De laatste witte vlekken; Koninklijk Aardrijkskundig Genootschap vulde tropisch Nederland in

Volgende week viert het Koninklijk Neder- lands Aardrijkskundig Genootschap zijn 125ste verjaardag. Grote delen van de wereldkaart waren nog leeg en de kolonien van ons. Tropisch Nederland eindigt nu nog slechts op de stranden van de West. Op zoek naar de eeuwige sneeuw van Nederland.

Noblesse oblige', riep professor Pieter Johannes Veth aan het begin van zijn openingsrede op de eerste algemene vergadering van het KNAG in 1873. Nederland had volgens hem een naam hoog te houden op het gebied van de ontdekkingsreizen, maar “wij zijn op de roem van onze voorouders ingesluimerd'. Daar moest verandering in komen, want “een handeldrijvend volk moet steeds nieuwe middelen en wegen zoeken voor winstgevende betrekkingen'.

Veth was hoogleraar taal-, land- en volkenkunde in Leiden en een vooraanstaand Indie-kenner (hoewel hij er nooit geweest is). De oprichters van het KNAG, vier aardrijkskundeleraren, hadden hem gevraagd voorzitter te worden.

Niet alleen kooplieden, maar ook industrielen, zeevaarders, krijgslieden, reizigers en onderwijzers hadden volgens Veth behoefte aan geografische kennis. Hij wilde aan de reislust van “onze jeunesse doree'een “edeler richting' geven.

Het KNAG speelde in 1873 handig in op de in dat jaar mislukte militaire expeditie tegen de 'zeeroversstaat' Atjeh op Noord-Sumatra. Daarbij sneuvelde bevelvoerend generaal Kohler. Het KNAG weet het debacle aan de gebrekkige geografische kennis over het gebied en pleitte ervoor 'wetenschappelijke mannen' mee te sturen met een volgende veldtocht. Dat die er moest komen, stond voor Veth vast, hoewel hij een voorstander was van koloniale hervormingen. Nederland moest in de strijd tegen Atjeh, zo vond hij, beschaving en menselijkheid verdedigen tegenover barbaarsheid en wreedheid.

Veth stippelde een koers uit die het KNAG lang zou volgen: steun aan expedities om de witte vlekken op de kaart in te kleuren. Soms organiseerde het genootschap, alleen of met anderen, zelf expedities, soms steunde het initiatieven met geld en goede raad.

Altijd was het doel: vermeerdering en verspreiding van de kennis over de aardbol. Expeditieverslagen verschenen in het eigen tijdschrift en daarnaast werden er (voor)lezingen georganiseerd, waarvan die in het Concertgebouw de drukstbezochte waren.

De vraag naar geografische kennis groeide in die tijd explosief door de opkomst van imperialisme kolonialisme, nationalisme, industrialisatie en wereldhandel. Net als andere koloniale mogendheden probeerde Nederland zich zo breed mogelijk te maken. Met zijn expedities zorgde het KNAG voor nieuw elan in de rijke geschiedenis van de Nederlandse ontdekkingsreizen. Wetenschappelijke en commerciele drijfveren gingen daarbij hand in hand. “De handel volgt de wetenschap', was het motto, dat ook te vinden is op de Planciusmedaille, de hoogste onderscheiding van het genootschap.

Legendarisch goudland

Het KNAG werkte mee aan tientallen expedities. Naar de poolgebieden om het dagboek van Willem Barentsz te zoeken en een gedenksteen voor hem op te richten op Novaja Zemlja (Nova Zembla), naar Afrika en naar Centraal-Azie. Verreweg de meeste expedities gingen echter naar de Indische Archipel en Suriname.

In 1874 ontwikkelde het KNAG plannen voor zijn eerste eigen expeditie, naar Midden-Sumatra. Dat gebied sprak destijds zeer tot de verbeelding. Er was steenkool ontdekt en bij de inheemse bevolking deden verhalen de ronde over een legendarisch goudland, Ophir genaamd. Er zouden dunbevolkte streken zijn met “onpeilbaar dikke humuslagen', waar rijst, suikerriet, mais, koffie kaneel, groenten en peulvruchten uitstekend gedijen. Een vlijtige Europese bevolking zou zich in deze “gezonde binnenlanden met hun zuivere dampkring en hun eeuwigdurende lente' gelukkig voelen.

Tussen 1875 en 1877 worden er in het hele land fondsen ingezameld. De prinsen Hendrik en Frederik, de broers van koning Willem III, geven het goede voorbeeld met donaties van vijfhonderd gulden elk. Tijdens spreekbeurten spelen KNAG-leden in op nationalistische sentimenten. Zo spiegelt de Amsterdamse hoogleraar geografie C.M. Kan, de latere aardrijkskundeleraar van koningin Wilhelmina, in Haarlem zijn gehoor voor dat de binnenlanden van Sumatra met hun vruchtbare gronden en enorme delfstofvoorraden liggen te wachten op de komst van Nederlandse industrielen, handelaren en wetenschappers. Ook de inheemse bevolking die onder armoe en slecht bestuur zucht, zit er volgens hem op te wachten.

De expeditie zelf heeft plaats tussen januari 1877 en mei 1879 en loopt uit op een halve mislukking. Expeditieleider Schouw Santvoort, een marine-officier, verkent eerst de route. Om geen argwaan te wekken reist hij als koopman, ongewapend en zonder Europees gezelschap. Hij kapt zich een weg door het oerwoud tot het punt vanwaar hij met een prauw de rivier kan afzakken naar Djambi, hoofdplaats van het sultanaat. Eenmaal in Djambi overlijdt hij echter plotseling, 31 jaar oud, aan een hartstilstand.

De expeditie gaat nog wel door, maar de inlandse hoofden rond Djambi weigeren doortocht. Sultan Taha was in 1858 door een Nederlandse strafexpeditie verdreven en het oerwoud in gevlucht; in Djambi hadden de Nederlanders een zetbaas geinstalleerd. “Als ik zelf kom, drinken ze mijn voetwater', zegt hij tegen de nieuwe expeditieleider Van Hasselt, “maar om mijn bevelen geven ze niets.' Het KNAG wijt de onbevredigende afloop later aan een te rooskleurige voorstelling van zaken door Nederlandse ambtenaren.

Na de Midden-Sumatra-expeditie volgen er nog vele naar Borneo, Celebes en allerlei eilanden. Maar het meest trekt Nieuw Guinea met zijn besneeuwde bergen in het binnenland, de hoogste tussen Himalaya en Andes. De kaart van Nieuw Guinea vertoont daar tot 1959 nog witte vlekken. De Nederlandse zeevaarder Jan Carstensz had als eerste Europeaan de besneeuwde toppen in 1623 waargenomen. Het duurde nog tot 1936 voordat de Carstensztoppen bedwongen werden door Anton Colijn (de zoon van premier Hendrik Colijn), Jacques Dozy en Frits Wissel. Colijn stierf in 1945 in een jappenkamp, maar Dozy en Wissel leven nog, 90 en 91 jaar oud.

Als piloot van een Sikorsky-amfibievliegtuig heeft Wissel tussen 1934 en 1948 eindeloos rondgevlogen boven Nieuw Guinea. Op een van zijn tochten ontdekte hij de naar hem genoemde Wisselmeren. Dozy geoloog van beroep, praat honderduit met stapels boeken, kaarten en fotoalbums onder handbereik.

National Geographic

Colijn, de grote motor achter hun expeditie, was directeur van de Nederlandsche Nieuw Guinea Petroleum Maatschappij, een samenwerkingsverband van Shell, Esso en Caltex dat in 1935 een exploratieconcessie van tien miljoen hectare gekregen had. Omdat er geen kaarten waren, werd het hele gebied vanuit de lucht gefotografeerd vanuit een Sikorsky-amfibievliegtuig dat op rivieren kon landen. Dozy: “Men had altijd vanuit het zuiden en noorden tegen de besneeuwde flanken van het Carstenszgebergte aangekeken en gedacht dat het om een bergmassief ging. Colijn ontdekte dat er nog een hele bergwereld tussenin lag. Daar wilde hij naar toe. Hij was een fanatiek alpinist en hij had haast, want er zaten kapers op de kust. Ook de National Geographic Society had plannen voor een expeditie naar de Carstensztoppen.

Die wilde hij voor zijn.'

Eerdere expedities waren mislukt: ze waren te zwaar uitgerust en misten alpiene ervaring. Daarom koos Colijn voor een lichte expeditie. Hij nam slechts acht Dayaks mee en daarnaast twee ervaren alpinisten, Dozy en Wissel. De route liet hij tevoren fotograferen, Dozy maakte daarvan een schetskaart. Op twee plekken zou de Sikorsky voedselpakketten ('vivres') afwerpen verpakt in petroleumblikken en neergelaten aan grote lappen katoen (parachutes waren te duur). Daarvan konden vervolgens tenten gemaakt worden. Colijn, Dozy en Wissel moesten de expeditie ondernemen in hun vakantie van twee maanden. Hun werkgever was alleen geinteresseerd in olie en die was daarboven zeker niet te vinden.

Na zes dagen naderen ze een nederzetting van Kapaukoes, een bergpapoeastam, op 1.890 meter hoogte. Colijn schrijft daarover in zijn expeditieverslag Naar de eeuwige sneeuw van tropisch Nederland: “Zij stonden daar, met pijl en boog gewapend, dicht bijeen, op een als dansvloer ingericht plateautje en we konden duidelijk zien, dat ze weifelden, of ze de bogen zouden spannen en op ons aanleggen, of niet. Op dat beslissende oogenblik kwam de Sikorsky als een groote vogel luid ronkend boven hun hoofden cirkelen. We begrepen, dat we van deze gelegenheid gebruik moesten maken en met versneld tempo ging het op hen af. Ze waren zoo afgeleid door dien wonderlijken, luid brullende grooten vogel, dat wij in hun midden stonden voor ze het zelf wisten. Dan scheen het ineens tot hen door te dringen dat we niet met vijandige bedoelingen kwamen, dat we vrienden waren, en daar brak een oorverdoovend gejodel los [...] wij wisten op dit oogenblik niets beters te doen, dan het gejank over te nemen en ons, gewapend met ijspickel en ander gereedschap, in den inmiddels aangevangen wilden dans te storten.

Als gekken sprongen wij daar zoo'n tijdje rond in innige omhelzing met deze primitieve knapen [...]. Deze dolzinnige hospartij was vermoeiender geweest dan zeven dagmarschen bij elkaar.'

Afgesproken was, dat ze een gele seinlap op de grond zouden leggen als alles goed was. Wissel vliegt daarop meteen terug naar de kust, laadt de voedselpakketten in en werpt deze af bij de Kapaukoe-kampong. Op twee na worden ze allemaal teruggevonden, met hulp van de Kapaukoes. Zij krijgen als beloning kralen lappen katoen en ijzeren messen. Daarna loopt hij over gebaande paden achter Colijn en Dozy aan.

Eindelijk op de zogenoemde Carstenszweide aangekomen doet Dozy een ontdekking met verstrekkende gevolgen: een zwarte muur met groene en blauwe vlekken. “Als geoloog weet je dan dat er kopererts zit, zeker als je daarna keien stukslaat en daar pyriet in aantreft.' De twee 3.800 meter hoge bergen bij de Carstenszweide blijken enorme koperertsconcentraties te zijn. Dozy noemt ze Ertsberg en Grasberg. Nu ligt er een van de grootste kopermijnen ter wereld. De Ertsberg is al helemaal afgegraven, de Grasberg grotendeels. Behalve koper zit er ook goud en zilver in het erts. Dozy's ontdekking heeft het leven in het dal en het aangezicht ervan ingrijpend veranderd.

Er zijn drie toppen. Welke de hoogste is, is niet te zeggen. Als eerste beklimmen Colijn, Dozy en Wissel de Ngga Poeloe, die geheel met sneeuw bedekt was. Een week lang proberen ze de kale Carstenszpiramide te bereiken, maar slagen daar niet in wegens het slechte weer, de steen- en ijslawines en de grilligheid van de berg. Als ze door een sneeuwstorm met onweer overvallen worden gaan hun haren recht overeind staan door de statische elektriciteit, alles wat ze aan metaal bij zich hebben begint te zingen.

Na vier pogingen druipen ze teleurgesteld af. De Oostenrijker Heinrich Harrer (inderdaad, die van Seven Years in Tibet) bereikt in 1962 als eerste de top.

Bergbeklimmer Bart Vos heeft in 1991 op beide toppen gestaan. Beide keren schat hij de andere berg hoger in. Ondanks enkele problemen komt Vos vrij gemakkelijk boven. Dozy: “Er ligt nu veel minder sneeuw en ijs, het weer is beter en de routes zijn bekend. Op de Carstenszpiramide zitten nu zelfs haken om je touw aan vast te maken.'

In 1938 zijn zo'n beetje alle witte vlekken op de kaart behalve die in Centraal-Nieuw Guinea, ingekleurd. In dat jaar presenteert het KNAG op het congres van de Internationale Geografische Unie in Amsterdam trots de prachtige Atlas van Tropisch Nederland, waaraan men in 1909 begonnen was. Het KNAG oogst er veel internationale waardering mee. Nog steeds wordt deze atlas veel geraadpleegd.

De laatste witte vlek wordt in 1959 ingekleurd met de allerlaatste expeditie naar het Sterrengebergte. Daarmee wordt een tijdperk afgesloten. De koloniale tijd loopt ten einde, expedities raken uit de tijd.

Nieuwe rol

Het KNAG moest zijn rol opnieuw definieren en dat was niet gemakkelijk. Het was immers een vereniging geweest waar kooplieden, koloniale bestuurders en officieren (kartografische diensten vielen onder het ministerie van Defensie!) hun stempel op gedrukt hadden. Zij hadden veel tijd, geld contacten en, door hun vroege pensionering, ambitie en energie. In de ogen van professionele geografen waren het echter hobbyisten. In dit tamelijk elitaire milieu voelden aardrijkskundeleraren en in mindere mate universitaire geografen zich niet thuis. Ze vonden dat de sterke expeditiegerichtheid van het KNAG ten koste ging van het aardrijkskunde-onderwijs en het geografisch onderzoek in eigen land.

In 1909, 1915 en 1948 hadden zij daarom concurrerende verenigingen opgericht. In 1967 zijn die gefuseerd tot het KNAG-nieuwe-stijl, waarvan uitsluitend professionele geografen lid zijn.

Dat verklaart wellicht waarom het huidige KNAG weinig aandacht heeft voor zijn verleden. Historisch-kartograaf Paul van den Brink betreurt dat. Toen hij twee jaar geleden voor de Koninklijke Bibliotheek een tentoonstelling over vier eeuwen Nederlandse ontdekkingsreizen organiseerde, stuitte hij op de belangrijke rol van het KNAG daarin. Volgens Van den Brink is er prachtig materiaal verzameld, dat erom vraagt “gekoesterd en nader onderzocht te worden'. Maar het is onvindbaar, niet geadministreerd of zit, verspreid over het land, onuitgepakt in kisten. Onlangs vond hij bij toeval het complete archief met vele honderden negatieven en brieven van de expeditie van Visser 't Hoofd naar de Karakum-woestijn en het Hindukush-gebergte in Centraal-Azie.

Het KNAG anno 1998 organiseert niet langer expedities in opdracht van een maatschappelijke elite, maar probeert een bijdrage te leveren aan de oplossing van contemporaine vraagstukken. Het jubileumcongres komende week gaat dan ook over 'de ruimtelijke inrichting van Nederland in de 21ste eeuw'. Het wordt geopend door minister Pronk - als voormalig minister van Ontwikkelingssamenwerking en nu van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer vertegenwoordigt hij immers de oude en de nieuwe interessegebieden van het Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap.