VS blijven mikken op militaire actie

De Amerikaanse regering blijft aansturen op een militaire actie tegen Irak, zolang het bewind van Saddam Hussein de wapeninspecteurs van de Verenigde Naties hun werk niet laat doen. Washington zegt geen heil te zien in een bemiddelingspoging om de gewapende confrontatie op het laatste moment af te wenden. Over de aard en het tijdstip van een militaire actie laat de regering-Clinton Bagdad, en de rest van de wereld, in het duister tasten.

De Amerikanen hebben deze keer voor een andere aanpak gekozen dan bij eerdere crisissituaties over Irak. Anders dan bij de vorige crisis begin dit jaar, hebben ze nu geen ultimatum gesteld. Minister van Buitenlandse Zaken Madeleine Albright bedient zich deze keer ook minder van openbare dreigementen. Ze lijkt vooral stille diplomatie te bedrijven. In een vraaggesprek met de publieke omroep PBS zei ze gisteravond: “Dit kan niet eindeloos doorgaan. Er zullen nu geen waarschuwingen meer volgen.'

Ook van een poging om de Amerikaanse publieke opinie van de noodzaak van een actie tegen Irak te overtuigen, is voorlopig nauwelijks sprake. In februari ging de regering-Clinton voor het oog van de wereld af, toen de top drie van Clintons veiligheidsadviseurs - Albright, minister van Defensie William Cohen en nationale-veiligheidsadviseur Sandy Berger - tijdens een openbare discussiebijeenkomst werden uitgefloten door tegenstanders van militair ingrijpen.

Het Congres is met reces en bovendien na de verkiezingen van vorige week nog te veel met zichzelf bezig om veel aandacht voor de situatie in Irak te kunnen opbrengen. Alleen de Republikeinse senator Richard Lugar van Indiana drong gisteren aan op een grote militaire actie om het regime van Saddam Hussein omver te werpen. Zijn partijgenoot senator Arlen Specter vroeg de president per brief om het Congres in een speciale sessie bijeen te roepen, voor overleg over de kwestie. Maar het Witte Huis zegt dat dat niet nodig is, en wijst erop dat de president de afgelopen weken regelmatig overleg over Irak heeft gevoerd met de Republikeinse leiders van Senaat en Huis van Afgevaardigden.

Critici hebben de regering-Clinton de afgelopen maanden verweten dat ze de Iraakse ondermijning van de wapeninspecties over haar kant liet gaan.

Maar nu het Witte Huis alsnog op een aanval aanstuurt, wordt die kritiek niet meer gehoord. Wel betogen sommige politici en oud-politici, behalve Lugar ook Paul Wolfowitz, die onderminister van Defensie was tijdens de Golfoorlog, dat een actie tegen Irak niet succesvol genoemd kan worden als Saddam Hussein aan de macht blijft.

Maar de regering-Clinton wekt juist de indruk, meer dan ooit tevoren, dat het haar niet om het ten val brengen van Saddam Hussein te doen is, maar alleen om het ontmantelen van zijn wapens voor massavernietiging. Woensdag waarschuwde Clinton Irak dat de Verenigde Staten bereid zijn om militair op te treden. Maar hij zei ook dat Bagdad er gemakkelijk voor kan zorgen dat de sancties opgeheven worden, door eenvoudig de wapeninspecteurs hun werk te laten doen.

“De president bood daarmee een opening die hij niet eerder had gegeven', zei Charles William Maynes, die onderminister van Buitenlandse Zaken was onder president Carter. Tot dan toe was onduidelijk of de sancties wat betreft de Amerikanen opgeheven konden worden, als Irak volledige medewerking aan de wapeninspecteurs zou geven.

Niemand in Washington lijkt illusies te koesteren dat luchtaanvallen Irak zullen overreden om de samenwerking met de wapeninspecteurs te hervatten. “Saddam veranderde zijn gedrag zelfs niet in 1991, toen we een veel grotere aanval tegen hem ontketenden dan wat nu waarschijnlijk is', zei Brent Scowcroft, die tijdens de Golfoorlog de nationale-veiligheidsadviseur was van president Bush. “Clinton bevindt zich in een penibele situatie.'