Theaterman in meer dan een betekenis; Richard Brinsley Sheridan (1751-1816)

Behalve als geschiedschrijving laten de beste biografieen zich lezen als studies in mensenkennis: hoe complexer hoe liever. Wanneer iemand bijna 200 jaar dood is, zoals Sheridan, doet het er weinig meer toe of hij objectief een goed mens genoemd kon worden en subjectief aardig. Wat de lezer moet ontdekken is hoe hij in zijn tijd zijn talenten heeft weten te benutten en wat hij eraan beleefde. Het oordeel kan niet meer zijn dan een nawoord bij het drama van leven en dood.

Wel zijn sommige drama's ordelijker samen te vatten dan andere. Het leven van Richard Sheridan (1751-1816) is weerbarstig. De voornaamste prestaties zijn de toneelstukken die hij schreef toen hij even in de twintig was: The Rivals en School for Scandal. In de loop van zijn resterende veertig jaar heeft hij een paar minder opmerkelijke werken geschreven en was hij directeur en gedeeltelijk eigenaar van het Drury Lane Theatre. Een theaterman dus, maar in meer dan een betekenis. Het toneel waar hij het overgrote deel van zijn tijd en zijn ambitie aan besteedde was dat van de politiek: het Lagerhuis.

Om zich in zijn laatste uren geslaagd te voelen als politicus had hij eens lid van een regering geweest moeten zijn. Zijn moment leek aanstaande toen George III in 1810 wegens krankzinnigheid op non-actief gesteld werd. De vijftigjarige Prins van Wales, die het regentschap ging vervullen, had zich altijd als vriend van de Whig-partij voorgedaan en een tijd lang Sheridan als vertrouwelijk adviseur behandeld. De verwachting bestond dat hij de Whigs aan de macht zou brengen. Hij stelde teleur. Hij werd voorzichtig toen hij het voor het zeggen had.

Sheridans laatste jaren verliepen ook in andere opzichten slecht. Het Drury Theatre, waar het grootste deel van zijn geld in zat, brandde af in 1809, met een schitterend vuur dat Londen bij nacht tot in de verte verlichtte. Daarna bleef hij voorgoed in de geldnood die hij al eerder gekend had maar nooit zo drukkend. Dat hij niet meteen opgepakt werd en in een debtors' prison gezet, dankte hij aan zijn positie als Lagerhuislid.Toen het daarmee misging - door verwikkelingen bij zijn poging om de aanzienlijkste zetel van alle te winnen, die van Westminster - werd hij twee keer een tijdje opgesloten.

In het jaar voor zijn dood kwamen de deurwaarders bij hem het meubilair uitdunnen. In de ziekte van zijn laatste zes maanden verzorgde zijn tweede vrouw, die zelf aan kanker leed, hem zo goed mogelijk. Verder leek Engeland alle belangstelling voor hem verloren te hebben.

Na zijn dood sloeg de stemming om en kreeg hij meteen erkenning. Een keur aan edelen en twee leden van het Koninklijk Huis begeleidden zijn begrafenisstoet naar Westminster Abbey. Het werd een bijzondere dag voor Londen; er was een aanzienlijke Engelsman gestorven. Dat men het daarover eens was kwam niet door zijn werk als toneelschrijver en schouwburgdirecteur. Zijn roem dankte hij in overeenstemming met zijn eigen opvatting aan zijn redenaarschap, in een tijd dat dat gewaardeerd werd in de politiek. Pitt en Fox en Sheridan waren de grote Engelse parlementariers in de Napoleontische oorlogsjaren. Als hij in topvorm was epateerde Sheridan vriend en vijand met zijn vermogen om niet alleen een betoog van een uur vorm te geven, ook zijn expressie en mimiek er zo bij te beheersen dat ze zijn bedoeling steunden of voor zichzelf lieten spreken. Een uur was niet eens zijn limiet. Bij de berechting van Warren Hastings door het Lagerhuis, wegens omkoping en afpersing in zijn functie als gouverneur-generaal van India, hield hij de toehoorders vier-en-een-half uur in zijn ban. En dat was nog maar het eerste deel van zijn pleidooi. Toen de jonge dichter Byron lijsten opstelde van de grote mannen die hij zich tot voorbeeld gesteld had stonden onder het hoofd `Welsprekendheid': Demosthenes, Cicero Quintilianus en Sheridan.

Intussen gaf het priveleven van deze figuur een indruk van wanorde zonder rustpunten.

De concrete illustratie daarvan was zijn werkkamer, waar papieren, manuscripten pamfletten en brieven (`sommige met kroontjes op het zegel') door elkaar lagen. Er was meestal ook geen orde en regelmaat te onderscheiden in zijn liefdes, vriendschappen, familierelaties, toneelbeleid, uitgaansleven en politieke onderhandelingen; iedere dag was overbelast en onberekenbaar. Een van de weinige ervaringen van bezinning die hij zelf genoteerd heeft was een mismoedige, toen zijn eerste vrouw stervende was aan tuberculose: `Night Silence Solitude and the Sea combines will unhinge the cheerfulness of anyone...', een tekst om niet te vergeten.

Dat Sheridan geen rust in zich had kan ten dele verklaard worden. Als kind was hij lange tijd door zijn ouders achtergelaten: in Ierland waar hij geboren was en vervolgens in Engeland, terwijl zij in Frankrijk woonden met zijn oudere broer die zij een beter geslaagde jongen vonden. Toen hij na zijn vroege toneelsuccessen een carriere in het parlement wilde beginnen moest hij in de achttiende-eeuwse wereld van vriendjespolitiek vooruitkomen zonder sociale status (zijn vader was maar een theaterman) en zonder fortuin. Twee wankele uitgangspunten.

De enige vaste grond, die Sheridan onder de voeten voelde, was Ierland. Tot het laatst toe, ook toen het hem in de politieke verhoudingen onbruikbaar maakte, bleef hij de Ierse vrijheidsbeweging steunen. In verband daarmee bleef hij voorstander van de katholieke emancipatie. Het was niet alleen een principele, maar ook een emotionele keus. Op zijn achtste jaar had hij Ierland voor het laatst gezien, maar hij bleef het beschouwen als zijn vaderland, of misschien beter gezegd, als zijn bijzondere zorgenkind.

Het was zijn enige onverbrekelijke relatie.

In veel opzichten blijft Sheridan ongrijpbaar, en dat was ook zijn bedoeling. Haast niets van zijn werk zijn toneelstukken, pamfletten en redevoeringen, heeft hij zelf in druk laten verschijnen. Er kwamen wel piratenuitgaven van; dat kon hem niet schelen. De vaste gedrukte vorm was voor hem niet het ware werk: hij geloofde in het gesproken woord, altijd tot het laatst toe te veranderen en na afloop verdwenen. Verscheidene tijdgenoten hebben de merkwaardigheid van zijn uiterlijk beschreven: een bevallig gebogen voorhoofd en tintelende sprekende ogen, daaronder een slecht gevormde onaangename mond. Twee helften van Sheridan. De onregelmatigheid van zijn leven wordt op sommige punten weerspiegeld door het boek van Fintan O'Toole, zijn Ierse biograaf. Een strengere vorm zou welkom geweest zijn. Toch moet toegegeven worden dat het in deze gedaante bij Sheridan past en dat het de aandacht van de lezer beloont met een veelheid van indrukken en waarderingen.