Thomas Mann: Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918

Thomas Mann: Betrachtungen eines Unpolitischen

Deze zeshonderd bladzijden tellende verdediging van de geliefde Duitse natie verscheen op een merkwaardig tijdstip. In 1918, het laatste jaar van de Eerste Wereldoorlog, keek Duitsland de militaire nederlaag recht in het aangezicht. Het was nauwelijks nog opgewassen tegen de Westerse alliantie die dankzij de interventie van de Verenigde Staten belangrijk was versterkt. Maar juist op dat moment van diepe crisis was een gepassioneerde apologie volgens Thomas Mann op z'n plaats.

Vier jaar eerder had hij, evenals het gros van zijn landgenoten, het uitbreken van de oorlog verwelkomd als een ontsnapping aan de gezapige vrede die volgens hem gebouwd was op een allesoverheersende zucht naar materieel comfort. Allen verlangden naar oorlog, hetgeen volgens Mann het verheugende bewijs was dat de Duitsers niet alleen maar in veiligheid en economische vooruitgang waren geinteresseerd.

In de Betrachtungen verdedigt hij niet het politieke optreden van zijn regering, maar de Duitse ziel die door en door a-politiek, want esthetisch is. Dit `Wesen' kwam niet alleen tot uitdrukking in de onbaatzuchtige geestdrift die het begin van de oorlog had losgemaakt, maar meer nog in een romantische kunst- en cultuuropvatting die beheerst werd door het besef dat de mens is gedoemd tot de ondergang, maar juist in die bedreigde hoedanigheid een grootse allure kan aannemen.

Vooral Schopenhauer, Wagner en Nietzsche waren voor Mann de grote voorbeelden die in hun werk aan deze levenshouding gestalte hadden gegeven. De Eerste Wereldoorlog was in zijn ogen een strijd op leven en dood tegen een Westers blok dat dit Deutschtum wilde vernietigen. Amerika, Engeland en vooral Frankrijk waren de vertegenwoordigers van een rationele wereldbeschouwing. Volgens het democratisch-materialistisch optimisme van deze naties was de politiek een praktisch instrument om de vooruitgang te dienen. Dit utilitair-staatkundige denken had het volgens Mann op de Duitse geest voorzien. Democratische politiek paste niet bij de Duitse levenshouding die, zo citeert hij Dostojevski, anti-Westers is.

Duitsers zijn een metafysisch ingesteld volk, staan in dat opzicht dicht bij de Russen, en moeten het Westen op afstand houden om hun eigen karakter te kunnen bewaren.

Het nuttigheidscredo van de democratie is, zo beklemtoont Mann in zijn boek keer op keer, niet te combineren met een cultuur die in de schepping van een kunstwerk, als `Zweck seiner Selbst', de hoogst denkbare opdracht ziet. De verlichte dictatuur van de Wilhelminische Obrigkeitsstaat paste Duitsland volgens zijn overtuiging dan ook beter dan een democratisch systeem.

In de Betrachtungen wijdt hij zich echter niet alleen aan een gedreven verdediging van het Duitse volkskarakter, maar ook aan een literair zelfonderzoek. Zijn eerbetoon aan de Duitse cultuur is tegelijk een rechtvaardiging van zijn eigen werk. Dit lange essay verscheen tussen zijn belangrijkste romans Buddenbrooks (1901) en Der Zauberberg (1924) in. Deze beide werken hebben als thema de ondergang. `Verval van een familie', luidt de ondertitel van Buddenbrooks en in Der Zauberberg kan de dromerige en gevoelige Hans Castorp zich niet losmaken van het op de `toverberg' gelegen sanatorium waar de dood zich dagelijks manifesteert, maar de huiveringwekkende werkelijkheid van de alledaagse wereld (`beneden hangt een wrede atmosfeer') op afstand kan worden gehouden.

Thomas Mann wilde in zijn literaire werk de menselijke zwakte tegelijk heroiseren en ironiseren, schreef de literatuurhistoricus Hans Mayer in zijn mooie opstel `Zur politischen Entwicklung eines Unpolitischen'. Als ode aan het pessimisme en de decadentie kunnen de Betrachtungen worden opgevat als een poging het menselijke bestaan te verdedigen tegen de almachtige pretenties van de politiek. De verheerlijking van een natie die in 1918 worstelde tegen de dreigende ondergang, was voor Mann tegelijk een eerbetoon aan de ervaringswereld die in zijn beste romans zo indrukwekkend tot leven komt.

Toch zou het onjuist zijn dit boek, dat vooral dankzij zijn literair-culturele strekking nog altijd boeiende leeststof biedt, als een louter letterkundige tekst op te vatten. Twintig jaar nadat het was verschenen, in 1938, schreef de Franse Germanist Edmond Vermeil dat de Betrachtungen door hun nationalistische inslag mede het fundament hadden gelegd, naast het werk van bijvoorbeeld Von Salomon, Spengler en Junger, voor het Duitse revanchisme. Ook de belangrijkste biograaf van Mann, Klaus Harpprecht, meent dat diens beschouwingen hebben bijgedragen aan de haat en het ressentiment tegen de Westerse democratieen waarvan Hitler later kon profiteren.

Dat oordeel lijkt streng, want Mann kwam al binnen enkele jaren na de publicatie van de Betrachtungen terug van zijn anti-Westerse en antidemocratische belijdenis. In zijn rede `Von deutscher Republik' (1922) sprak hij zijn steun uit aan de Weimardemocratie, die in 1933 ten onder zou gaan. Mann verliet dat jaar Duitsland en bleef zich tijdens zijn ballingschap in woord en geschrift tegen het nationaal-socialisme keren. Tegelijkertijd valt op hoezeer zijn politieke steunbetuigingen aan de democratie bleven samengaan met ondubbelzinnige uitingen van literaire trouw aan de Duits-romantische ondergangsstemming die volgens de Betrachtungen onverenigbaar was met een democratische levenshouding. Ook in de romans Joseph und seine Bruder (1933-1943) en Doktor Faustus (1947) blijft Mann zich gefascineerd tonen door het verval en de decadentie die hij als de essentie van het menselijke bestaan beschouwt.

De behoefte om de wereld van de gevoelservaring en de geestelijke verfijning af te schermen tegen de politieke werkelijkheid: deze drijfveer bracht Mann in 1918 tot zijn aanval op democratie en maakte hem enkele jaren later tot een aanhanger van diezelfde democratie.

Na de Eerste Wereldoorlog besefte hij al snel dat deze massaslachting niet op een bevrijding was uitgelopen, maar op een stemming waarin een mensenleven nog maar heel weinig waard was. Vooral de extremistische ideologieen die in opkomst waren (fascisme communisme, nationaal-socialisme) exploiteerden dit klimaat. Het politieke leven in Europa kwam in de greep van een terreur die tenslotte in de Goelag en Auschwitz haar voltooiing vond.

De schrijver van de Betrachtungen begreep al enkele jaren na de publicatie van dit boek dat de artistieke waarden die hij tegen het gevaar van de democratie in bescherming had willen nemen, tegenover het aanstormende radicalisme alleen nog binnen een democratisch kader overlevingskansen hadden. Zijn politieke bekering was een logische consequentie van de noodzaak trouw te blijven aan het literaire universum dat niet alleen in zijn romans maar ook, zij het niet in de vorm van fictie maar van beschouwing, in de Betrachtungen zo schitterend wordt opgeroepen.