De stille hunkering in Oom Wanja

Voorstelling : Oom Wanja van Anton Tsjechov, door FACT Regie : Ivar van Urk

Van de plot moet Tsjechovs stuk Oom Wanja het niet hebben. Het zijn vooral de pauzes, de onuitgesproken zinnen en gedachten, die voor spanning zorgen. Alleen: hoe ensceneer je pauzes? De jonge regisseur Ivar van Urk probeert het eerst met een groepstableau, een stille compositie van tot elkaar veroordeelde mensen. Schouder aan schouder zitten zij om een tafel; ze vervelen zich, ergeren zich, generen zich en glimlachen.

Het is een aardig tafereel, maar een echt spannende pauze creeert Van Urk pas wanneer hij er meer dynamiek tegenaan gooit. Wanneer hij de groep in tweeen splitst: hier een paar starende heren, daar een vrouw die almaar heen en weer loopt, nerveus en in het volle bewustzijn van de hongerige blikken. In een oogopslag registreren we het probleem van Tsjechovs figuren: ze willen iets wat ze niet durven. Want wat verlangen de mannen naar die vrouw en wat verlangt die vrouw naar de mannen!

Maar helaas, Helena heeft al een man. Een beroemde geleerde die anderen voor zich laat werken. De Professor leidde in de stad een luxeleventje omdat verwanten het landgoed van zijn eerste vrouw voor hem beheerden. Sonja en Oom Wanja bewonderden hem, ze offerden zich voor hem op. Nu hij zelf met vrouw nummer twee op het landgoed is komen wonen dreigt zijn aureool te worden overstraald: door Helena, die jong is en oogverblindend en door huisvriend Astrov, een arts met idealen.

Als Van Urk een nieuw facet van het al duizenden keren gespeelde Oom Wanja laat zien, dan is het wel de ontstellende behoefte aan idolen. Bij Van Urk zijn alle personages op zoek naar iemand die ze kunnen aanbidden. Naar iemand die licht in de duisternis brengt, een god, een godin, een verlosser. Want zichzelf verlossen of ook maar een beetje gelukkig maken, daar is men niet toe in staat. Daar is men te bang voor, te lui, te weinig getalenteerd. Dus hoopt men de innerlijke leegte op te vullen met de liefde, visie en kracht van degenen tegen wie men zo torenhoog opkijkt. Maar die, o ironie kampen eveneens met een gebrek aan liefde, visie en kracht. Die vertonen eveneens een ziekelijk uitstelgedrag. Helena vindt dat ze zich pas ten volle aan de liefde kan overgeven als haar man dood is.

Astrov denkt dat zijn plannen ter veredeling van de mensheid op z'n vroegst over twee eeuwen uitvoerbaar zijn. En De Professor roept boos: 'Ik wil leven!'

Zelfs de sterren in dit gezelschap hebben nog niet geleefd. Ze hebben alleen maar gehunkerd. Daar konden zij zich in vinden totdat de vileine Tsjechov hen bij elkaar bracht. Hij bedeelde de nieuwkomers in het landhuis de rol toe de hoop hoog, te hoog op te stoken. Zo gaan de illusies in rook op en voor de van hun hoop beroofden blijft er geen andere keus dan voorgoed in het lot te berusten.

Ivar van Urk regisseerde eerder De vrouw van Schopenhauer, Moord! en De Nieuwe Tijd: stuk voor stuk teksten van zijn compagnon Jeroen van den Berg. Het waren gave voorstellingen, gemaakt voor de intimiteit van de kleine zaal. Oom Wanja, niet bij hun eigen gezelschap Het Oranjehotel uitgebracht maar bij FACT, is Van Urks eerste regie voor de grote zaal.

Dus werd de intimiteit vervangen door plastische helderheid. Die in de stomme scenes het best tot zijn recht komt. De droefheid van Sonja (Debbie Korper) wanneer Astrov (Cees Geel) weer eens het wodkaglas naar zijn mond brengt; de triomfantelijke blik van Joop Doderer, De Professor, na het gemiste schot dat Maarten Wansink, Oom Wanja, heel lobbig, op hem loste; het scheve, haar eigen lichaam niet vertrouwende loopje van Marleen Stoltz als Helena en de steeds door het beeld heen schuivende rug van Truus Dekker, de oude huishoudster: het zijn momenten die ruimschoots opwegen tegen de niet al te subtiele behandeling van de tekst.