Noorderlingen in Italie

In de jaren zeventig van de vijftiende eeuw moet de Groninger humanist Rudolf Agricola diepe indruk hebben gemaakt in de Noord-Italiaanse universiteitsstad Pavia. In Groningen deed althans later het verhaal de ronde dat Agricola's welsprekendheid in het Latijn grote verbazing bij zijn Italiaanse toehoorders wekte. Die zagen in Agricola een exotische figuur, afkomstig uit de barbarij aan de rand van de wereld.

De verbazing werd nog versterkt door het epiteton `Phrisius' (Fries) waarmee Agricola zich, zoals veel intellectuelen uit het noorden van de Nederlanden tooide. Die benaming werd verkeerd begrepen als `Phryx' (Frigier), wat het in de ogen van Italianen nog opmerkelijker maakte dat deze buitenlander het Latijn zo excellent, ja beter dan de Italiaanse redenaars zelf, beheerste.

Deze anekdote is een van de weinige voorbeelden van een specifieke rol die de geografische herkomst van een Noord-Nederlander speelt in diens wederwaardigheden in Italie. Uit twee bundels die verschenen bij de tentoonstelling In het spoor van Italie in het Fries Museum te Leeuwarden (tot 29 november), blijkt dat geleerden en kunstenaars uit Friesland en Groningen in de loop der eeuwen Italie hebben bereisd, maar van grote verschillen met reizigers uit andere streken van de lage landen lijkt geen sprake. Slechts af en toe duikt in hun geschriften het land van herkomst op, en dan alleen als referentiepunt. Zo brengt de Groninger landjonker Gerard Horenken omstreeks 1680 een bezoek aan de stad Lucca, waarvan de fortificaties hem aan die van Groningen doen denken. En een zekere Wicher Pott veronderstelt in 1686 dat de koepel van de Sint-Pieter in Rome wel zo hoog is als de Martinitoren in zijn geboortestad.

Gedeelten uit de reisverslagen van Horenken en Pott zijn opgenomen in Frisia & Italia. Als uitgangspunt van deze bundel dienen, zoals de ondertitel het noemt, `de rijke verzamelingen en archieven in Noord-Nederland'. Het materiaal over Italie-reizigers dat daar wordt bewaard is door verschillende auteurs op zeer uiteenlopende manieren verwerkt. Vrijblijvende bloemlezingen uit reisverslagen en correspondentie wisselen af met beschrijvingen van de reizigers zelf en hun ervaringen. Andere bijdragen zijn meer synthetisch van aard en daardoor lezenswaardiger, maar gaan het eigenlijke onderwerp van de bundel weer ver te buiten. Een artikel bijvoorbeeld over het muziekleven in Italie gezien door de ogen van negentiende-eeuwse reizigers, laat bepaald niet alleen Friezen en Groningers aan het woord. En de bijdrage over de francaise Louise Colet die zich omstreeks 1860 bewoog in kringen van revolutionairen van het Risorgimento kent een wel heel dunne rechtvaardiging in het feit dat de Provinsjale bibliotheek fan Fryslan een exemplaar van Colets boek L'Italie des Italiens bezit.

Meer samenhang vertoont Ziedaar Italie! De samenstellers van deze bundel hebben geprobeerd een overzicht te geven van Friezen en Groningers die vanaf de vijftiende eeuw in Italie zijn geweest. De meeste bijdragen beperken zich tot het beschrijven van de reis en de bijzonderheden die zich daarop voordeden, aan de hand van reisverslagen, dagboeken of correspondenties. Zo is er een uitvoerig artikel over ene Adriaan Gilles Camper, die in 1787-1788 door Italie reisde, vooral op zoek naar mineralen en fossielen. De wat opsommende bijdrage laat zien waar Camper zoal is geweest, wat hij daar uitvoerde en wie hij ontmoette.

De aardigste passages zijn die waarin Camper op een onverwachte manier wordt beschreven door Goethe, die hem in Rome meemaakte. Adriaan Gilles komt daaruit naar voren als een wat pedante geleerde, snel van begrip, maar zonder veel diepgang.

De teksten voegen in het algemeen niet zo veel toe aan het bestaande beeld van kunstenaars en intellectuelen op studiereis en Grand tour naar Italie. Ziedaar Italie! levert wel een paar aardige smaakmakers op. Zo is de bijdrage van Ellen Rombout over de betrekkingen van Johan Huizinga met de econoom Luigi Einaudi geillustreerd met een foto waarop Einaudi poseert in de tuin van Huizinga's buiten Toornvliet. Je vraagt je af wat de latere president van Italie, door Huizinga getypeerd als `een naieve en goedhartige', daar behalve het gezelschap van zijn geleerde vriend, zocht.

Uit de beschrijving die Kees van der Ploeg geeft van de Italiaanse ervaringen van de Groninger schilder Johan Dijkstra, blijkt dat deze nauwe contacten onderhield met de archeoloog Ranuccio Bianchi Bandinelli, die in de jaren dertig korte tijd hoogleraar in Groningen was. In een van zijn, in Italo-Duits gestelde, brieven aan Dijkstra beschrijft Bandinelli de weerzin die hem vervult bij het vooruitzicht zijn geboortestad Siena te moeten verruilen voor het hemelsbreed zo'n 100 kilometer verderop gelegen Pisa: `Aber dort wohnen? Mi vien da vomitare, so ein Nest, so ausgestorben ist es dort'. Ook dit maakt nieuwsgierig naar Bandinelli's ervaringen in Groningen dat voor veel Italianen nog steeds aan de rand van de beschaafde wereld ligt.

Een grotere nadruk op het tweerichtingsverkeer had misschien antwoord kunnen geven op de vraag die Rudolf Agricola zich, na terugkomst uit Italie vertwijfeld stelde: `Waarom zouden de Muzen zich zo'n geweldige inspanning getroosten dat ze helemaal van de Parnassus naar Friesland zouden reizen?'.