Basisinkomen

NOC*NSF pleit voor een basisinkomen van 2500 gulden voor topsporters. Wat verandert er voor een topsporter wanneer hij een vast inkomen ontvangt?

Jessica Gal, judoka: “Een basisinkomen kan een hoop zorgen wegnemen. De huur van je flatje, de boodschappen, die je dan makkelijker kunt betalen. Een sporter moet niets anders aan zijn hoofd hebben dan zijn sport. Op die manier haal je het beste uit jezelf. Het is een waardering voor de sporter, die dan eigenlijk met prestaties moet bewijzen dat hij die 2.500 gulden in de maand waard is. Ik ben er wel van overtuigd dat een topsporter niet aan sport doet voor het geld. Te weinig geld is dan ook nooit een overweging om te stoppen met je sport.'

Piet Kleine voormalig schaatser, haalde eenmaal goud en tweemaal zilver tijdens de Spelen van 1976 en '80: “In mijn tijd had je geen inkomen. We kregen tijdens toernooien f2,50 zakgeld per dag van de schaatsbond. Nu gaat het om een maandelijks bedrag van 2.500 gulden. Dat is een prima zaak, want veel topsporters zitten verlegen om geld. Al moet ik zeggen dat de huidige schaatstop naar mijn mening best wat geld te makken heeft. Met een basisinkomen hoeft een sporter geen baantje te zoeken en kan hij de aandacht vestigen op zijn prestaties. Toen ik nog schaatste, had ik een gat in de lucht gesprongen met deze financiele steun.'

Anton Geesink, lid IOC: “Lang verwacht en toch gekomen, zo zou ik de introductie van het basisinkomen voor topsporters willen beschrijven. Er gaat veel veranderen voor die categorie sporters, in positieve zin dan. Het basisinkomen is een goede zaak. Hoe ik mezelf moest bedruipen in mijn topsportcarriere? Laten we het daar maar niet over hebben. Dat is alweer 40 jaar geleden, dat weet ik niet meer.'

Petra van Kleef-Van Staveren, voormalig zwemster, won een gouden medaille op de 100 meter schoolslag tijdens de Spelen in Los Angeles 1984: “Toen ik sportte kostte het alleen maar geld.

Een jaarabonnement voor het zwembad, een zwempak, benzinegeld. Helemaal van Kampen naar Amsterdam reizen, alleen om aan selectiewedstrijden deel te nemen. Die kosten kreeg je niet vergoed! Alleen als je een record zwom, kreeg je wel eens prijzengeld. Als ik toen een basisinkomen had ontvangen, was mijn leven aangenamer geweest. Sommige topsporters verdienen genoeg, anderen kunnen net rondkomen. Als ik dat basisinkomen nu zou krijgen, zou ik zo weer beginnen met zwemmen.'

Jan Marijnissen, fractievoorzitter Socialistische Partij: “Uitstekend idee! Zo'n inkomen moet dan wel bedoeld zijn voor sporters die het echt nodig hebben. Ik stel een aantal voorwaarden aan het verstrekken van die 2.500 gulden. Allereerst moet een sporter zich dan niet meer lenen voor commerciele doeleinden. Grote sponsors trekken toch al naar de populaire sporten, dat is nadelig voor kleine sporten. Bovendien moet een topsporter zich helemaal aan zijn sport wijden, en niet continue lintjes doorknippen of winkels openen. Ook zouden sporters met een basisinkomen clinics moeten geven, als stimulans voor de breedtesport in dit land. Als Krajicek een demonstratie geeft, loopt heel de Schilderswijk uit.'

Marcel Wouda, zwemmer: “Een basisinkomen is voor veel topsporters haast onontbeerlijk. De allerhoogste categorie kan redelijk rondkomen, de groep daaronder heeft het moeilijk. Die is afhankelijk van de ouders, een studiebeurs of het NOC*NSF. Werken naast het sporten is zwaar, daar moet je fysiek maar ook mentaal sterk voor zijn. Een sporter moet zich kunnen fixeren op zijn prestaties. Mensen moeten alleen niet denken dat sporters lui zijn. Dat is onzin, want een topsporter traint keihard. Naast het basisinkomen moet NOC*NSF een sporter ook helpen met de periode na zijn carriere. Noem het maatschappelijke begeleiding.'