Zo dirigeren dat de kalk uit het plafond valt; Oliver Knussen over 20ste-eeuwse muziek voor kinderen en volwassenen

De componist en dirigent Oliver Knussen was in Nederland voor een concert met het Schonberg Ensemble. De Brit geldt als specialist op het gebied van de uitvoering van hedendaagse muziek. “Concerten interesseren me eigenlijk niet. Ik maak liever plaatopnames: muziek monteren als een film.'

“Maat 364, langzaam please.' Geritsel van papier waart door Studio Buitenveldert, een tot repetitieruimte omgebouwde gymzaal van een schoolgebouw aan de rand van Amsterdam. De muzikanten van het Schonberg Ensemble bladeren door hun partijen en neigen turend voorover, op zoek naar het juiste maatcijfer. Dan richten ze hun aandacht weer op dirigent Oliver Knussen (1952), die ontspannen op een barstoel zit met de partituur van Geoffrey King's Magritte Weather voor hem op de lessenaar. Als hij zijn armen tot ongeveer halverwege borsthoogte heft, volgt er een geconcentreerde stilte. Het tafereel van de muzikanten, klaar om in te zetten, schijnt voor een paar seconden te bevriezen. Slechts de hoornist die bij maat 364 niets te spelen heeft, gaat onverstoorbaar verder met het reinigen van zijn contactlens. Op Knussen's gedecideerde armbeweging komt iedereen plots weer tot leven: de houtblazers met hun dartele loopjes, die ze in de netjes van de rondom aan de muren hangende basketbaldoelen lijken te slamdunken. De windmachine van de percussionist huilt rond bij de klimrekken en de weerbarstige lijnen van de strijkers buitelen grommend over elkaar heen. En dan nog gaat het in een langzamer tempo, want even hiervoor was de muziek danig uit de bocht gevlogen. Nu kan iedereen horen hoe de verschillende lagen in elkaar passen en wordt de passage stukje bij beetje doorgenomen, onderbroken door instructies van de dirigent.

Voor wie zich wil verdiepen in de structuur van muziek, is het eigenlijkveel interessanter om een repetitie bij te wonen dan een concert. Een repetitie mist ontegenzeglijk de spanning, ambiance en ontlading van een openbare uitvoering, maar je hoort daarentegen sommige gedeeltes vijf keer achter elkaar.

Als er oneffenheden klinken in de muzikale textuur, dan worden de naden losgetornd en de losse onderdelen uiteengehaald: eerst spelen alleen de basklarinet en de strijkers, dan de marimba met de trompet en vervolgens beide groepen weer samen. Tijdens een repetitie wordt het motorblok van de instrumentale limousine gedemonteerd en liggen de moeren en zuigerstangen op de vloer van de werkplaats uitgestald. Voor het in elkaar zetten van een dergelijk bouwpakket kan men zich geen betere mecanicien wensen dan Oliver Knussen. Hoewel hij zichzelf in de eerste plaats als componist beschouwt, is Knussen wereldwijd actief als dirigent en werpt zich als zodanig op als protagonist van zijn collega's. Sinds hij op zijn vijftiende voor het eerst van zich deed spreken met het uitvoeren van zijn Eerste Symfonie, is hij wegens zijn fijnzinnige gehoor en soepele, onberispelijke techniek uitgegroeid tot een van de specialisten op het gebied van de hedendaagse muziek.

Mythische smid

Met zijn rijzige gestalte en woeste baard oogt Knussen als een mythische smid, die het vuur aanwakkert en de weg baant voor de muzikanten. “Wanneer Ollie dirigeert is het net alsof er meer tijd zit tussen de tellen en het daardoor makkelijker wordt om precies op het juiste moment in te zetten. Hoe complex het ook is, je hebt altijd het gevoel dat hij het overzicht bewaart en je zo terug op de rails zet als je eruit ligt', luidt het oordeel van de musici.

Als ik hem vraag of hij zich het ontstaan van zijn fascinatie voor muziek nog kan herinneren, antwoordt Knussen lachend: “Nee, in het geheel niet. Omdat die fascinatie er gewoon altijd geweest is. Die werd gevoed door grammofoonplaten, van die oude 78-toerenschijven.

Voor ik twee jaar oud was, kon ik eigenhandig de pick-up bedienen en zat ik het liefst de hele dag op de huiskamervloer platen te draaien. Het oudste beeld dat ik me herinner, is dat van een ronddraaiend hondje in het midden, van het His Master's Voice-label. Ik kon die labels natuurlijk nog niet lezen, daarom bracht mijn vader er gekleurde stickers op aan, zodat ik ze uit elkaar kon houden. Ook tekende ik labels na en liet die dan gewoon op de draaitafel in de rondte gaan.' Stuart Knussens platencollectie was niet omvangrijk, maar bevatte interessante dingen: Mahler-symfonieen, Ravel en de muziek van Strawinsky en Schonberg, die door jonge Engelse orkestmusici in de jaren na de oorlog net werd ontdekt. “Ik draaide alles grijs en heb er een levenslange obsessie voor geluidsopnames aan overgehouden. Mijn vader nam me ook mee naar uitvoeringen. Op mijn vierde trok ik de deftige Sir Michael Sargent aan zijn jas en vroeg hem waarom hij toch door was blijven spelen in een Elgar-symfonie, op het punt waarop de plaat normaal gesproken omgedraaid diende te worden.

Mijn vader was de eerste bassist van het London Symphony Orchestra en als de gelegenheid zich maar even voordeed zat ik naast hem op zijn stoel bij de repetities. Zodoende heb ik het geluk gehad om de grote dirigenten van de oude garde, zoals Stokovski en Pierre Monteux, nog aan het werk te zien. Naar hun voorbeeld heb ik mijn eigen dirigeerstijl grotendeels gemodelleerd. De meeste dirigenten van nu staan met veel pathos en meeslepende theatrale bewegingen a la Bernstein voor een orkest. Alsof zij het geluid uit het orkest tevoorschijn toveren terwijl het toch echt de muzikanten zijn die het werk verrichten. En ik doe het meeste van mijn werk tijdens de repetities.

De dirigenten van die oudere generatie waren heel precies in hun aanduidingen en stonden vrijwel roerloos op het podium. Als ze al eens bewogen, dan had dat vaak zo'n geluidsexplosie tot gevolg dat de stukken kalk uit het plafond vielen. Je moet uitgaan van wat het orkest jou aan geluid te bieden heeft en vervolgens kijk je wat je daarmee wilt doen. Muzikanten moet je de ruimte geven, al wat ik kan doen, is hun een solide basis verschaffen. Een dirigent is in zekere zin niets anders dan een timesaving device, een middel om de repetitieperiode drastisch in te korten. Zonder een dirigent zouden muzikanten er over het algemeen ook wel uit komen.'

Het beeld van de peuter die zich onverzadigbaar laaft aan een universum van geluid vindt ook zijn weerslag in Knussen's composities. Zijn opera's Where the Wild Things Are (1981) en Higglety Pigglety Pop! (1985), gebaseerd op de verhalen en illustraties van Maurice Sendak, zijn geschreven voor een jeugdig publiek. Het is spectaculair theater, met grote angstaanjagende en tegelijk vertederende monsters, overgoten met een tot in de miniemste details uitgewerkte avant-gardemuziek. Knussen: “Het is in zekere zin de muziek die ik als driejarige graag had willen horen, maar die ik toen uiteraard niet kon verwezenlijken. Ik heb dat als volwassene alsnog gedaan, omdat ik wilde terugkeren in die toverwereld van de kinderfantasie en omdat ik iets wilde maken waarmee ik op jonge mensen over kon brengen wat er leuk is aan ingewikkelde muziek.'

Knussen's werk kenmerkt zich door een grote mate van verfijning en een zorgvuldige constructie en planning van muzikale gebeurtenissen. “Er zijn een oneindig aantal manieren om vanuit een lage toon in de bas een crescendo op te bouwen tot een tutti-climax.

Van een simpelweg noot voor noot toegevoegd akkoord over een tam-tam roffel, de commerciele oplossing zogezegd, tot een ongelooflijk complexe, polyritmische en meerlagige textuur. De keuze hoe je iets gaat doen is net zo belangrijk als die van wat je wil gaan doen, in relatie tot de context en intentie. Cruciale beslissingen als deze maak ik zo objectief mogelijk, voordat ik nog maar een noot geschreven heb.' Zijn muzikale productie is niet groot en de stukken zijn vaak compact van karakter. Dat maakt ze echter niet minder overrompelend bij beluistering. In zijn Piano Variations (1990) geschreven voor Peter Serkin, vormt een thema van zes noten de basis voor een spervuur van pianistische inventie. In een kort tijdsbestek wordt een virtuoos parcours doorlopen, waarbij het gevarieerde thema voortdurend van kleur verandert.

Zijn buitensporige drang tot het verzamelen beluisteren en absorberen van twintigste-eeuwse muziek is nimmer afgenomen. Nog altijd is het Oliver Knussen's favoriete bezigheid om languit op de bank te liggen, met een flinke stapel nog onbeluisterde cd's op het tafeltje naast de hifi-set. Het uithoudingsvermogen dat hij hierbij aan de dag legt is legendarisch. Als hij bij je langskomt, werpt hij een priemende blik op je collectie cd's en partituren en herinnert zich in een oogwenk wat er nieuw is, sinds zijn vorige visite. `Ah, heb je die ook gekocht, die is goed he?' Voor de dag komen met iets dat hij nog niet kende, behoort tot de zeldzaamheden en geldt als een kleine persoonlijke triomf. Feitelijk bestaat zijn leven goeddeels uit een mondiale pelgrimstocht die hem langs muziekwinkels via boekantiquariaten naar concertzalen voert, met tussenstops in restaurants.

Sinds hij in 1985 met het ASKO-ensemble een programma dirigeerde met muziek van Elliott Carter, brengt hij ook regelmatig enige tijd door in ons land voor het geven van concerten.

Risicowedstrijd

Het is dinsdagavond, even voor half negen. Paradiso toont zich een veelzijdige tempel van de muze: daags na het optreden van de Manic Street Preachers maakt het Schonberg Ensemble zijn opwachting voor het concert waarop in de voorafgaande week naarstig gerepeteerd is. Het is geen risicowedstrijd een portier is voldoende om het gestaag binnendruppelende publiek te verwelkomen. Beneden in de catacomben hijst Oliver Knussen zich in een zwart pak. Het plafond is er veel te laag, hij kan zich alleen maar met gebogen hoofd door de kleedkamer begeven. Hij vertelt grappen, onderwijl lurkend aan een sigaretje, maar is toch ook zichtbaar gespannen als hij zijn borstel niet kan vinden om zijn haar wat te fatsoeneren. Overal rondom ons riedelen fagotten en klarinetten dwars door elkaar heen fragmenten van de drie stukken die op het programma staan. Verderop zingt mezzo-sopraan Sarah Connolly haar stembanden los met toonladderfiguren.

Als Oliver Knussen even later het podium betreedt en het applaus van het publiek in ontvangst neemt, lijkt het alsof hij zich zo klein mogelijk wil maken. Zijn tred heeft nog het meest van een egel die op hoge poten over een bedauwd gazon trippelt, beducht om zijn buik nat te laten worden. Het ongemak en de schijnbare angst dat de bodem ieder moment onder zijn voeten kan verdwijnen, maakt plaats voor alertheid zodra hij het publiek de rug heeft toegekeerd en zijn gedachten aan het verklanken van de partituur kan wijden. “Concerten interesseren me eigenlijk niet het is zo'n ritueel gedoe.

Wat mij echt boeit is opnames maken, een stuk zo goed mogelijk vastleggen en daar eindeloos aan blijven sleutelen.' Ik merk op dat Reinbert de Leeuw eens precies het tegenovergestelde zei; wat hem betrof mochten cd's gewoon helemaal afgeschaft worden.

“Ja maar Reinbert is een performer, een podiumdier. Ik ben meer iemand die als een filmer monteert, edit en nog eens overnieuw opneemt, om te kijken hoe je een krankzinnige hoeveelheid details naar voren kunt halen. De hoogst mogelijke graad van perfectie, die bereik je toch het meest in de studio. En daarbij, ik heb wel eens wat les op de cello gehad en speel redelijk piano, maar het enige instrument dat ik echt goed bespeel is de recordplayer.'

Hier doet Knussen zichzelf tekort. Zijn uitzonderlijke talent komt live tijdens een concert net zo goed tot zijn recht als bijvoorbeeld op een opname van Carter's Concerto for Orchestra (1969), waarin honderden, zij het onhoorbare edits zijn aangebracht. De afgelopen zomer gaf hij tijdens de Proms-concerten van de BBC een uitvoering van Alexander Skrjabin's Poeme de l'Extase (1908), een monumentaal orkeststuk, dat de verwachting die de titel oproept meer dan waarmaakt. De partituur van dit werk is tevens vergeven van de zachte arpeggio-achtige begeleidingsfiguurtjes, die normaal gesproken nauwelijks waarneembaar zijn en grotendeels in een foezelig klanktapijt verdwijnen. In Oliver Knussen's uitvoering hoor je ze echter allemaal, noot voor noot de ragfijne raderwerkjes die glinsteren als een spinneweb in de ochtendzon. De expressie zit bij Knussen in de precisie, zowel in zijn dirigeerstijl als in zijn eigen composities. Dat vormt het startpunt van waaruit hij een orkest geleidelijk laat opstijgen en uitwaaieren tot extatische proporties.

Het diner achteraf is het onderdeel van het concert-ritueel waar hij zichnog het meeste bij op zijn gemak lijkt te voelen. Enige flessen rode wijn dienen ter compensatie van de tijdens de uitvoering geplengde transpiratie. Nieuwe stukken worden besproken alsmede ideeen voor toekomstige programma's. Deze worden al spoedig gevolgd door een uitwisseling van verhalen uit het muziekcircuit en dan zijn we aanbeland bij het terrein van de silly jokes waar Britten nu eenmaal het patent op schijnen te hebben. Alvorens de clou te verklappen, buigt hij zich licht naar zijn disgenoten toe, spiedt links en rechts over zijn schouder en dempt zijn stemgeluid tot een quasi samenzweerderig gefluister. Na de subtiel geregisseerde onthulling van de punchline, maakt dit het effect van zijn fortissimo bulderende lach des te sterker.