Deflatie-angst lijkt overdreven; 'Terugkeer naar de prijsstabiliteit die eeuwenlang regel was'

Na ultralage inflatiecijfers in Duitsland en Frankrijk laait de angst voor deflatie op. De terugkeer naar de prijsstabiliteit, die eeuwenlang regel was, is een betere hypothese.

Alarm op het inflatiefront. Rijzen de prijzen de pan uit? Integendeel. De prijzen dreigen duurzaam te gaan dalen, en dat wordt in de regel als een proces gezien dat minstens even schadelijk is.

De harde kern van de Economische en Monetaire Unie rapporteerde deze week het inflatiecijfer, gemeten als de toename van de consumentenprijzen, over de maand oktober. In Duitsland blijken de prijzen op jaarbasis met nog maar 0,7 procent te zijn toegenomen, in Frankrijk met nog geen 0,5 procent.

Reden voor analisten, zoals die van de zakenbank Morgan Stanley, om aan te nemen dat de gemeenschappelijke prijsindex van de elf EMU-landen voor het eerst sinds in 1996 met meten is begonnen, onder de 1 procent terecht is gekomen.

Nu is een prijsstijging van 1 procent nog steeds inflatie, maar over de meetmethoden bestaat onduidelijkheid. President Wellink van de Nederlandsche Bank weidde vorige maand in een toespraak uit over het meten van inflatie, en sloot zich aan bij de economen die van mening zijn dat prijsstijgingen strcutureel te hoog worden ingeschat. De kwaliteit van goederen gaat immers in de regel vooruit, zodat de consument bij gelijk blijvende prijzen toch meer waar voor zijn geld krijgt.

Ook het gedrag van consumenten verstoort de meting. Pindakaas kan bijvoorbeeld in prijs stijgen, maar als de consument door die prijsstijging zijn keuze verlegt van het topmerk Calve naar een goedkoper huismerk, merkt hij die prijsstijging niet. De Amerikaanse Boskin-commissie, die voor de VS het verschijnsel onderzocht, kwam in 1996 op een structurele overschatting van de inflatie met 1 procent. De Bundesbank komt in een studie voor de Duitse inflatie uit op 0,75 procent overschatting.

Bij de gerapporteerde officiele Duitse inflatie over oktober van 0,7 procent is er zo geredeneerd al sprake van een lichte deflatie. Japan kent al geruime tijd deflatie.

Waar komt de dalende inflatie vandaan? Jaap Koelewijn, hoofd Strategie van Iris, het gezamenlijke onderzoeksbureau van Robeco en de Rabobank, somt de belangrijkste oorzaken op. De Azie-crisis heeft tot gevolg dat de prijzen van exportgoederen op de wereldmarkt zijn gedaald, en door de wegvallende vraag naar grondstoffen zijn ook de prijzen van metalen voedingsmiddelen en vooral olie sterk naar beneden gegaan. De loontontwikkeling is gematigd in Europa omdat de werkloosheid nog steeds zeer hoog is.

In de Verenigde Staten en ook steeds meer in Nederland, is de arbeidsmarkt wel krap. Maar daar beperkt de vrijwel constante herstructurering van het bedrijfsleven - Philips, KPN en Shell kondigden de laatste weken nieuwe saneringsplannen aan - de macht van de werknemers structureel. Waar de loonkosten toch snel stijgen, zijn bedrijven niet in staat om die via hun afzetprijzen door te berekenen aan hun klanten. Daarvoor is de concurrentie te groot.

Al deze invloeden hielden de inflatie al laag toen de economie eerst in de VS en toen in Europa aantrok. Nu de economische activiteit volgend jaar in een dip terecht dreigt te komen, tekent zich een klimaat af voor nog lagere inflatie. Maar deflatie vindt Koelewijn een te groot woord. “Een klassieke deflatie zoals die in de crisisjaren dertig voorkwam, gaat gepaard met een krimp van de geldhoeveelheid. Bedrijven gaan op de fles hun kredieten worden vernietigd, banken vallen om.' Japan komt op dit moment bij die omschrijving in de buurt, maar de ontwikkeling doet zich in de VS en Europa zeker niet voor.

Deflatie heeft risico's: omdat het zeer onwaarschijnlijk is dat de vakbonden bij deflatie akkoord gaan met een loondaling (zoals bij inflatie van prijscompensatie wordt uitgegaan), stijgen de reele loonkosten, vermindert de concurrentiekracht en kan de werkloosheid oplopen. Consumenten en investeerders stellen hun bestedingen uit in de verwachting dat morgen de prijzen lager zijn.

Die situatie is volgens Koelewijn onwaarschijnlijk. Een milde deflatie is van tijd tot niet ongebruikelijk. In Duitsland en Nederland was er halverwege de jaren tachtig kortstondig sprake van. Maar milde prijsdalingen tasten het gedrag van consumenten nog niet aan: in Japan speelt het uiterst lage consumtenvertrouwen de hoofdrol bij het uitblijven van hun bestedingen. Loonkosten kennen zeker in de VS en Nederland al zoveel variabele componenten, dat lonen in de praktijk meer neerwaartse vrijheid hebben dan vaak wordt aangenomen.

Koelewijn is niet bang voor het optreden van een ingrijpende deflatie. Hij heeft het liever over de terugkeer van de prijsstabiliteit na het inflatoire intermezzo van de jaren zeventig. Onderzoek van onder meer de Britse deflatieprofeet Roger Bootle, tot deze zomer werkzaam bij de Britse bank HSBC, geeft aan dat prijsstabiliteit eeuwenlang regel was. Wat er aan inflatie plaatsvond, werd daarna meteen door deflatie weer rechtgetrokken. Pas in de tweede helft van deze eeuw stegen de prijzen structureel. “We gaan nu weer terug naar normaal, zij het dat de centrale banken er wel voor moeten zorgen ook een rentebeleid te ontwikkelen voor tijden van prijsdalingen.'