Het Waterhuis speelt Pirandello op z'n Marokkaans

Mint heet sla voor de Rotterdamse leerlingen die na het toneelstuk worden getrakteerd op een theeceremonie. Culturele uitwisseling gaat gepaard met misverstanden, maar de Marokkaanse acteur Abdellatif Khammouli laat er zich niet door uit het veld slaan.

Zelfs in Nederland wordt de Marokkaanse tv-ster Abdellatif Khammouli op straat herkend, voornamelijk door zijn rol als de geest in de tv-serie Ali Baba. Nu staat de gevierde acteur in het gymzaaltje van de Christophoorschool in de Rotterdamse Zuidwijk. Hij speelt in De kruik van jeugdtheatergroep Het Waterhuis. In het kader van de Marokkaanse Week wordt het toneelstuk deze dagen op verschillende lokaties in Rotterdam opgevoerd.

In De kruik, gebaseerd op een verhaal van de Italiaanse schrijver Luigi Pirandello, komt de Rotterdammer Kees met een driewielig bestelautootje een enorme kruik afleveren bij een school. Hij huurt Khammouli in die toevallig komt langsslenteren: “He Ali, Elke dag vakantie? Wil jij een tientje verdienen?' Kees van Loenen speelt de racistische Nederlandse baas, Khammouli de niet-begrijpende knecht die uiteindelijk zijn opdrachtgever de baas is.

De acteur uit Casablanca speelt zijn rol in het Arabisch. Voor de toeschouwers is dat geen probleem. De clowneske mimiek van de acteur spreekt boekdelen en de Marokkaanse kinderen in het publiek zijn gaarne bereid om luidkeels te vertalen voor hun Rotterdamse klasgenoten. Dat de tweetalige voorstelling tot enige misverstanden leidt, is juist de bedoeling. De kruik gaat over de problemen die mensen ondervinden als ze elkaars taal niet spreken. Werkelijkheid en fictie lopen mooi door elkaar want de twee acteurs en de regisseur konden elkaar ook niet verstaan. Khammouli zegt echter dat de taalbarriere geen probleem was: “Alleen tijdens het boodschappen doen en bij de dokter. Bij het toneelspelen gaat het toch om lichaamstaal en op elkaar inspelen.'

Een interview via een tolk toont echter aan dat de taalbarriere enorm is.

Eenvoudige vragen worden door de tolk tot hele verhalen uitgebreid. Khammouli antwoordt hierop met een nog langer verhaal waarin veel wordt gegesticuleerd en gelachen. Als de tolk dit weer terugvertaalt blijft van het ongetwijfeld prachtige betoog niets over dan ontwijkende algemeenheden als: “De omstandigheden voor het toneel in Marokko zijn moeilijk.'

Regisseur Roel Twijnstra beaamt lachend dat hij hetzelfde probleem had. “Als ik gewoon `Speel wat puntiger' zei, leverde de tolk daar ongevraagd een hele uitleg bij. Ik heb op een gegeven moment geeist dat hij mij letterlijk zou vertalen. Ik heb recht op mijn misverstand. Khammouli antwoordde dan `Ik begrijp je niet'. Dan stonden we met onze mond vol tanden.' Tegenspeler Van Loenen vult aan: “Het verschil is dat wij ons heel direct uitdrukken. In Marokko moet alles langs een lange, slingerende omweg worden gezegd. Ergens in die woordenbrij zit dan de informatie verstopt.' Twijnstra wilde dat de acteurs zonder taal toch tot elkaar zouden komen. Hij zette ze samen in een repetitielokaal met de opdracht: “Ga maar improviseren, maar je moet je eigen taal blijven spreken.' Veel van deze improvisaties komen terug in het stuk, zoals een vermakelijke ruzie over een krentenbol.

In december gaat Het Waterhuis met De kruik naar Casablanca. Khammouli wil graag dat de rollen dan omgedraaid worden. Dat hij de baas speelt en Van Loenen het buitenlandse knechtje. Maar de regisseur denkt erover om Van Loenen op een spoedcursus Frans te doen en hem de arrogante Franse toerist te laten spelen. Dat zou de kinderen in Casablanca meer aanspreken.

Het Waterhuis wilde met De kruik ook de Marokkaanse ouders bereiken. Dat is goed gelukt.

Zij komen op de bekendheid van Khammouli af. De toneelgroep heeft de uitnodigingen in het Arabisch en Berbers op een geluidscassette verspreid. Zo worden ook ouders die niet kunnen lezen bereikt. Khammouli sprak de bandjes in. De Nederlandse versie telt een paar regels, Khammouli's versie duurt vele minuten langer.

Na afloop van de schoolvoorstelling is er een theeceremonie in de klas, uitlopend in een klein feestje met muziek. De kinderen zitten op een groot tapijt en kijken verwonderd naar de Marokkaan in zijn lange djelabbah. Khammouli maakt mierzoete mintthee. Hij heeft al tien keer `I am Ab' gezegd, maar de kinderen blijven `Ali Baba!' joelen. De mintblaadjes noemen ze hardnekkig `sla'.

Aan de Marokkaanse moeders wordt gevraagd koekjes te bakken voor deze nafeesten. Het gebeurt wel dat vrouwen beschroomd hun baksels komen brengen en dan snel weggaan. Toch blijven zo aardig wat moeders hangen. De scholen zijn blij met dit neveneffect: het zijn vaak ouders die zich anders nooit op school laten zien. Als Khammouli tijdens de voorstelling halfnaakt, met een badmuts op, uit de grote kruik opduikt, draaien een paar moeders beschaamd hun hoofd weg. Er zijn grenzen.

    • Wilfred Takken