Wat ik nooit hoop te beleven

Wat ik nooit hoop te beleven is een vraaggesprek te hebben, over je nieuwste boek, voor een volle zaal en dat je dan een black-out krijgt.

Dat je een interviewster hebt - laat het een vrouw zijn - die, ter inleiding tot het publiek, zegt niets van jouw boek te hebben begrepen.

Omdat het bijvoorbeeld `te technisch' is. `Een mooi boek, maar ik heb er niets van begrepen.'

Dat men dat moet begrijpen als een bon mot.

Dat dat verkeerd valt bij jou.

Of dat je met z'n tweeen wordt geinterviewd, met een andere man erbij. Bijvoorbeeld eerst hij en dan jij. En dat hij al klaar is en de zaal inkijkt, contact met de zaal heeft. En dat hij en jij aan hetzelfde tafeltje zitten. En dat dit alles op de tv komt, live, zodat het tafeltje erg klein is. Zodat je bijna tegen elkaar aan zit. En dat hij commentaar heeft op jouw antwoorden en leep de zaal inkijkt.

Dat er aldoor gegniffel is in de zaal, om hem. Dat je hem niet vierkant de studio uitsmijt. Dat de interviewster, tijdens jouw antwoord, hem in de gaten houdt. Dat je haar laatste vraag... dat je even niet weet wat je daarop zeggen moet. Niet iets dat de zaal interesseren zal, op dit moment. Dat je jezelf een kloot vindt, dat je dat niet weet. Dat je, om het publiek terug te krijgen, nu gauw iets geestigs moet bedenken. Dat je de tijd neemt. Dat je niet weet wat je nou het beste kunt zeggen.

Dat iedereen wacht op jouw antwoord. Dat het doodstil wordt.

Dat je, diep nadenkend, het ene geestige antwoord na het andere verzint, en verwerpt. Dat je, nog steeds diep nadenkend wacht op de volgende vraag.

Dat de interviewster wacht op je antwoord. Dat je geen antwoord meer hebt.

Dat heel cultureel Nederland zit te kijken. En te wachten. Dat je denkt, in alle kalmte, daar ga je jongen. In de vrije val, voor het oog van heel de wereld.

Dat je dit sneu vindt voor de familie.

Dat de interviewster dan, ten slotte, eindelijk, naar aanleiding van iets, je vraagt of je in het buitenland veel vrienden gemaakt hebt. Dat je denkt, wat heeft dat er nou mee te maken. Dat je dan toch maar ja zegt. Of nee. Of allebei. Of: alleen die mijn boeken lezen. Of juist niet. Dat je dat niet precies weet. Vanwege de vraag.

Dat de interviewster, om je weer op gang te krijgen, zegt dat jouw boek haar deed denken aan de boeken van Voskuil. Omdat het op kantoor speelt. Dat je daarop geestig reageert. Omdat het niet de eerste keer is dat je deze opmerking hoort. Dat het publiek lacht. Dat je ze eindelijk terug hebt. Dat je denkt, laat nu de vragen maar komen.

Dat dan, helaas helaas, de tijd om is. Dat de interviewster om te redden wat er te redden valt, met jouw boek voor de camera staat te zwaaien en roept dat het een heel, heel, heel mooi boek is.

Dat je even later aan een tafeltje met allemaal zwijgende mensen zit uit te blazen van deze krachttoer.

Dat in de tram naar het station je vrouw lachend opmerkt, dat dit nog nooit is vertoond: een volle minuut stilte in prime time.