Zonder kooi verdwijnt de muis; De memorabele zinnen van Amos Oz

“Boeken zouden een sluipend vergif moeten zijn. Langzaam veranderen ze je ideeen en je wereld. En op een dag zeg je: `Ik wil niet meer met een karretje door de Dagmarkt zeulen maar windmolens bevechten en duelleren voor Dulcinea en als het moet zelfs rattengif slikken.' Arnon Grunberg over het verschil tussen Amos Oz en Harry Mulisch.

Harry Mulisch schrijft in De procedure: `Romanschrijvers, op hun beurt, kunnen verdeeld worden in zinnenschrijvers en boekenschrijvers. Nabokov schreef onvergetelijke zinnen, Dostojevski onvergetelijke boeken. Hier scheiden zich de geesten over wat een `goede schrijver' is. Van een zinnenschrijver blijft in vertaling weinig over, voor een groot schrijver maakt het niet veel uit. De taal moet volledig verdwijnen, alleen het vertelde moet overblijven.'

Er zijn dus zinnenschrijvers en boekenschrijvers. Boekenschrijvers overleven een slechte vertaling zinnenschrijvers niet of nauwelijks. En de taal moet volledig verdwijnen.

Ik begrijp hieruit dat een boekenschrijver niet op een kreupele zin mag worden afgerekend. Het gaat om het geheel. Dat Mulisch het heeft over de onvergetelijke zinnen van Nabokov en de onvergetelijke boeken van Dostojewski is iets waar we niet te veel aandacht aan moeten besteden. Hij had in plaats van `onvergetelijke' ook `prachtige' of `fenomenale' kunnen schrijven. In vertaling blijft er min of meer hetzelfde van over.

Een boekenschrijver schrijft net als een zinnenschrijver zinnen maar al die zinnen samen doen iets waardoor het niet meer gaat om de zinnen zelf, maar om iets anders. Om wat? Dat zal wel `het vertelde' zijn.

Al de hele ochtend breek ik mij het hoofd over hoe de taal moet verdwijnen. En niet een beetje, nee volledig. En vooral waarom een romanschrijver, en niet zomaar eentje, opschrijft dat de taal moet verdwijnen.

Bij het verdwijnen van de taal denk ik aan een discussie die overgaat in fysiek geweld. Aan een avond in een restaurant die eindigt met zoenen voor een taxi. Aan een slachtpartij in een hedendaags concentratiekamp.

In al deze gevallen is taal volgens mij even verdwenen.

Het grappige is dat als ik besluit te schrijven over een avond in een restaurant die eindigt met zoenen, die taal die even was verdwenen weer terugkomt. En hoe. Het is een definitieve terugkeer een Endsieg zou ik bijna willen beweren. Hoe jammer we dat misschien ook vinden. Maar als er al iets van die avond die eindigde met zoenen voor een taxi overblijft, dan is het taal.

Want ook als ik degene met wie ik gezoend heb probeer te herinneren aan die bewuste avond, komt de taal die even was verdwenen weer terug. “Weet je nog', zal ik zeggen “die avond dat je zo moest hoesten en dat we toen en toen en nog een keer?'

Hoe verdwijnt taal? Zoals verliefdheid verdwijnt, of meer als een tram waar je achter aan rent en die je toch net niet haalt?

En wat heb je dan als die taal is verdwenen? Het vertelde? En hoe ziet dat vertelde eruit? Vergeef me de oneerbiedige vergelijking, maar ik denk bij het vertelde aan een gebruikt condoom dat al een dag op de grond ligt maar toch nog een klein beetje plakkerig is. Plakkerig van taal die niet helemaal is verdwenen.

Ravage

Is niet elke menselijke ervaring gedoemd taal te worden en te blijven? Als het al iets blijft. En is dat wel zo'n ramp? Als alle menselijke ervaringen schilderijen waren geworden was de ravage volgens mij veel groter geweest.

Als Mulisch met `de taal moet verdwijnen' bedoelt dat weinig saaier is dan een schrijver vermomd als woordkunstenaar, ben ik het helemaal met hem eens.

Een woordkunstenaar is iemand die in bed vraagt, `was ik goed?'

Alsof het daarom gaat, om in bed goed te zijn. Neuken is geen tennissen. Een schrijver is niet iemand die goed is in taal.

Taal, en laten we vooral niet te moeilijk doen over dat woord, taal is voor een schrijver alleen een middel. Taal is het kooitje, maar het gaat om het muisje in het kooitje. Een kooi heb je om het muisje en niet omgekeerd. Maar als het kooitje verdwijnt, verdwijnt het muisje. Hoe kan taal verdwijnen op zo'n manier dat er meer achterblijft dan een gebruikt condoom en de uitwerpselen van een muis?

`Wanneer proza', schrijft Mulisch verder `lonkt naar de poezie en de aandacht op zichzelf vestigt, als een fat voor de spiegel, dan gebeurt er hetzelfde mee als iemand die weet dat hij mooi is: daar wordt hij lelijk van, en vooral ook zij.' Het is moeilijk het hiermee oneens te zijn. Proza dat de aandacht op zichzelf vestigt, en dus niet of nauwelijks meer verwijst naar een ervaring, naar een concrete gebeurtenis, is dodelijk voor de schrijver en voor het boek.

Als ik schrijf, `vannacht heb ik lekker geneukt', vestig ik niet de aandacht op mijn proza, maar op wat ik vannacht heb uitgespookt. Als ik schrijf `vannacht lagen wij als twee walvissen met olifantenhalsjes in elkaars armen en lieten ons meedrijven op de stroom', vestig ik de aandacht op mijn proza. Czeslaw Milosz heeft het in een voorwoord bij een verzamelbundel gedichten over `loyaal zijn aan de realiteit'. Ik vind dat een mooi begrip.

Loyaal zijn aan de realiteit is heel iets anders dan wat wel genoemd wordt realisme.

Niet loyaal zijn aan de realiteit is, als een schrijver het gaat hebben over het lijden van een volk. Want volkeren lijden niet, mensen lijden. Of als hij het gaat hebben over de ziel van een volk, of de eenzaamheid van de postmoderne mens in de post-industriele wereld. De postmoderne mens ben ik godzijdank nog nooit tegengekomen en de post-industriele wereld evenmin.

Betekent loyaal zijn aan de realiteit dat mensen in boeken niet mogen vliegen en andere dingen doen die onmogelijk zijn in de werkelijkheid? Absoluut niet. Astrid Lindgren is zeer loyaal aan de realiteit en toch komen in haar boeken dikke mannetjes voor met propellers op hun rug die boven Stockholm cirkelen.

Als een schrijver ophoudt loyaal te zijn aan de realiteit wordt taal doel in plaats van middel. En als taal doel wordt, heb je op zijn best iets wat voor schoonheid door moet gaan. Schoonheid wil niets behalve mooi zijn en dat is hetzelfde als niets willen. Schoonheid is saai en ongevaarlijk. Zelfs als het gaat om mensen zit aantrekkingskracht niet in de volmaaktheid, maar in het mankement dat de volmaaktheid ontsiert.

Consequenties

Een schrijver wil ingrijpen in de werkelijkheid. Zelfs als hij stiekem weet dat het niet kan. Natuurlijk wil hij eerst en vooral een verhaal vertellen, maar hij wil stiekem ook dat zijn verhaal consequenties heeft voor de werkelijkheid en voor mensen die in die werkelijkheid leven.

Hij wil dat zijn boeken zo gevaarlijk zijn voor lezers als ridderromans voor Don Quichot. Ook al weet hij dat dat waarschijnlijk een loos verlangen is, want een boek is maar een boek. Maar de wil is cruciaal.

Zonder die wil zonder die inzet, wordt schrijven al snel een truc. Een danser die zijn pasjes oefent voor de spiegel, en dat misschien goed doet, maar zonder wil ontbreekt elke spanning.

Boeken zouden een sluipend vergif moeten zijn. Langzaam veranderen ze je ideeen en je wereld. En op een dag zeg je: “Ik wil niet meer met een karretje door de Dagmarkt zeulen maar windmolens bevechten en duelleren voor Dulcinea en als het moet zelfs rattengif slikken in plaats van worteltjespuree te eten omdat dat zo goed is voor mijn ogen.'

Dat is natuurlijk volledig van de pot gerukt, maar welk verstandig mens zou willen beweren dat het erom gaat op deze wereld om NIET van de pot gerukt te zijn?

Eenzaamheid, onze eenzaamheid, zit ook niet in de ontoereikendheid van taal, zoals wel eens is beweerd. Hoe weten we of taal ontoereikend is zolang er geen alternatief voor is gevonden? De eenzaamheid zit in het bewustzijn over dat kooitje. Het bewustzijn dat wat wij zeggen en stellig beweren waarnaar wij luisteren, met ontroering, onverschilligheid of woede allemaal decorstukken zijn, diabeelden. Het interieur van een rondreizend familiecircus. In verval. Zoals bij geliefden afwisselend de een de leugenaar en de andere de belogene kan zijn, zo is de relatie tussen schrijver en lezer. Alleen zegt de lezer niets terug.

Degene die belogen wordt, is niet eenzamer dan de leugenaar. Ze zijn allebei even eenzaam. En ze hebben elkaar nodig. Wat ze bindt is ook waardoor ze van elkaar gescheiden worden. En dat is de eenzaamheid van de leugenaars. In het laatste hoofdstuk van zijn roman Panter in de kelder schrijft Amos Oz:

`Wat is de andere kant van wat werkelijk geweest is? Mijn moeder zei altijd: de andere kant van wat geweest is, is wat niet geweest is.

En mijn vader: de andere kant van wat geweest is, is wat nog komt.

Toen we elkaar toevallig ontmoetten in een visrestaurantje in Tiberias, aan de oever van het meer van Galilea, veertien jaar later heb ik het aan Jardena gevraagd. In plaats van mij te antwoorden, barstte ze uit in haar klaterende lach, de lach die alleen meisjes hebben die graag meisjes willen zijn en heel precies weten wat wel en wat niet meer kan stak een sigaret op en zei: het omgekeerde van wat geweest is, is wat er had kunnen zijn als er geen leugens en angst hadden bestaan.'

Ik houd van deze roman van Amos Oz, maar wat ik ervan onthouden heb zijn deze zinnen. En nog een paar zinnen. Betekent nu dat het geen goed boek was? Of dat Amos Oz een zinnenschrijver is? Of dat Oz eigenlijk alleen deze zinnen had kunnen schrijven en de rest ongeschreven laten? Natuurlijk niet. Alsof je niets meer hoeft mee te maken en te ondernemen omdat elke ervaring toch gedoemd is taal te worden. Als je van een roman een paar zinnen onthoudt en wilt teruglezen is dat al heel wat. Meer in ieder geval dan vaag een samenvatting te kunnen geven van de inhoud, waardoor alles wordt teruggebracht tot een paar regels in een speelfilmencyclopedie.

Vergif

Is dat niet in tegenspraak met het verlangen van de schrijver dat zijn boeken als sluipend vergif zouden moeten werken op de lezer? Hoe kan je dan genoegen nemen met een paar zinnen die overblijven?

Dat is het verschil tussen wat werkelijk geweest is en de andere kant van wat werkelijk geweest is.

De andere kant van wat werkelijk geweest is. Dat is de positie van schrijver. Zonder dat hij daarmee zijn loyaliteit verliest aan de realiteit. Zonder dat hij probeert een sprookjesachtige betere werkelijkheid te creeren. Al wat hij probeert is de werkelijkheid zo te belichten dat ze met alle gruwelijkheid en onmenselijkheid toch even leefbaar lijkt.

Lijkt.

Daden kunnen niet liegen. Hooguit iets suggereren dat onwaar is. Woorden kunnen wel liegen. Leven is wat werkelijk geweest is, schrijven is de andere kant daarvan.

De schrijver staat bijna vijandig tegenover het leven zoals een bioloog ook vijandig kan staan tegenover een kooi met een muisje erin. Omdat hij niet in die kooi kan met dat muisje, hij moet buiten blijven.

Als je kan leven, waarom zou je schrijven? Als je genoegen neemt met wat werkelijk geweest is, waarom zou je op zoek gaan naar de andere kant daarvan?

In Amos Oz' roman De derde toestand staat een hoofdstuk dat ik regelmatig herlees. Het is een brief van de ex-vrouw van Fima, de hoofdpersoon van de roman. Fima is een van de mensen die wel willen leven, maar niet kunnen. Hij opent de koelkast, maar vergeet die weer dicht te doen. Hij knipt de haartjes in zijn ene neusgat maar vergeet in zijn andere te knippen en als hij voor de wc staat om te plassen trekt hij tegelijkertijd door om te kijken wie het eerst klaar is.

Op een avond vindt hij een oude brief van zijn ex-vrouw Jael. En hij begint te lezen. `Ga niet bedenken', schrijft Jael, `hoe je alles wat hier geschreven staat, kunt weerleggen, hoe je met tegenargumenten kunt komen, hoe je geen spaan heel kunt laten, hoe je mij kunt overwinnen. Ik ben je vijand niet. Een overwinning zal je niet helpen. Mijn vertrek naar Amerika, misschien is dat de klap waardoor je jezelf terugvindt. Oke. Dat is een cliche. Ik wist dat je dat zou zeggen. Als ik weg ben zul je vrij zijn om verliefd te worden. Of je kunt verliefd op mij blijven zonder dat je mijn was hoeft te verdragen die 's winters voor de kachel in de slaapkamer staat te drogen. En nog iets: probeer je te concentreren. Niet de hele tijd maar te kwebbelen en drukte te maken en alles en iedereen te verbeteren. Wees iets meer dan een schorre keel. De wereld hoort je toch niet.'

Een schorre keel. Dat is precies wat Fima is. Het is ook wat Don Quichot is, ondanks zijn trots en grootheid. Een schorre keel omdat de wereld niet luistert.

Een schorre keel, dat is volgens mij de consequentie van taal die overblijft, van taal die niet is verdwenen.

Ik kan Mulisch niet volgen dat taal moet verdwijnen om plaats te maken voor het vertelde. Het is me te religieus, het vereist te veel geloof in iets waaraan ik niet kan geloven. Het doet me denken aan de opvatting dat de naam van God niet voluit geschreven mag worden. Als het vertelde zich buiten de taal bevindt is het onleefbaar.

`En het verhaal zelf', schrijft Oz in Panter in de kelder. `Heb ik door het te vertellen nogmaals iedereen verraden? Of zou ik hen juist verraden hebben als ik het niet had verteld?'

Oz heeft het verhaal geschreven, dus je zou denken dat hij op het standpunt staat dat hij hen juist verraden had door het niet te vertellen.

Ik denk dat dat een te makkelijke uitweg is. Oz beseft waarschijnlijk maar al te goed dat de kans groot is dat je mensen verraadt door bepaalde details uit hun levens aan de openbaarheid prijs te geven.

En het werkelijke verraad gaat nog een stapje verder. Een schrijver die zijn ervaringen gebruikt om er een verhaal van te maken, verraadt ook die ervaringen. Hij geeft ze op voor iets anders, en of dat de moeite waard is, is maar zeer de vraag.

Op een punt zou ik Oz of Jardena willen verbeteren. Het omgekeerde van wat geweest is, is niet wat geweest had kunnen zijn als er geen leugens en angst hadden bestaan. Het omgekeerde van wat geweest is, is wat had kunnen zijn als er betere leugens hadden bestaan.