Meester van zijn universum

Tom Wolfe : A Man in full Jonathan Cape, 742 blz., fl. 48.95

De gemiddelde satiricus bespot biermerken of ruitjesbroeken. De bovengemiddelde maakt korte metten met een politiek systeem of een sociale klasse. Maar alleen de beste slaagt erin om de waanzin van een heel tijdperk in een meesterwerk samen te ballen. Tom Wolfe, voormalig kopstuk van de New Journalism uit de jaren zestig en zeventig, deed dat in 1988. Met zijn romandebuut The Bonfire of the Vanities schreef hij de hilarische (`definitieve') kroniek van Amerika in de Reagan-jaren, de tijd van ongebreidelde hebzucht en consumptiedrift, van groeiende inkomensverschillen en rassentegenstellingen. Zijn hoofdpersoon Sherman McCoy, effectenmakelaar op Wall Street en zelfverklaarde `Master of the Universe', werd de belichaming van de Greedy Eighties. Zijn fictieve beeld van New York City, stad van snelle jongens en konkelende politici, heeft voor velen nog steeds de kwaliteit van een historische reconstructie.

Ik ben vast niet de enige bewonderaar van The Bonfire of the Vanities die zich de afgelopen jaren wel eens heeft afgevraagd hoe het zou zijn met Sherman McCoy. In 1988 werd hij door zijn schepper berooid achtergelaten, in afwachting van een politiek proces waarin hij berecht zou worden wegens het aanrijden van een zwarte straatrover in The Bronx. Alleen al het verslag van McCoy's verdere avonturen - na de krach van `89 en in het Amerika van O.J. Simpson en Paula Jones - had garant gestaan voor een spectaculaire roman. Maar Tom Wolfe (1931) is niet bezweken voor de verleiding om een vervolg te schrijven op zijn succesboek. Als een pionier in de Amerikaanse traditie beweegt hij zich bij voorkeur in onontgonnen gebied. Met A Man in Full zet hij twee nieuwe plaatsen op de kaart: het eind-twintigste-eeuwse San Francisco van kleine sappelaars en criminelen, en vooral booming Atlanta, de hoofdstad van de zuidelijke staat Georgia die vanaf het begin van de jaren negentig door middel van grootscheepse bouw- en handelsactiviteiten goedschiks en kwaadschiks moest worden opgestoten in de vaart der volkeren.

De verwachtingen rondom A Man in Full waren hooggespannen. Niet alleen was al een paar jaar bekend dat Wolfe werkte aan een nieuw Amerikaans epos, dat The Bonfire of the Vanities in lengte en breedte zou overtreffen; ook verscheen vorig jaar plotseling een audiocassette met een veelbelovende novelle van Wolfe (Ambush at Fort Bragg) die werd gepresenteerd als een afgekeurd (!) hoofdstuk uit de nieuwe roman. Daarna werd de spanning verder opgevoerd. Rolling Stone, het tijdschrift van Wolfe's oude vriend Jann Wenner publiceerde bij wijze van voorproefje twee briljante hoofdstukken; uitgeverij Cape maakte bekend dat zij zich zeker genoeg voelde om een eerste (gebonden) druk van 1,2 miljoen exemplaren op te leggen; en terwijl het boek nog niet in de winkel lag, en zelfs het typoscript nog maar door weinigen gelezen was, werd A Man in Full genomineerd voor de dinsdag uit te reiken National Book Award - een unicum in de geschiedenis van de prestigieuze Amerikaanse literatuurprijs.

Allemaal terecht, zo blijkt deze week bij de officiele verschijning van A Man in Full. Wolfe's tweede roman, 742 bladzijden dik, biedt het verhoopte maatschappelijke panorama van de Verenigde Staten, in het bijzonder het Zuiden, in de jaren negentig: een lasagna van gewetenloze financiers botte projectontwikkelaars, provinciale miljardairs, bedrogen en in de steek gelaten vrouwen, machiavellistische politici, eenzame bankiers murwgebeukte arbeiders, illegale immigranten en geterroriseerde gevangenen. Het boek steekt de draak met eeuwige menselijke ondeugden als grootheidswaan en kleinzieligheid, en met min of meer tijdgebonden verschijnselen als politieke correctheid, lenen zonder onderpand technogeekspeak (financieel zakenmannenjargon), verafgoding van sporthelden, gettomode onder middenklassestudenten, en zweverige filosofieen voor de moderne manager. Maar wat belangrijker is: met uitzondering van de laatste 50 bladzijden is A Man in Full een onweerstaanbaar spannend en grappig boek - spectaculair geschreven en slim geconstrueerd en daarmee een nieuwe bevestiging van Tom Wolfe's status als de Dickens van twintigste-eeuws Amerika.

Atlanta

Wolfe's nieuwe `Meester van het Universum', afdeling Atlanta anno 2000, is de schatrijke projectontwikkelaar en ex-footballspeler Charlie Croker. Hij is de `volledige man' uit de titel, tenminste zo voelt hij zich. Profiterend van de bouwhausse van de jaren tachtig en negentig heeft hij genoeg geld verdiend voor een paar huizen en een landgoed, een eigen luchtvloot en een renstal, een piepjonge trophy wife en een miljoenenalimentatie voor de vrouw die hij na 29 jaar aan de kant zette. Op zijn landgoed van 10.000 hectare in de bossen bij Atlanta speelt hij een southern gentleman in de stijl van Gone with the Wind: te paard jagend op kwartels, gastheer spelend voor de oude Georgische aristocratie als een verlicht despoot omgaand met zijn zwarte bedienden en werknemers.

Tevreden citeert hij in het eerste hoofdstuk van A Man in Full een bakerrijmpje over een naamgenoot uit een ver verleden: `Charlie Croker was a man in full. He had a back like a Jersey bull. Didn't like okra, didn't like pears. He liked a gal that had no hairs.'

Wie hoog te paard zit kan hard vallen - zeker wanneer je de hoofdpersoon bent van een roman van Tom Wolfe, die als romancier-op-zijn-Victoriaans dol is op radicaal kerende kansen. Al in het eerste hoofdstuk van A Man in Full blijkt dat Charlie Croker diep in de schulden zit, voornamelijk dankzij het honderden-miljoenenverlies van zijn recentste staaltje egomanie: een onverhuurbare kantoortoren met de naam Croker Concourse. De plaatselijke PlannersBanc (let op de modieuze hoofdletter in het midden van de firmanaam) roept Croker op het matje en dreigt hem te failleren als hij niet snel zijn schulden delgt. De bedreigde tycoon besluit tot het ontslaan van 20, `nee toch maar 15' procent van de werknemers in de `voedselpoot' van zijn imperium - een beslissing die voor het verloop van de roman grote gevolgen heeft - maar kan niet verhinderen dat de bank dreigt met verkoop van zijn landgoed en alvast zijn lievelingsvliegtuig met New-Yorks designinterieur confisqueert.

Slechts een uitweg dient zich aan: Croker, de would-be aristocraat en crypto-racist, moet in het openbaar zijn steun uitspreken voor een onaangepaste zwarte footballster die wordt beschuldigd van verkrachting van de dochter van een van Atlanta's chicste families. De dienst die hij daarmee de zwarte burgemeester van de stad bewijst - een dreigende rassenrel is funest voor het zakenklimaat in Atlanta - zou hem onmiddellijk beschermen tegen de grijpgrage vingers van de PlannersBanc.

Want in het voor driekwart zwarte Atlanta (`een stad die het te druk heeft voor haat', onderstreept de burgemeester) zijn alle belangen met elkaar verknoopt en is het evenwicht tussen de etnische groepen heilig. Dat is de basis van het succes van `The Atlanta Way'.

Machinaties

`Character is plot' in de klassieke tragedie, en zo ook in de Amerikaanse komedie van Tom Wolfe. De ijdele Croker, die maar niet kan kiezen tussen gezichtsverlies en financieel bankroet, is maar een van de vele personages wier zwakke plekken de loop van het verhaal bepalen. Roger White, de `beige-bruine' advocaat van de footballster Fareek Fanon (met sardonisch genoegen door Wolfe vernoemd naar de militante anti-kolonialist Frantz Fanon), wordt gedreven door een onbewust verlangen om geaccepteerd te worden door zijn zwarte broeders in de lagere sociale klassen. Raymond Peepgass, die door middel van ingewikkelde halflegale machinaties een slaatje hoopt te slaan uit Crokers faillissement, is bang om zijn leven te moeten slijten als onderknuppel bij de PlannersBanc. En Conrad Hensley, een jonge vader die zijn hondenbaantje in een van Crokers Californische diepvriespakhuizen kwijtraakt, verzeilt door zijn idealisme en overdreven rechtvaardigheidsgevoel zelfs tussen de moordenaars en verkrachters.

De scenes met Conrad behoren tot de beste uit A Man in Full. Meteen nadat Croker de beslissing heeft genomen om eenzesde van zijn werknemers te ontslaan, roept Wolfe de barbaarse omstandigheden op waaronder de mensen in de `Suicidal Freezer Unit' moeten werken - een beschrijving die je letterlijk doet rillen. Een paar hoofdstukken later, als de werkloze en verarmde Conrad een mislukt sollicitatiegesprek heeft gehad voel je niet alleen zijn frustratie, maar ook zijn snel klimmende wanhoop wanneer zijn auto ten onrechte blijkt weggesleept.

Het verslag van zijn pogingen om aan geld te komen en zijn Hyundai in de buitenwijken van San Francisco op te halen (de boete wordt verdubbeld wanneer hij na een half uur wachten in de rij pas na zevenen kan betalen) is even hilarisch als pijnlijk, en zeer herkenbaar voor iedereen die wel eens met parkeerbeheer te maken heeft gehad.

Het is allemaal nog niets vergeleken met wat Conrad moet doorstaan in de Santa Rita Jail, waar hij wegens geweld tegen twee parkeerbeheerders en na het weigeren van strafvermindering inruil voorschuldbekentenis, terecht komt. De uitzichtloosheid van zijn situatie, de voortdurende dreiging van fysiek geweld en homoseksuele verkrachting, de vernietiging van ieder greintje menselijkheid: Wolfe beschrijft het zo dat je met pijn in je maag zit te lezen. Als Conrad uiteindelijk - met behulp van de per vergissing in zijn cel bezorgde geschriften van de stoicijn Epictetus - als `discipel van Zeus' zijn zelfrespect hervindt en de tyranniekste skinhead een lesje leert, zal zelfs de grootste pacifist zachtjes juichen.

Muggenlijn

Net als in The Bonfire of the Vanities betoont Tom Wolfe zich in A Man in Full een meester van het meervoudig perspectief. De delen van het grotere verhaal krijgen we te zien door de ogen van elkaar (soms binnen een hoofdstuk) afwisselende personages die elk hun eigen stem en gedachtenwereld hebben. Charlie Croker, die barst van de eigendunk en uit trots op zijn verleden als arme Zuiderling (`onder de muggenlijn') met een overdreven accent praat, is het herkenbaarst. Conrad Hensley de sympathieke loser die zichzelf voortdurend moet verzetten tegen `het Nee in zijn hart', is degene met wie je je het meest identificeert.

Maar zij zijn slechts solisten in de symfonie van stemmen die Wolfe met strenge hand dirigeert.

Wolfe heeft aanstekelijk plezier in de weergave van spreektaal, al sinds zijn non-fictiereportages uit de jaren zestig een van zijn specialiteiten. Soms, zoals wanneer Croker in Georgisch spreekt, houdt hij zich in en geeft hij alleen het typische idioom en een enkel typografisch vervormd woord weer. Soms gooit hij de lezer in het diepe en schrijft hij letterlijk op wat hij hoort. Je kunt raden wat er gezegd wordt, maar een precieze vertaling begint pas te dagen wanneer je sommige woorden een paar keer tegenkomt. `Dat beeg hoale mahu' zegt Conrads celgenoot over het pispaaltje van de gevangenis; `he wen make ass to the max. He mockie-die-dead.' In dit geval geeft Wolfe er op een subtiele manier nog een vertaling bij (`Die grote witte flikker - hij blunderde totaal - die is dooier dan dood'), maar dat neemt niet weg dat zijn Nederlandse vertalers op zijn minst stage mogen lopen in de Bijlmerbajes om equivalenten te vinden voor popolo (zwarte gedetineerde), pod (gemeenschappelijke ruimte), hubba ho (hoerig type) pizzooka (bommetje van urine en stroop) en het prachtige, nu al beklijvende garans ballbaranz! (zeker weten!). Kennis van Hawaiaans pidgin, Black English en een tiental zuidelijke socio- en dialecten strekt bovendien tot aanbeveling.

In sommige Amerikaanse kranten is al geschreven dat Wolfe zich te veel vrijheden veroorlooft in zijn transcripties van het niet-standaard Engels. Het is een oud verwijt, dat Wolfe net zo vaak voor de voeten wordt geworpen als de beschuldiging van racisme en seksisme (immers: wie geen blad voor de mond neemt en alles en iedereen belachelijk maakt is nooit politiek correct).

De spreektalen van Wolfe zijn een literaire constructie, vergelijkbaar met het kunst-Vlaams van Hugo Claus. Ze zijn onderdeel van zijn stijl, net zoals de lange zinnnen met veel bijstellingen, de komisch opgevoerde onomatopeeen, en het vuurwerk van alliteraties en bijvoeglijke naamwoorden.

Ook voor wie geen lol heeft in Wolfes taal valt er aan A Man in Full genoeg te beleven. De humor bijvoorbeeld, die soms te vinden is in toepasselijke woordspelingen (`the Finnish femme natale' voor de woeste schoonheid die Ray Peepgass met een buitenechtelijk kind opzadelt) soms in scherpe observaties, en soms in pure slapstick (Croker die in zijn eigen inbrekersalarm terechtkomt als hij vroeg in de ochtend voor een keer zijn eigen ontbijt besluit te maken). Of het architectonisch vernuft waarmee Wolfe zijn roman voorziet van structuur. Zo weerspiegelt de gala-opening van een tentoonstelling (met negentiende-eeuwse homo-erotische gevangenistaferelen) de beproevingen in Conrads Californische gevangenis, en wordt het wegslepen van Conrads auto een paar hoofdstukken later gevolgd door de inbeslagname van Crokers privevliegtuig.

Libido

De verstoring van de `orde der dingen' is de motor van de handeling in A Man in Full. Conrad Hensley geintroduceerd als `een jonge man die orde in zijn leven wilde', jaagt vergeefs zijn droom van een klein huisje in de buitenwijk na. Charlie Croker ziet met afgrijzen hoe niet alleen zijn eigen levensstijl bedreigd wordt, maar ook die van The Old South: zijn jonge vrouw beschouwt hem niet als heer en meester, zijn zoon is `week' en houdt er liberale ideeen op na, de negers hebben het in Atlanta politiek en economisch voor het zeggen. Bovendien merkt hij dat hij oud wordt.

Zelfs een ex-sportheld die altijd zuinig is geweest op zijn fysieke voorkomen, is op zijn zestigste niet meer `de volledige man' die een charismatisch leider nu eenmaal moet zijn.

Croker is niet de enige die zich voortdurend expliciet zorgen maakt over ouderdom en aftakeling. De mijmeringen over grijze haren, uitzakkende lichamen, teruglopende libido en de angst om uitgerangeerd te raken, zijn te talrijk op niet op te vallen. Voor Ray Peepgass, Roger `Too' White en de First Wives van Atlanta's grootindustrielen geldt de realistische constatering van Charlie Croker: `De gouden gloed op de top van de heuvel was niet meer dan de schemering aan de rand van een ravijn.'

Het naderende einde valt iedereen moeilijk. Niet alleen de romanpersonages, maar ook hun inmiddels 67-jarige schepper. Om te beginnen letterlijk, want een van de weinige zwakke plekken van A Man in Full is het het overhaaste en gemakzuchtige slot: na meer dan zeshonderd sterke pagina's kon Wolfe jammer genoeg niet buiten een deus ex machina en een uitleggerige epiloog die zijn vertelkunst onwaardig is. Maar het is ook verleidelijk om aan te nemen dat de sombere gedachten van de romanfiguren Wolfe's eigen ideeen over het ouder worden weerspiegelen. Tom Wolfe lijkt geobsedeerd door aftakeling, door de angst voor het teruglopen van zijn (literaire) vermogens.

Voorlopig is daar weinig reden voor. In het vertellen van een verhaal dat de lezer zonder haperen vele uren onderdompelt in een krankzinnige wereld is hij beter dan troonpretendenten als John Irving en T.C. Boyle. In het humoristisch becommentarieren van de Zeitgeist is hij Jay McInerney en Bret Easton Ellis de baas. En in zijn experimenten met spreektaal en sociaal-kritische satire heeft hij maar een echte concurrent: Mark Twain, en die is al negentig jaar dood. Tom Wolfe is nog steeds meester van zijn universum. Zijn bewonderaars kunnen met A Man in Full weer een tijdje vooruit. Garans ballbaranz!