De supermens zal geen Nederlander zijn; De grenzen van wat mag en kan met menselijke embryo's

Genetisch manipuleren, klonen, en het laatste nieuws uit Amerika: organen kweken in het labora- torium. Doodeng of vooruitgang? Op een dag zal het klonen van mensen ook geen probleem meer zijn. 'Weerzinwekkend', vindt een bioloog. 'Ik heb er geen bezwaar tegen', zegt een collega. Fundamen- tele wetenschappers over ethische grenzen en maatschappelijke weerstand.

In Nederland wordt te veel geouwehoerd over wetenschappelijke experimenten. Commissies van toezicht, ethici, ambtenaren, politici - iedereen bemoeit zich ermee en doet moeilijk, vindt ontwikkelingsbioloog Paul van der Saag. “En de Amerikanen gaan er met de Nobelprijzen vandoor.'

Hij wijst naar de bouwput achter zijn werkkamer. “We breiden uit. Maar ik heb steeds gezegd dat we die nieuwbouw in Belgie hadden moeten neerzetten.'

De ontwikkelingsbiologen van het Hubrecht Laboratorium in Utrecht waren nijdig,vorige week vrijdag. Door het grote nieuws uit Amerika. Onderzoekers van de universiteit van Wisconsin maakten bekend dat ze menselijke embryonale stamcellen hebben gekweekt. Embryocellen die nog kunnen uitgroeien tot ieder type cel. Een huidcel bijvoorbeeld, of een niercel, een hartcel, een botcel of bloedvat-cel. Ieder orgaan of weefsel waar maar behoefte aan is voor transplantatie zou ermee gemaakt kunnen worden.

De biologen kwamen nu heel dicht bij 'the central mystery of life', vond de International Herald Tribune .

Siegfried de Laat, directeur van het laboratorium in Utrecht: “Ik dacht wel even shit toen ik het las.' Zijn wetenschappers hadden precies hetzelfde kunnen ontdekken. En veel eerder. De Nederlanders waren er, zeggen ze, klaar voor. Al meer dan tien jaar. Ze experimenteren met stamcellen van muizen, ze deden onderzoek naar embryocellen van koeien. “En de mens', zegt zijn collega-ontwikkelingsbioloog Christine Mummery “lijkt erg op de koe.' Maar in Nederland wordt niet geexperimenteerd met menselijke embryo's. In de wet is nog niet geregeld wat precies mag bij zulke proeven en wat niet, en met welk doel die wel of niet mogen worden uitgevoerd.

Wetenschappers durfden het niet aan om zonder zulke regels te beginnen aan proeven die in Nederland grote weerstand konden oproepen.

En daarom, vertelt Mummery, deed het instituut zelfs niet een beetje mee aan het onderzoek dat nu op de wereld zoveel indruk maakt. De Amerikanen hadden vorig jaar nog gevraagd of het Nederlandse instituut een deel van het experiment wilde uitvoeren. De stamcellen moesten worden 'gekarakteriseerd' - dat is: vaststellen of de cellen wel echt stamcellen waren - en daar zijn de Nederlanders goed in.

“Het is altijd gezeik en gezeur hier', zegt Paul van der Saag (58), een man met grijs haar bruine trui, bruine broek, een grote bril. “Ook over dieren. We mogen genetisch gemanipuleerde muizen wel importeren, maar niet zonder toestemming vooraf zelf maken. We krijgen precies de maten voorgeschreven van het aquarium waar onze zebravissen in moeten, en een muis mag niet alleen in een hok, want dat is zielig.'

Christine Mummery (45): “Het zou makkelijker zijn als we een afdeling met muizen in Belgie hadden.'

Zebravissen

De biologen van het Hubrecht Laboratorium doen fundamenteel wetenschappelijk onderzoek. Ze experimenteren met proefdieren - kikkers, muizen en zebravissen - om erachter te komen hoe en onder welke omstandigheden embryo's zich ontwikkelen. Uitkomsten van die proeven kunnen de basis zijn voor nieuwe medicijnen en therapieen tegen onder meer kanker, Alzheimer of longziekten. Ze gebruiken genetische manipulatie, kloontechnieken, en ze leggen stamcellen in muizenembryo's bloot om daarmee in reageerbuisjes bijvoorbeeld de soort zenuwcellen te ontwikkelen die Parkinson-patienten missen. Uiteindelijk willen ze die zenuwcellen kunnen maken uit stamcellen van menselijke embryo's.

Stier Herman

Het Hubrecht Laboratorium, onderdeel van de Koninklijke Nederlandse Akademie voor Wetenschappen, is het enige onderzoeksinstituut in Nederland dat al heel lang plannen heeft voor experimenten met die embryo's. Het wil embryo's gebruiken die in IVF-klinieken worden afgedankt: na bijna iedere poging tot reageerbuisbevruchting blijven embryo's over, en soms zijn ze niet geschikt om in de baarmoeder te worden teruggeplaatst.

CDA-minister Hirsch Ballin van Justitie (1989 tot 1994) vond dat geen enkel embryo de kiem van menselijk leven, als mislukt mocht worden beschouwd. Experimenten zou hij nooit toestaan, daar waren de biologen zeker van. Hirsch Ballin maakte ook een wetsvoorstel waarin was bepaald dat de minister proeven met menselijke embryo's onmiddellijk kon verbieden als hij dat nodig vond. Met dat voorstel gebeurde tot nu toe niks . Bioloog Paul van der Saag, adjunct-directeur onderzoek van het Hubrecht Laboratorium, stemde in 1994 D66 en niet, zoals anders, PvdA: “Wegens de embryonale stamcellen. Het was nog niet zeker dat er een paars kabinet kwam. D66 wilde dat en ik dacht: zonder het CDA krijgen we de politiek misschien zover dat die proeven geaccepteerd worden.'

Volgens directeur Siegfried de Laat (53), een kleine man met achterovergekamd grijs haar en de enige op het laboratorium met een das, had zijn instituut al eerder trucjes kunnen bedenken om toch met menselijke embryonale stamcellen te werken. Omdat het niet strikt verboden was. “We kregen ze van collega's, via via, soms aangeboden.' Maar zo wou De Laat het niet. Met menselijke stamcellen zijn 'waanzinnige' dingen te doen, zegt hij. “Je hebt het instrument in handen om mensen genetisch te manipuleren.'

De experimenten konden enorme ophef veroorzaken in Nederland. Want hoeveel problemen hadden de biologen al niet met hun proeven op dierlijk materiaal?

De directeur vond dat eerst precies moest worden afgesproken wat Nederland 'maatschappelijk aanvaardbaar' noemde en wat niet. Dat hoort, vindt hij, bij de verantwoordelijkheid van wetenschappers. “Mensen zijn geen speelgoedjes voor ze.' Wetenschappers moeten zich ook bemoeien met mogelijke gevolgen van hun ontdekkingen, ze moeten volgens De Laat vragen om 'democratische controle'.Dat er niks werd geregeld, komt volgens De Laat omdat hij in het voorjaar van 1992 een ernstig auto-ongeluk kreeg. “Ik had de maatschappelijke discussie op gang moeten brengen, dan hadden we na twee jaar kunnen beginnen. Maar het laboratorium heeft het jarenlang zonder directeur moeten doen. Mijn collega's hier hebben geen idee van een maatschappelijke discussie, dat is ingewikkeld voor ze. Het was mijn taak.'

De collega's denken dat De Laat zijn eigen rol een beetje overschat, en onderschat hoe in Nederland de weerstand tegen manipulatie en kloontechnieken was toegenomen. Door de transgene stier Herman in 1990 - het bedrijf Pharming bedenker van de stier, verhuisde uiteindelijk naar Belgie om door te kunnen gaan met z'n experimenten. Maar vooral door Dolly, het gekloonde schaap in Schotland.

Ook al een wereldprimeur die het Nederlandse laboratorium net miste. Een Schotse ontwikkelingsbioloog van het team dat Dolly in 1996 liet ontstaan was kort daarvoor op bezoek in Utrecht. Hij stelde voor, vertelt Mummery, om met zijn materiaal het embryo van een koe tot ontwikkeling te brengen. De Nederlandse biologen hadden net zonder succes, geprobeerd om stamcellen van koeien te vinden.

Dat onderzoek was betaald door vleescooperaties, bedrijven voor kunstmatige inseminaties en de Rabobank die graag wilden dat rundvee gekloond zou kunnen worden. Maar de bank en cooperaties zagen er niets meer in er was geen geld en geen koe voor het embryo dat het kalf Dolly had kunnen worden.

Paul van der Saag vindt het nog steeds doodzonde dat Nederland door de zuinigheid van 'die vleesboeren en de Rabobank' de kans miste om het eerste, uit een volwassen cel gekloond dier aan de wereld te tonen.

Overgevoelig

Natuurlijk willen ontwikkelingsbiologen graag de eerste zijn, voortdurend nieuwe dingen ontdekken en daarover artikelen publiceren in belangrijke tijdschriften. Maar wat veel mensen over hen denken, zeggen ze, klopt niet. Ze willen geen superras kweken in reageerbuisjes. Ze hebben wel benul van ethische grenzen in hun vak.

En als ze proberen uit te leggen wat dan volgens hen wel kan met experimenten en wat niet, zeggen ze er onmiddellijk bij dat ze dat niet vinden omdat ze gelovig zijn of zo. Het woord 'ethisch' gebruiken ze vaak zichtbaar met moeite. Ze zijn wat 'overgevoelig geworden' voor kritiek op hun werk van streng-christenen in Nederland. Die gedragen zich, vinden de biologen, te vaak alsof alleen zij verstand hebben van ethiek. Het is die groep, en die van verontruste dierenbeschermers, tegen wie ze het eigenlijk steeds hebben als ze vertellen wat ze zelf vinden van ontwikkelingen en mogelijkheden in de biologie. Omdat die groepen in hun kritiek het meest uitgesproken zijn, veel aandacht trekken. Maar ook op verjaardagen en in de kroeg merken de wetenschappers dat mensen de technieken die ze gebruiken vaak 'eng' vinden.

Christine Mummery in Engeland opgeleid tot natuurkundige, nu al twintig jaar ontwikkelingsbioloog in Utrecht: “Als mensen denken aan dieren in een laboratorium, zien ze die aap voor zich met electroden in z'n hoofd.

Maar wij gaan zorgvuldig om met onze muizen. Mannetjes hoeven niet meer te doen dan eten, slapen, fokken. Vrouwtjes leveren embryo's. En als ze oud zijn, wordt er euthanasie op ze toegepast.'

Haar collega Paul van der Saag vult aan: “Of ze gaan naar het bejaardenhuis.'

Hij vindt, net als de meeste van zijn collega's, dat de aandacht voor het welbevinden van proefdieren zwaar wordt overdreven. Hun experiment-voorstellen moeten de ontwikkelingsbiologen voorleggen aan drie commissies, en dan moeten ze bijvoorbeeld precies voorspellen hoeveel pijn de proefdieren zullen gaan lijden. Ze moeten aan het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij ook melden hoeveel stukjes muizenstaart ze, onder verdoving, afknippen om na te gaan of de genetische manipulatie van het dier is gelukt. Binnenkort controleren ze dat niet meer aan de staart, maar aan stukjes uit het oor. Volgens het ministerie is dat minder 'belastend' voor het beest.

En de menselijke embryo's waarmee de wetenschappers in Utrecht zo graag willen werken? Directeur Siegfried de Laat helpt politici en ambtenaren graag bij het nadenken over die proeven.

“Het is een misvatting', zegt hij, “dat we gaan experimenteren met menselijk leven. Ik vind niet dat ik manipuleer met mensen als ik een embryo neem van dertig cellen dat ik niet terugzet in de baarmoeder.'

Want daar ligt volgens hem de grens bij het kloneren en manipuleren van menselijke stamcellen: een bewerkt embryo mag dan niet meer worden teruggezet in een baarmoeder. “We kunnen proberen weefsels en organen te kweken in reageerbuizen en bakjes, zonder dat we beginnen aan de creatie van een menselijk wezen.'

Dat zou ook niet kunnen wetenschappers zijn nu nog niet in staat om mensen te klonen zonder 'vreselijke risico's'.

Ze moeten het ook niet willen. “En als er een Adolf opstaat, is het aan wetenschappers om uit te leggen dat hij niet uit zichzelf zijn eigen Hitler-jeugd kan maken. Het bewustzijn van een mens is niet te kopieren.'

Dertig embryo-cellen noemt De Laat “een klont, zoals man en vrouw die dagelijks produceren zonder dat we het weten'. Niet ieder van die embryo's leidt tot een zwangerschap. “Dat is geen individu.'

Christine Mummery denkt dat ze met embryo-cellen van een mens 'voorzichtiger' zal zijn dan met die van muizen.

Van der Saag, die naast haar zit in hun werkkamer op het instituut: “En als je nou een zeldzame muizenstam in je handen hebt?'

Mummery praat door: “Vrouwen hebben toch moeite moeten doen om voor de IVF-poging zo'n embryo te maken, ze hebben vaak akelige hormoonbehandelingen moeten ondergaan.'

Van der Saag zwaait met zijn wijsvinger en roept: “Maar dat doen ze niet voor jou. Dat doen ze voor zichzelf. Omdat ze kinderen willen.'

Mummery zegt: “Ik zou ook geen mensen willen klonen. Omdat het mezelf heel akelig lijkt een kloon te zijn. Verder zou ik niet graag hersencellen uit een foetus peuteren - dat gebeurt bijvoorbeeld in China om Parkinson-patienten te behandelen. Een foetus is al te herkennen als een kind.'

Van der Saag: “Typische gevoeligheid van een vrouw. Maar dat vind ik prima hoor. Mij lijkt het vooral vies, en het is niet erg efficient.'

Van der Saag zegt dat hij 'op zichzelf' geen ethisch bezwaar heeft tegen biomedische experimenten met mensen. Als mensen er maar niet door lijden.

Uniek wezen

Jeroen den Hertog (33) doet op het Hubrecht Laboratorium onderzoek naar twee klassen enzymen en kankercellen in muizen en zebravissen.

Hij vertelt over plannen om de zebravis, volgens Den Hertog een 'interessant systeem' voor genetisch onderzoek, te manipuleren door kloontechnieken. Om te onderzoeken wat er bijvoorbeeld gebeurt als de vis een gen mist.

Het onderzoek in de ontwikkelingsbiologie, zegt Den Hertog, leidt onvermijdelijk naar de mogelijkheid dat ook mensen gekloond kunnen worden. Wat nieuw is en belangwekkend bepalen volgens hem vooral de redacties van wetenschappelijke tijdschriften. “En met z'n allen stuwen we het onderzoek een kant op. Een van de speerpunten daarin is kloneren.'

Den Hertog zegt: “Gevoelsmatig staat dat mij tegen.'

Waarom? “Ik zie het nut er niet van.'

Is dat wat de wetenschapper gevoelsmatig noemt? “Misschien is het wel rationeel. Maar ik vind: waarom zou je niet gewoon een nieuw mens maken samen met je echtgenote? Klonen is niet nodig.'

Hij is zelf net getrouwd met een vrouw die hij kent uit het laboratorium, ze werkt nu voor de farmaceutische industrie. Den Hertog denkt even na. “Het zou natuurlijk kunnen dat dat nut er in de toekomst wel is. Je zou de mens kunnen zien als een zak met botten en organen. Misschien is er ooit een wenselijke toepassing te bedenken voor een kloon.'

Dan zegt hij: “Ik heb er geen bezwaar tegen. Maar die identieke zak botten zal nooit dezelfde geest hebben als de mens waarvan hij een kopie is.'

Den Hertog kan zich voorstellen, zegt hij, dat mensen bang zijn voor kloontechnieken. En hij weet dat hij, hoe onbeduidend zijn bijdrage misschien ook is, eraan meewerkt dat mensen-klonen op een dag misschien wel mogelijk is. “Maar wat is voor mij het alternatief? Ik zou het jammer vinden om te stoppen. Ik wil dan nog steeds weten hoe het zit: als ik deze tyrosine fosfotasen in de cellen zet, krijg ik dan meer dopaminerche neuronen?'

De Belgische ontwikkelingsbioloog Jacqueline Deschamps (47) onderzoekt op het Hubrecht Laboratorium in Utrecht de genetische sturing van de ontwikkeling van muizenembryo's. Ze hoopt te ontdekken waar aangeboren afwijkingen aan de ledematen bijvoorbeeld, vandaan komen, of bepaalde vormen van leukemie.

Ieder mens is, zegt ze, een geevolueerd wezen met emoties idealen, een bewustzijn. “Het is absoluut weerzinwekkend, onacceptabel dat je dat zo'n uniek wezen zou namaken.' Volgens Deschamps is het nodig dat er strikte regels komen voor wat kan en wat niet, de ontwikkelingen moeten zorgvuldig worden gevolgd en gecontroleerd. “Maar we moeten de wetenschap niet stopzetten. Iedere uitvinding, niet alleen in de biologie kan verkeerd worden gebruikt.'

“Het is echt niet zo', zegt ook zij maar weer, “dat ik dit vind vanuit een geloofsovertuiging. Ik ga ervan uit dat mensen per defenitie respect hebben voor mensen, voor hun eigen soort.'

Deschamps denkt dat biologen misschien minder behoefte hebben aan religie dan niet-biologen. “Mensen weten dat ze sterfelijk zijn. Dat maakt ze bang, godsdienst helpt tegen die angst. Biologen hebben het privilege dat ze het wonder van het leven kunnen bestuderen, we zoeken naar wat we niet begrijpen.'

En wat ze ontdekken, past ook niet altijd in bijvoorbeeld de streng-christelijke leer. Op het Hubrecht Laboratorium werkte jarenlang Willem Ouweneel. Hij deed onderzoek naar vliegen, maar schreef ook boeken over het creationisme en hij was actief in de Evangelische Omroep. “Hij geloofde niet in de evolutie', vertelt Paul van der Saag, “maar hij zag het onder zijn vingers gebeuren.' Uiteindelijk koos Ouweneel voor zijn overtuiging, hij verliet het laboratorium.

Kleutertaal

De ontwikkelingsbiologen vinden dat ze zelf ook schuld hebben aan het beeld dat veel mensen hebben van hun werk, aan angstvisioenen over supermensen die in laboratoria worden gekweekt. Mensen weten vaak niet wat de biologen precies doen en kunnen doen met hun proefjes en technieken. “We blijven maar in onze ivoren torens zitten', zegt Paul van der Saag. Hij vindt dat de biologen zich in hun onderzoekswerk veel meer moeten laten leiden door afwijkingen en ziekten die ze om zich heen zien. Dan kunnen ze leken ook beter uitleggen waarom ze doen wat ze doen. Want iedereen kent wel iemand die bijvoorbeeld een nier nodig heeft. Het is toch fantastisch voor een ontwikkelingsbioloog om te vertellen waar zijn onderzoek uiteindelijk op zou kunnen uitdraaien? Dat is: de mogelijkheid dat weefsels en organen voor transplantatie in het laboratorium worden gemaakt. Van der Saag vertelt dan meestal ook over India, waar zoveel mensen met maar een nier rondlopen omdat ze de andere hebben verkocht. Aan die afschuwelijke handel zou een eind kunnen komen.

Jeroen den Hertog: “In Amerika zie je dat wetenschappers op hun knieen gaan zitten en in kleutertaal hun experimenten uitleggen, daarna gaan ze discussieren. Dat gebeurt hier te weinig. Wij moeten ook op onze knieen, met blokkendozen op de grond laten zien wat we doen.'

Jacqueline Deschamps legt vaak aan ouders van vriendinnetjes van haar dochter uit wat ze doet in het laboratorium. “Voor school heb ik ook weleens een muizenskelet aan mijn dochter uitgeleend. Ik zeg er tegen de kinderen dan niet bij dat die beesten worden doodgemaakt in het laboratorium.'

Ook Christine Mummery is vooral rond het speelplein van de school van haar kinderen bezig met uitleggeven over haar vak.

“De vader van een vriendinnetje is ethicus bij de vakgroep wijsbegeerte op de universiteit van Utrecht. Hij vond dat hij een mening moest hebben over mijn werk. Maar hij wist eigenlijk niet wat ik deed. Ik heb laatst een avond met hem zitten praten.' Of de man nu een mening heeft, weet ze niet. “Maar misschien durfde hij dat niet tegen mij te zeggen.'