Monumenten tegen het vergeten; Franse literaire prijzen

Geschiedenis en Azie, dat zijn trefwoorden in de drie romans die vorige week werden bekroond door de jury's van de prix Femina, de prix Medicis en de Grand Prix du Roman de l'Academie francaise. Het is alsof de juryleden zich vooral niet wilden branden aan de literaire polemiek van dit najaar, rond de nieuwe romans van Michel Houellebecq en Virginie Despentes. `De rentree was spectaculair en overdonderend', zegt Mona Ozouf, jurylid van de prix Femina, `Sommige auteurs zochten bewust de provocatie, waardoor er een schandaalsfeer ontstond. Niemand binnen onze jury vond dat werkelijk de moeite waard. Wij hebben pittig gediscussieerd over Sans moi van Marie Desplechin en La seiche van Maryline Desbiolles, beide uitstekende boeken. Uiteindelijk won bij de stemming Francois Cheng, vooral vanwege de ongelofelijke weg die die man heeft afgelegd en vanwege zijn fascinerende blik op de natuur - die van een schilder'.

Francois Cheng (70) is Chinees van geboorte, maar koos in 1971 voor de Franse nationaliteit en voor een Franse voornaam. Hij doceerde tot voor kort klassieke Chinese literatuur aan het `Institut national des langues et civilisations orientales' in Parijs, publiceerde gedichten en schreef essay-bundels over poezie en schilderkunst. Werk van grote Franse dichters als Baudelaire, Apollinaire en Char werd door hem in het Chinees vertaald terwijl hij de Fransen inwijdde in de subtiliteit van de Chinese schilderkunst.

Le dit de Tianyi, Chengs eerste roman, zou je kunnen beschouwen als zijn intellectuele autobiografie. Hoofdpersoon in het boek is de schilder, denker en intellectueel Tianyi, die ongeveer Chengs levensloop heeft. Als vijfjarig jongetje, zo verhaalt het boek, antwoordde Tianyi op de klagende roep van een vrouw die rouwde om haar echtgenoot waardoor diens zoekende ziel zich in zijn lichaam nestelde en hij - volgens het bijgeloof - werd veroordeeld tot een dolend bestaan. Na de dood van zijn vader, die kalligraaf was, ontvluchtte Tianyi in 1937 met zijn moeder het binnenvallende Japan. Hij volgde zijn roeping, de schilderkunst, en tien jaar later verliet hij China om in Europa verder te studeren. Door de politieke situatie in zijn vaderland werd hij een balling in Europa. Geruchten over de dood van zijn boezemvriend (l'Ami) drijven Tianyi toch terug naar China, waar hij hoort dat zijn grote liefde (L'Amante) zelfmoord heeft gepleegd. Wat volgt is de zoektocht naar zijn vriend - een verschrikkelijk relaas over gevangenschap en heropvoedingskampen tijdens de Culturele Revolutie. Nooit echter wordt de hoop helemaal opgegeven: naar Oosterse overtuiging zal le souffle de vie onherroepelijk terugkeren.

Le dit de Tianyi is, zoals de titel al aangeeft, een vertelling in de Aziatische traditie van lange epische verzen, waarin het lot van uitzonderlijke helden bezongen wordt. Wat vooral indruk maakt is Tianyi's serene houding in de meest ellendige omstandigheden, zijn gedachten over poezie, zijn initiatie in de schilderkunst en zijn onthechtheid, wars van Westers materialisme. Soms doceert Tianyi wat te uitdrukkelijk of te lang over de Chinese esthetica over de spirituele weg naar onthechting, evenwicht en de principes van yin en yang. Dan weer analyseert hij door een fijngevoelige Chinese bril schilderijen van Rembrandt, Van Gogh of Vermeer, terwijl hij en passant de existentiele ontreddering beschrijft die hem overviel tijdens een stortbui op de afsluitdijk.

`Het Westen denkt alleen in termen van vol, rijk en substantieel,' aldus de schrijver in een recent interview ``China heeft meer vertrouwen in leegte, in een ademtocht. Het Westen is gevoelig voor de zon, verblindend licht, China houdt van de maan, van het licht dat 's nachts verschijnt.'

Minder spiritueel, maar net zo lyrisch en veelomvattend is Le loup mongol van Homeric, die voor zijn roman de prix Medicis kreeg. Homeric is het pseudoniem van Frederic Dion voormalig jockey, auteur van een aantal boeken over paarden en tegenwoordig hippisch journalist bij dagblad Liberation. Zijn pseudoniem is niet alleen de naam van een paard dat jaren geleden in Parijs een belangrijk concours won, maar ook een eerbetoon aan Homerus, `die in de Ilias en de Odyssee voor het eerst paardenrennen beschreef en daarmee de eerste hippische verslaggever werd', aldus de gelauwerde auteur.

Paarden spelen een grote rol in de veroveringstochten van Gengis Khan (1167-1227), de stichter van het Mongoolse Rijk, dat liep `van de Zwarte tot aan de Gele Zee en van Peking tot aan de Wolga'.

In Le loup mongol vertelt de boezemvriend van Temudjin, de latere keizer der Mongolen, hoe deze in twintig jaar tijd de elkaar bestrijdende Mongoolse stammen onder zijn banier verenigde en een machtig wereldrijk opbouwde. Als jongens sloten ze vriendschap - beiden berooid, dapper, nobel van karakter en vol edele idealen. Een vriendschap die, hoewel met bloed bezegeld, niet bestand bleek tegen de loop van de geschiedenis.

De eerste helft van het boek - het boeiendste deel - ademt spanning, avontuur en jeugdig enthousiasme. Mythen en legendes geven kleur aan het tijdsbeeld: mongolen dienen bijvoorbeeld op te passen voor de verlokkingen van l'esprit de la foret (de geest van het woud). Hun ras is ontstaan door de paring van le loup du lac bleu (de wolf van het blauwe meer) met la biche fauve (de wilde hinde).

Met een overdaad aan beelden en anekdotes schetst Homeric het leven van de nomadische Mongolen in de twaalfde eeuw: de rivaliteit tijdens de jacht, de ontberingen tijdens het reizen, de onderlinge wreedheid en de gewelddadige afrekeningen, in een maatschappij waarin het recht van de sterkste gold en waarin vrouwen minder waard dan een paard, zonder plichtplegingen door mannen werden ontvoerd.

De integere Temudjin, uitgeroepen tot Gengis Khan, bleek niet bestand tegen de verlokkingen van de macht. Nadat de held zijn principes en zijn boezemvriend verloochend heeft, blijft er van de intrige weinig meer over dan een reeks strategische veroveringen, culminerend in een liefdesdrama. Haat en liefde, trouw en verraad zijn de thema's die aan dit historisch epos een menselijke dimensie geven. Le loup mongol is een goed gedocumenteerde avonturenroman, die soms doet denken aan het verteltalent en de historische vergezichten van de Frans-Libanese schrijver Amin Maalouf, dan weer aan de avonturenromans van Karl May.

Vergeleken bij de epische fresco's van Cheng en Homeric, hun uitbundige taalgebruik en hun overvloed aan details, ontroert de roman van Anne Wiazemsky, bekroond met de Grand Prix de l'Academie francaise door zijn soberheid, zijn eenvoud en zijn suggestieve kracht. Bij Wiazemsky komt de lezer op adem, is er ruimte voor de eigen fantasie, voor een eigen interpretatie. Als voormalig film- en toneelactrice weet deze ex-echtgenote van Jean-Luc Godard beter dan wie ook dat je met `een handvol mensen' beter en directer je publiek kunt bespelen dan met een leger aan personages en intriges.

Hoewel ook haar vijf eerdere romans grotendeels autobiografisch zijn (onlangs verscheen Liefdesliederen bij de Arbeiderspers), is Une poignee de gens het eerste boek over de Russische afkomst van de schrijfster. Net als de vertelster in haar boek, wist Wiazemsky weinig over haar Russische voorouders, die in 1919 Sint-Petersburg ontvluchtten. Zij huldigde het principe van haar vader die, eenmaal in Frankrijk aangekomen, nooit naar het verleden keek, maar alleen naar de toekomst. `Ik heb een vreselijke hekel aan de uitdrukking ``op zoek naar je wortels' ', aldus de vertelster, `ik wilde ze zelf bedenken, in mijn eigen grond. Mijn wortels, die zou ik in mijn werk wel vinden.' Op een dag kreeg ze een dagboek in handen, bijgehouden door een haar onbekende oudoom tot op het moment waarop hij werd vermoord: le livre des destins. Door het dagboek raakt zij alsnog gefascineerd door haar verleden.

Tussen de dagboekfragmenten door vlecht Wiazemsky het verhaal van een jong stel dat, aan de vooravond van de Revolutie, de scepter zwaait over Baigora, een van Ruslands rijkste landgoederen. Hij is het prototype van de verlichte aristocraat, zij heeft weinig op met de voorraadkelder en de linnenkast en wijdt zich liever aan literatuur en muziek.

Aan kleine veelzeggende dingen - een vernielde roos, een boze blik van een ondergeschikte - valt de broosheid van hun bestaan af te leiden. Nauwelijks twee jaar later vallen deze mensenlevens ten prooi aan de wervelwind van de geschiedenis. Naarmate de gebeurtenissen dramatischer worden, wordt Wiazemskys toon neutraler, afstandelijker - een beproefd procede dat een duidelijk appel doet op de lezer. Van de moord op haar oudoom wordt verslag gedaan in de ambtelijke taal van een lokaal rechterlijk rapport, als ware het een tekst uit het Joegoslavie-tribunaal.

Uiteindelijk besluit de vertelster een reis te ondernemen naar het landgoed van haar voorouders. Ze treft er niet veel meer aan dan ruines van wat eens de kerk was. Het huis is verdwenen, het bos eromheen gekapt. `Om puur esthetische redenen', luidt het commentaar van de gids. Het had een haar gescheeld of niemand had meer kunnen getuigen van `de pracht van Baigora en van haar totale vernietiging'. Une poignee de gens: een monument tegen het vergeten.