter watermanagement komen en een campagne die de mensen vertelt wat er aan de hand is. Ik verwijt de regering dat ze jarenlang niets hebben gedaan terwijl de mensen hier langzaam stierven. En ik verwijt de hulporganisaties dat ze bij het boren naar het grondwater niet de moeite hebben genomen het water te onderzoeken op schadelijke stoffen.'

    • Rob Schoof