Trouw, tam en getemd

Er zijn twee soorten dieren: wilde en tamme. Dat klinkt als biologie voor de kleuterschool. Toch is het geen onzin. Het verschil tussen wilde en gedomesticeerde dieren is groter dan men op grond van biologische verwantschap zou verwachten. Dat dit onderscheid in de biologie niet of nauwelijks wordt gemaakt zegt waarschijnlijk meer over biologen dan over huisdieren.

Gedomesticeerde dieren onderscheiden zich van hun wilde voorouders niet alleen door oppervlakkige uiterlijke kenmerken, zoals lichaamsgrootte, kleur en dichtheid van de vacht, en vooral ook de mogelijke variatie daarin. Ook meer fundamentele lichamelijke eigenschappen als de stofwisseling blijken soms sterk gewijzigd. En niet te vergeten, gedrag en temperament. `Tamheid' is niet gewoon het gevolg van gewenning aan mensen, maar van een andere psychische constitutie. Met andere woorden, een tam dier is niet gewoon een getemd wild dier.

De afwijkende psyche van huisdieren lijkt er op neer te komen dat de dieren minder gevoelig zijn voor prikkels van buiten. Hun besef van de omgeving is als het ware afgestompt. Dat betekent niet alleen dat zij braaf met zich laten sollen door hun bazen en doodgemoedereerd blijven in situaties waarin een normaal dier van stress acuut zou bezwijken. Het geldt ook de sociale interactie van dieren onderling. Deze is in het algemeen minder ingewikkeld geworden. Mede daardoor kunnen sommige van deze dieren in onnatuurlijk grote kuddes gehouden worden. Wel neemt de seksuele activiteit toe. Deze is bovendien niet meer aan de bronsttijd gebonden, maar vindt het hele jaar door plaats. Dit hangt samen met de algehele achteruitgang van de betekenis van het ritme van dag en nacht of van de seizoenen, die ook blijkt bij melk geven of eieren leggen.

Huisdieren bewonen niet alleen een aparte, door de mens gecreeerde ecologische niche. Zij zijn daaraan ook in biologische zin aangepast. Het is deze aanpassing die volgens Achilles Gautier een dier tot `huisdier' maakt. (Met deze term bedoelt hij dus alle gedomesticeerde dieren en niet alleen die voor de huiskamer.) In deze zin zijn rendieren en alpaca's huisdieren, hoewel ze op grotendeels natuurlijke wijze in hun eigen onderhoud voorzien.

De werkolifanten in India zijn dat niet. Zij worden in het algemeen als jong in het wild gevangen en afgericht en er wordt nauwelijks mee gefokt.

Domesticatie is daarmee een twee-richtingsverkeer. Het is een algemeen erkend feit dat de menselijke samenleving ingrijpend is gewijzigd door de uitvinding van de veeteelt aan het begin van het neoliticum, maar wat dit voor de dieren zelf heeft betekend is een vraag die minder gesteld wordt. Het is echter evenveel de geschiedenis van dieren als die van mensen.

Varkensbotten

De studie van geschiedenis van de domesticatie is recent opgekomen en bleef tot voor kort vooral beperkt tot de Duitstalige wereld. Het onderzoek baseert zich grotendeels op paleontologisch en archeologisch materiaal. Ook Gautier, de schrijver van het hier besproken boek is paleontoloog, verbonden aan de universiteit van Gent. Zijn boek is eerst in een Franse versie verschenen.

Tot Gautiers vak behoort het om te beslissen of een paar varkensbotten die worden opgegraven in een prehistorische nederzetting nu van een wild zwijn, dan wel van een huisvarken afkomstig zijn. Bij deze benadering krijgt het dier vanzelf een centrale plaats. Natuurlijk wordt de menselijke inbreng in het boek niet vergeten, maar ook hier verloochent de achtergrond van de auteur zich niet. Hij weet te goed hoe gebrekkig het empirische materiaal is dat de verschillende theorieen die over de oorsprong van de `neolithische revolutie' zijn gelanceerd moet ondersteunen. Hij behandelt die theorieen dan ook met gezonde scepsis.

De grote lijnen van het domesticatieproces zijn vanuit het archeologische materiaal niettemin duidelijk. De eerste grote golf van domesticatie vond plaats in het Nabije Oosten, ergens rond 7000 - 6000 voor onze jaartelling.

In deze tijd werden het rund, het schaap, de geit, en het varken als huisdier ingevoerd. In de millennia daarna werden ook allerlei andere dieren tot huisdier gemaakt. Een van de laatste aanwinsten is het konijn, dat in de middeleeuwse kloosters zou zijn gedomesticeerd. In recente tijd zijn er met allerlei andere diersoorten domesticatie-experimenten ondernomen, niet altijd met evenveel resultaat.

Slechts een huisdier is aanzienlijk ouder dan alle andere en dat is de hond. De eerste aanwijzingen voor honden, dat wil zeggen gedomesticeerde wolven, stammen van de de jager-verzamelaars van Europa en Azie van rond 12000 voor Christus. Het is overigens volstrekt onduidelijk wat voor een nut de mensen van de steentijd hadden van deze `huisdieren'. Populaire theorieen willen dat zij met honden werkten tijdens de jacht, maar daar is in wezen geen enkel bewijs voor. Waarnemingen aan jager-verzamelaarvolkeren in onze eigen tijd kan die veronderstelling ook niet aannemelijk maken. De Australische inboorlingen sturen hun dingo's juist weg wanneer ze op jacht gaan. Jachthonden vinden we pas sinds de jacht vooral een vrijetijdsbesteding van de elite is geworden; dat is ook al sinds zo'n slordige 5000 jaar.

Dit boek bevat voer voor cultuurpessimisten die op zoek zijn naar een passende biologische metafoor. Een aantal jaren geleden was de vergelijking populair van de massasamenleving met overvolle rattenkolonies, waar gefrustreerde individuen elkaar naar de keel zouden vliegen. Inmiddels is aangetoond dat dit soort vergelijkingen nergens op is gebaseerd. Maar kunnen we de maatschappij niet beter vergelijken met een hok vol makke schapen?

Aanpassing

Verschillende onderzoekers uit het verleden is de overeenkomst opgevallen tussen de kenmerken van huisdieren en die van mensen.

Zij lanceerden de theorie dat de moderne mens zijn trekken zou hebben gekregen dank zij een soort `zelfdomesticatie'. Gautier moet hier weer weinig van hebben. Ongetwijfeld heeft hij gelijk, vooral voor zover deze theorieen het ontstaan van de mens willen verklaren. Het valt moeilijk vol te houden dat mensen tamme, gedegenereerde apen zijn. Dat neemt niet weg dat de beschouwingen over domesticatie vragen kunnen oproepen over de gevolgen die veranderende ecologische omstandigheden kunnen hebben binnen de menselijke soort. Het vreedzaam samenleven van mensen in grote gemeenschappen vereist tenslotte eigenschappen die deels met die van huisdieren overeenkomen. De vraag is of bij een dergelijke aanpassing aan ons huidige milieu onbedoeld ook andere eigenschapen bij de koop zijn inbegrepen.

Natuurlijk gaat de parallel mank. Mensen leven nog altijd in een aanzienlijk gecompliceerdere wereld dan huisdieren. Bovendien vindt er geen bewuste selectie plaats in de vorm van een fokprogramma. Niettemin is het merkwaardig dat moralisten en cultuurpessimisten niet meer naar huisdieren hebben gekeken. Er is vaak gejammerd over het verval dat het grootsteedse bestaan meebrengt in vergelijking met het `eenvoudige leven' op het platteland. Onze positie ten opzichte van de `edele wilde' is vaak beschreven in termen van degeneratie en decadentie. Zelden echter heeft men een vergelijking getrokken met domesticatie. Gaat dit zelfs de meest doorgewinterde pessimist te ver?