Auschwitz mag geen morele knuppel zijn

Tijdens de Frankfurter Buchmesse, vorige maand, ontving de Duitse schrijver Martin Walser de Vredesprijs van de Duitse boekhandel. In zijn dankrede betoogde hij dat de holocaust en de concentratiekampen worden gebruikt om het schuldgevoel bij Duitsers levend te houden. Hieronder een bewerkte versie van zijn rede, die het begin werd van een controverse over de vraag of een pleidooi voor een normaal Duitsland niet zonder risico's is.

Ieder tijdperk kent problemen, die onmiskenbaar de gewetensthema's van dat tijdperk zijn of daartoe gemaakt worden. Ik geef twee voorbeelden van die gewetensproblematiek. In 1992 zei een belangrijk denker: “Pas de reacties op de rechtse terreur - de reacties uit het politieke midden van de bevolking en van de regering, het overheidsapparaat en de leiders van de partijen , pas die reacties maken het moreel-politieke verval in zijn volle omvang zichtbaar.'

Een dichter, niet minder belangrijk zei een paar jaar eerder: “Stap een willekeurig restaurant in Salzburg binnen. Op het eerste gezicht zult u zeggen: louter brave mensen. Maar als u luistert naar wat de mensen aan de tafel naast u zeggen, ontdekt u dat zij van niets anders dromen dan van uitroeien en gaskamers.' Tellen wij bij elkaar op wat de denker en de dichter - de een al even degelijk als de ander - meedelen, dan zijn de regering, het overheidsapparaat, de partijleiders, en de brave burgers aan het volgende tafeltje 'moreel-politiek' in verval.

Wanneer ik jaar in jaar uit zulke naar believen aan te vullen uitspraken van door en door degelijke grootmeesters van de geest en de taal lees, is mijn eerste reactie: waarom maakt het op mij niet die indruk? Wat schort aan mijn perceptie? Of ligt het aan mijn geweten, dat zich al te gemakkelijk in slaap laat sussen?

Waarom word ik niet meegesleept door de verontwaardiging die de denker tot deze aanhef verleidt: “Wanneer de sympathiserende bevolking worstkraampjes neerzet voor brandende asielzoekerstehuizen...' Stel je dat toch eens voor: de bevolking sympathiseert met de mensen die asielzoekerstehuizen hebben aangestoken en zet daarom worstkraampjes neer voor de brandende panden, om ook nog eens zaken te doen.

Ik moet toegeven dat als ik het niet in een toonaangevend weekblad had gelezen ik het me niet had kunnen voorstellen.

Aanvechten kan ik zulke uitspraken niet, daarvoor is zowel de denker als de dichter te aanzienlijk en te betrouwbaar. Maar - en dat is klaarblijkelijk mijn moreel-politieke zwakke punt - ermee instemmen kan ik evenmin.

Mijn hoogst onbenullige reactie op zulke schrijnende uitspraken is dat het hopelijk niet waar is wat ons daar zo kras wordt meegedeeld. Het gaat mijn moreel-politieke voorstellingsvermogen te boven om wat daar gezegd wordt als waar aan te nemen. Mij bekruipt een niet te bewijzen vermoeden: de mensen die met zulke teksten voor de dag komen willen ons pijn doen, omdat zij menen dat wij dat verdiend hebben.

Waarschijnlijk willen zij ook zichzelf kwetsen. Maar ons ook. Allemaal. Alle Duitsers. Want een ding is wel duidelijk: in geen andere taal zou in het laatste kwart van de twintigste eeuw zo over een volk, een samenleving gesproken kunnen worden. Dit kun je alleen van Duitsers zeggen. Of anders, bij mijn weten alleen nog van Oostenrijkers.

Iedereen kent onze historische last de onvergankelijke schande. Er gaat geen dag voorbij of hij wordt ons voorgehouden. Zou het misschien kunnen zijn dat de intellectuelen die ons deze schande voorhouden zich een ogenblik kunnen overgeven aan de illusie dat zij zich een beetje hebben vrijgepleit - omdat zij weer hun gruwelijke herinneringsarbeid hebben verricht? En misschien heel even zelfs dichter bij de slachtoffers dan bij de daders hebben gestaan?

Een kortstondige verzachting van het onverbiddelijke antagonisme van daders en slachtoffers.

Ik heb het nooit voor mogelijk gehouden om niet aan de kant te staan van de beschuldigden.

Soms, wanneer ik geen kant meer op kan kijken zonder dat de beschuldigingen mij om de oren vliegen, moet ik mij vrijpleiten door mezelf wijs te maken dat de media in een beschuldigingsroutine zijn vervallen. Van de ergste gefilmde taferelen uit concentratiekampen heb ik zeker al twintig keer de blik afgewend.

Niemand die serieus genomen wil worden, loochent Auschwitz. Niemand die toerekeningsvatbaar is, probeert iets af te dingen op de gruwelijkheid van Auschwitz. Maar wanneer dit verleden mij in de media dagelijks voor de voeten wordt geworpen, merk ik dat iets in mij zich tegen deze permanente vertoning van onze schande verzet. In plaats van dankbaar te zijn voor de onophoudelijke confrontatie met onze schande begin ik weg te kijken. Ik merk dat ik in het hameren op onze schande naar motieven begin te zoeken. Ik ben bijna verheugd wanneer ik meen te ontdekken dat het dikwijls niet meer gaat om het herdenken, het niet-mogen-vergeten, maar dat onze schande dienstbaar wordt gemaakt aan actuele doeleinden - altijd goede, eerzame doeleinden. Maar toch: het is schande als werktuig.

Iemand laakt de wijze waarop wij de gevolgen van de Duitse deling te boven proberen te komen, en zegt dat wij zo een nieuw Auschwitz mogelijk maken. Ook de deling zelf al werd, zolang zij duurde, door toonaangevende intellectuelen gerechtvaardigd met een verwijzing naar Auschwitz. Ik heb gezegd dat wie alles beschouwt als een weg die tot niets anders dan Auschwitz zou kunnen leiden, beweert dat de Duits-joodse betrekkingen tot een rampzalig einde zijn gedoemd. De intellectueel onder wie dit ressorteert noemde dat een bagatellisering van Auschwitz.

Bagatellisering van Auschwitz. Dan is het nog maar een stapje naar de zogenoemde Auschwitz-leugen.

Een gehaaide intellectueel verschijnt met een ernstig gezicht voor de televisie teneinde de wereld te wijzen op een kwalijke tekortkoming van de auteur namelijk dat in het boek van de auteur Auschwitz niet voorkomt. Nooit gehoord van de oerwet van het vertellen: het perspectief. Maar hoe dan ook, de tijdgeest gaat voor esthetiek.

Voordat ik dat alles nu accepteer als terechtwijzing vanwege mijn gebrek aan geweten, werp ik de tegenvraag op waarom bijvoorbeeld in Goethes Wilhelm Meister dat immers pas in 1795 verscheen de guillotine niet voorkomt.

Nu ik zo moreel-politiek op de vingers word getikt, dringt zich een herinnering aan mij op. In 1977 heb ik niet ver van hier, in Bergen-Enkheim, een toespraak gehouden. Die gelegenheid heb ik aangegrepen om de volgende bekentenis te doen: “Ik beschouw het als onverdraaglijk om de Duitse geschiedenis - hoe vreselijk die uiteindelijk ook is verlopen - te laten eindigen als het resultaat van een catastrofe.' Dan zouden wij, zei ik bevend van stoutmoedigheid, “de Bondsrepubliek net zo min moeten erkennen als de DDR. Wij moeten de wond, genaamd Duitsland, openhouden.'

Dit schiet mij te binnen wanneer ik nu zeg dat Auschwitz zich niet leent als routinedreigement, als een te allen tijde inzetbaar intimidatiemiddel als morele knuppel of zelfs maar als verplicht nummer. Wat door ritualisering tot stand wordt gebracht, is van het niveau van de lippendienst. Maar wat zullen de mensen niet allemaal van je denken als je zegt dat de Duitsers nu een heel gewoon volk zijn, een heel gewone samenleving?

In het debat over het holocaustmonument in Berlijn zal het nageslacht kunnen nalezen wat de mensen aanrichtten die zich voor andermans geweten verantwoordelijk voelden: dat het centrum van de hoofdstad wordt bedolven onder een betonnen nachtmerrie zo groot als een voetbalveld; dat de schande wordt gemonumentaliseerd.

De historicus Heinrich August Winkler noemt dat 'negatief nationalisme'. Ik waag het te vermoeden dat wie zo doet, al heeft hij ook een duizendmaal hogere dunk van zichzelf, geen haar beter is dan zijn tegenpool. Waarschijnlijk bestaat er ook een banaliteit van het goede.

Een goed geweten is geen geweten. Ieder is met zijn geweten alleen. Openbare gewetenshandelingen dreigen daarom symbolisch te worden. En niets is het geweten vreemder dan symboliek, hoe goed ook bedoeld. Op eigen houtje produceert het geweten al schijn genoeg. Treedt het geweten naar buiten dan heerst enkel nog de schijn. Bergt en verbergt niet iedereen diep in zijn innerlijk een voor de vervaardiging van zijn eigendunk ingericht spiegelkabinet? Is niet iedereen een lopende band van eindeloze leugen-waarheid-dialectiek? Een door ijdelheden gedirigeerd gewetensstrijder? Of generaliseer ik nu al te zeer om mijn eigen zwakte gezelschap te verschaffen?

Deze vraag kan ik niet weglaten: zou het publiek armer zijn, of gewetenlozer, als dichters en denkers niet als hoeders van het nationale geweten optraden?