Klaag, maar klaag met mate

Iemand als Remco Campert (1929), die boeken schrijft met titels als Het leven is vurrukkulluk en Alle dagen feest, lijkt het leven niet zwaar te nemen - in die boeken tenminste. `Lichtvoetig' is het woord waarmee zijn proza doorgaans gekarakteriseerd wordt, al geldt dat eigenlijk meer voor de toon dan voor de inhoud ervan. De man die in veel van Camperts verhalen optreedt, is namelijk allesbehalve lichtvoetig, hij struikelt door het leven, zonder zich echt grote builen te vallen.

Camperts neiging om in zijn proza, niet in zijn poezie, de ironie de vrije loop te laten, werkt bedrieglijk. De ironicus is vaak geen opgewekte natuur, met tenminste een gelukkige eigenschap: dat hij zichzelf niet te serieus neemt. Maar om ten volle van het werk van de ironicus te genieten, moet de lezer hem deels juist wel serieus nemen. Niet alles namelijk is spel voor de ironicus; het tragische van deze figuur is dat hij wel iets wil zeggen maar dat niet kan, niet direct tenminste. Daarom moet zijn ironie tegelijk wel en niet doorzien worden, moeten we geloven wat er staat terwijl we weten dat het niet waar is.

In `Klachten' het laatste verhaal van zijn nieuwe boek Een mooie jonge vriendin, ook al zo'n hoopgevende titel, rekent Campert zichzelf tot `de uiters van kleine klachten', en hij besluit met de goede raad: `klaag, maar klaag met mate.' Elders formuleert hij het zo: `Het zal opvallen dat ik, als het even kan, van kleine dingen een groot probleem tracht te maken. Daar staat weer tegenover dat ik wat anderen als een groot probleem ervaren met gemak tot een klein ding weet terug te brengen. Het moet een beetje een spelletje blijven, het leven.'

Dit vergroten en verkleinen, de overdrijving en het understatement, zijn bij uitstek de stijlmiddelen van de ironie. Daarmee houdt Campert het leven met al z'n ongemakken een beetje op een afstand, zodat we er nog net om kunnen lachen. In het titelverhaal worden die middelen tot in het absurde benut: de mythe van het kunstenaarschap, in het bijzonder dat van de Vijftigers (waartoe ook Campert wordt gerekend), wordt verkleind, niet alleen door het understatement maar vooral ook door overdrijving van het leed van een jonge dichter in de vroege jaren vijftig.

`Ik was dichter en had dus geen geld en zou dat ook wel nooit krijgen want van poezie kon niemand leven, je kon als je goed was er alleen maar van sterven.'

De jonge dichter moet een mooie jonge vriendin hebben, want `dat gaf glans aan zijn poezie. En het maakte zijn liefdesgedichten een stuk aanvaardbaarder.' De combinatie van een lelijke jonge dichter met een mooie jonge vriendin is het best: `In zo'n geval kan het niet anders of de poezie van de lelijke jonge dichter moet goed zijn, want hoe zou hij anders aan zo'n mooie jonge vriendin gekomen zijn?' Hij heeft gelijk, denk ik als ik dit soort zinnen lees, terwijl ik weet dat het onzin is.

Campert beschrijft hoe bevriende dichters en schilders veelvuldig het lekkende pand bezoeken waar hij woont, om zijn vriendin het hof te maken. `Er werd gedanst bij het leven en in alle hoeken van de kamer werden verzen gereciteerd,' schrijft hij, en lijkt daarmee te verwijzen naar het credo dat de jonge Campert ooit uitdroeg: `De wereld swingt als de pest, de rest is gemompel van bedelaars.' Maar dan deelt de oude Campert de genadeslag uit: `Weer een dag voorbij die ik voornamelijk had doorgebracht met onze liefde te redden uit de gretige klauwen van mijn kunstbroeders.'

De rest van de bundel bevat verhalen over onderwerpen die we voor een groot deel al kenden uit eerdere bundels als Eetlezen en Tot zoens: het schrijven in hotelkamers, vakantieperikelen, de moeizame omgang tussen de schrijver en de media. Deze beperkte thematiek is geen bezwaar, want juist in die feilloos geschreven verhalen over de kleine struikelpartijen van het leven bewijst Campert keer op keer zijn meesterschap. Af en toe kan er hardop gelachen worden; de lach der herkenning, aangevuurd door de schitterende formuleringen die soms aan Reve doen denken, weerklonk bij mij dikwijls bij lezing van het verhaal `Ik verveel me zo'.

Het zijn de woorden waarmee een kind zich op een zondagmiddag tot de volwassenen richt, maar niet zonder enige voorwerk: `Als ze in de woonkamer in geanimeerd gesprek waren met een borreltje erbij hing je dicht in hun buurt zuchtend rond, verschoof op de schoorsteen Chinese voorwerpjes waar je niet aan mocht komen wegens breekgevaar, kneep de kat in zijn staart tot hij kermde.' Het wordt nog erger als de volwassenen je aanraden om leuk buiten te gaan spelen met je bal: `Je zag jezelf in die straat die bal met een deuk erin eindeloos tegen een muur trappen. De zon ging onder, het werd schemerig, de straatlantaarns floepten aan. Nog steeds stond je daar tegen de flardige resten van je bal aan te trappen. (-) De volwassenen waren je vergeten. Die lagen in een hitsige kluwen bijeen, buiten zinnen van begeerte geraakt, aangestoken door de jenever. Op straat hoorde je ze zuchten en kreunen,smakken en hijgen.' Ondanks de vergaande overdrijving raakt Campert hier precies de sfeer die exclusief schijnt voorbehouden aan de zondagmiddagen van de jeugd.