Het schijnt daar een chaos te zijn; De lotgevallen van zes Van Goghs in Nederlands-Indie

De `Zonnebloemen' van Vincent van Gogh werden in 1987 aan een Japanse verzekeringsfirma verkocht voor 75 miljoen gulden. Toen de Japanners tijdens de bezetting van Nederlands-Indie, in de kluizen van de Javasche bank zes Van Goghs aantroffen, waren ze daarin niet geinteresseerd.

De laatste jaren is veel geschreven over de door de Duitse bezetter geroofde kunstverzamelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog en het onderzoek naar de oorspronkelijke eigenaren. Maar wat gebeurde er met de kunstcollecties in het voormalig Nederlands Indie onder het Japanse bewind? Wie iets over `oorlogskunst' wil weten kan terecht bij het Instituut Collectie Nederland te Rijswijk. Maar in hun computerbestand zijn geen gegevens over de afhandeling van `oorlogsschilderijen' uit de Japanse periode in Indie te vinden. Uit onderzoek in de Indische Collectie bij het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie blijkt dat er geen stukken over de confiscatie van kunstcollecties en de kunstpolitiek van de Japanse bezetter in Indie zijn te achterhalen. In onze voormalige kolonie in de Oost was ook geen museum voor moderne kunst. Er was slechts een aantal particuliere en openbare collecties waaronder de `Landsverzameling Schilderijen' met de landvoogdsportretten te Batavia. Tijdens de oorlog waren deze schilderijen in kisten bij een fabriek in Klaten (Midden-Java) ondergebracht. Ze werden door de Japanners ontdekt en naar Batavia teruggestuurd. Daar moest conservator Jan Frank, hij werd tijdelijk uit een interneringskamp gehaald, de Japanners informatie verschaffen over de schilderijen. In de zomer van 1945 werden de beschadigde landvoogdsportretten in een bergruimte van de Kodakfilmmaatschappij in het centrum van Batavia weer teruggevonden.

De particuliere schilderijenverzameling van Pierre Alexander Regnault, een Nederlandse industrieel met een aantal verffabrieken op Java, bevond zich tijdens de oorlogsjaren in Indie. Deze collectie, waaronder een aantal kostbare Van Goghs, werd door de Japanners geconfisqueerd.

Dat blijkt uit recent aangetroffen documenten in het archief van het Hooggerechtshof van Nederlands-Indie. Caroline Roodenburg-Schadd schreef in 1995 een proefschrift over de collectie Regnault. De lotgevallen van een tiental schilderijen van de particuliere verzamelaar Regnault, waaronder zes bruiklenen van Van Gogh, tijdens de oorlog in Indie heeft zij buiten beschouwing gelaten.

Verkoop

De kunstverzamelaar Regnault uit Laren organiseerde vanaf 1935 jaarlijks een tentoonstelling met moderne kunst in de Bataviasche Kunstkring, dat daartoe tot `Bruikleenmuseum' was omgedoopt. Door middel van exposities en met het door hem opgerichte maandblad Verf en Kunst wilde hij de Europese kolonialen kennis laten maken met de internationale moderne kunst. Regnault schroomde ook niet zijn topstukken naar de tropische archipel te verschepen.

Hij stelde tentoonstellingen samen uit eigen collectie, aangevuld met bruiklenen en recent werk van kunstenaars en kunsthandels. Een deel van deze inzendingen werd ook ter verkoop aangeboden. Voor de tentoonstelling in het najaar van 1939 waren 61 werken beschikbaar gesteld, waarvan 36 uit de verzameling van Regnault. In kunsthandels te Parijs had mevrouw J.de Loos-Haaxman, oud-conservator van de `Landsverzameling Schilderijen' en bestuurslid van de Bataviasche Kunstkring, een aantal moderne doeken voor deze tentoonstelling geselecteerd. De Stoomvaart Maatschappij Nederland vervoerde deze kunstwerken gratis naar Indie.

Op de omslag van de tentoonstellingscatalogus uit november 1939 van de zogenaamde vijfde collectie Regnault is de bekende gouache van De rabbijn met wetsrol van de Russisch-joodse kunstenaar Marc Chagall uit 1930 afgebeeld.

In de catalogus wordt de herkomst van de kunstwerken vermeld maar is de titelbeschrijving onvolledig en ontbreken de formaten en data. De meest waardevolle topstukken uit deze verzameling moderne kunst waren de zes kleine olieverfschilderijen van Vincent van Gogh waaronder de Strosnijdende boerin en Doodskopvlinder op een aronskelk. Deze laatste twee werken vervaardigde Van Gogh in 1889 tijdens zijn vrijwillige verblijf in de psychiatrische inrichting van Saint-Remy nabij de Franse stad Arles.

Verder werd een aantal plantenstudies met wilde rozen en vlinders geexposeerd die Van Gogh in 1890 maakte in het Franse Auvers-sur-Oise waar hij de laatste maanden van zijn leven doorbracht. Het is niet duidelijk welk portret van een Brabantse boerin met muts werd meegezonden. Deze schilderijen waren het persoonlijk bezit van ir. V.W. van Gogh, de zoon van de broer van Vincent van Gogh. Ze hingen in de zitkamer van zijn villa.

Hij heeft ze - zonder voorwaarden - in bruikleen gegeven aan Regnault, zijn buurman in Laren. Maar er zaten ook andere belangrijke werken bij: vier olieverfschilderijen van Massimo Campigli zoals Vrouwen aan het strand, twee schilderijen van Constant Permeke, gouaches van Marc Chagall en Wassily Kandinsky en werken van Maurice Utrillo, Ossip Zadkine en Georg Grosz. De expositie van de collectie-Regnault werd in het museum van de Bataviasche Kunstkring op 20 november 1939 door dr. Idenburg van het Indische gouvernement geopend. Mevr. M. Levelt-Hoogvelt, bestuurslid van de Bataviasche Kunstkring schreef Regnault over de tentoonstelling en de actuele situatie in Indie. `We zitten hier in Indie gelukkig erg rustig en ik geloof dat uw schilderijen hier veiliger zijn dan waar ook in Europa, had U ze nu maar allemaal bij ons'.

Een halfjaar later, in mei 1940, werd Nederland door de Duitsers bezet en werden alle contacten met Indie verbroken. Regnault stopte zijn activiteiten als propagandist van de moderne kunst. Het grootste deel van zijn kunstcollectie werd overgebracht naar de beveiligde bunkers in Castricum. Door de oorlogsomstandigheden bleven tientallen schilderijen uit zijn collectie in Indie achter.

Dwangarbeid

De Japanse bezetting van Nederlands-Indie in maart 1942 bedreigde zowel Regnaults fabrieken en kunstwerken als zijn familieleden aldaar. Maar een bevriend echtpaar dr.H.J. Levelt, Regeringsgevolmachtigde voor Algemene Zaken in Indie en zijn vrouw, ontfermden zich over Regnaults collectie. De schilderijen werden uit de lijsten en van de spieramen genomen en in een grote houten kist opgeborgen. Daarin bevonden zich in totaal vierenzeventig doeken gouaches en aquarellen. In een kleine kist werden nog zeven werken waaronder de kleine olieverfschilderijen van Van Gogh opgeslagen. De ingepakte kunstwerken werden naar de kluis van de Javasche Bank te Batavia, de grootste bank van Indie, overgebracht. Enkele weken na de capitulatie werd dr. Levelt met een aantal Europese Volksraadsleden in Bandoeng door de Japanners gearresteerd. Een aantal maanden later werd ook mevr. Levelt-Hoogvelt geinterneerd. Ook Francois Philippe Regnault neef van de verzamelaar, werd met zijn gezin gevangen genomen. Hij werd verplicht tot dwangarbeid in de Japanse mijnen. Zijn vrouw en kinderen werden tijdens hun internering op Java van voedsel voorzien door loyale Indische bedienden.

Inmiddels hadden de Japanners het gebouw van de Javasche Bank in bezit genomen. Zij hebben de kisten met schilderijen in de kluis gevonden en opengemaakt.

Maar de doeken werden met rust gelaten. Ook de zes schilderijen van Van Gogh met een vooroorlogse geschatte waarde van dertigduizend gulden werden ongemoeid gelaten. Bijna een halve eeuw later werd bij het Londense veilinghuis Christie's Van Goghs doek Zonnebloemen uit 1889 voor het toenmalige recordbedrag van ongeveer 75 miljoen gulden geveild. De nieuwe eigenaar was een Japans verzekeringsbedrijf. Maar in 1942 waren de Japanners niet geinteresseerd in deze kostbare schilderijen. Ze hadden de moderne westerse kunst in de ban gedaan en waren vooral gefixeerd op het verdwenen goud van de Javasche Bank. Ze zochten het goud bij de bungalows van de directie van de Javasche Bank in Buitenzorg. Ze lieten de tuinen tot zes meter diep uitgraven. Ook werd de president-directeur van de Javasche Bank, mr. G.G. van Buttingha Wichers, door de Kempeitai aan zware verhoren onderworpen. Hij stierf drie maanden na de Japanse capitulatie aan de gevolgen van zijn gevangenschap. Overigens had de Javasche Bank de goudvoorraad - waaronder ook het goud van particulieren - vlak voor het begin van de Japanse invasie uit veiligheidsoverwegingen naar Zuid-Afrika en Australie verscheept.

Speurtocht

In de eerste chaotische maanden na de bevrijding van Indie lag het accent op de bescherming van de duizenden (Indische) Nederlanders in de verschillende kampen en enclaves zoals Batavia en Bandoeng tegen de felle acties van gewapende Indonesische jongeren. Tijdens deze roerige tijd, bekend onder de naam `Bersiap', maar ook daarna, was er geen actieve speurtocht naar vermiste kunstwerken op Java. Toch werden de Levelts, ze hadden de Jappenkampen overleefd, min of meer beschuldigd van het achterhouden van de collectie-Regnault.

Dit was volkomen onterecht. Mevr. Levelt schreef hierover aan Regnault: `Die onzinnige brief uit Indie kunt U rustig naast U neerleggen. Het schijnt er op elk gebied een chaos te zijn, die men blijkbaar tracht op te lossen met veel fantasie.' In september 1946 brachten de Levelts een bezoek aan Regnault in Laren. Ze vertelden hem over hun oorlogservaringen en zijn teruggevonden kunstverzameling in een kluis van de Javasche Bank te Batavia. Begin oktober 1946 stuurde Regnault zijn jongste zoon Eugene naar Indie om zijn bedrijf weer op te starten en zijn opgespoorde kunstcollectie te bekijken. Uit het rapport van de rechercheur A. van der Struik van 23 december 1946 blijkt dat Eugene Regnault tegen hem over de aangetroffen collectie heeft verklaard: `Of de in de catalogus genoemde schilderijen nog aanwezig zijn valt te betwijfelen.

De grote kist is door de Japanners opengebroken en onoordeelkundig weer dicht gemaakt. De kleine kist met de waardevolle schilderijen [van Van Gogh] was door de Japanners niet nagezien.' Eugene Regnault heeft deze twee kisten ter plekke niet opengemaakt om de inhoud te verifieren omdat er geen deskundig personeel was die de doeken weer behoorlijk kon inpakken voor verscheping naar Holland. Trouwens, de directie van de Javasche Bank was in eerste instantie niet geneigd om de schilderijen af te staan. Eugene Regnault moest eerst een machtiging van het bestuur van de Bataviasche Kunstkring overleggen. Overigens was het ook problematisch om voor de kisten met schilderijen scheepsruimte in een passagiersboot naar Nederland te vinden.

In een schrijven aan de afdeling Indische Zaken van het Ministerie van Overzeese Gebiedsdelen (Minog) te Den Haag merkte Regnault sr.

over de conditie van de getraceerde kunstcollectie het volgende op: `De schilderijen der vijfde collectie zijn ontdaan van de lijsten en het glas. Zowel lijsten als glas zijn verdwenen. Bovendien is het te vrezen dat de diverse werken, vooral die op papier, door de vochtigheid van het klimaat geleden zullen hebben. De vraag dringt zich nu op bij welke instelling de eventuele schade geclaimd moet worden.' Begin februari 1947 schreef mevr. Levelt opnieuw over deze gehavende schilderijen aan Regnault in Nederland: `Ik heb werkelijk alles gedaan wat binnen mijn vermogen lag om uw collectie te sparen. De lijsten kon ik helaas nergens onder dak brengen.'

Tijdens de oorlog zijn vijf schilderijen - ze worden niet nader gespecificeerd - die eigendom waren van mevr. Levelt in een houten krat opgeborgen en bij relaties in Batavia ondergebracht. Zij schreef hierover aan Regnault: `Mijn eigen schilderijen waar [tijdens de Japanse bezetting] de vreselijkste dingen mee gebeurd zijn, waren eindelijk op weg naar Holland, maar onze kist is nog steeds onvindbaar. Als ze inderdaad zoek blijven zal dit voor ons een grote slag betekenen.'

Compensatie

Begin maart 1947 arriveerde het passagiersschip `Sibajak' met de particuliere schilderijenverzameling van Regnault - weliswaar compleet maar met een aantal zwaar beschadigde stukken - in Nederland. Pas na acht jaar waren Regnaults doeken weer thuis.

In een brief van 5 maart 1947 schreef Regnault aan ir. V.W. van Gogh over de retourontvangen werken: `De toestand der zending is erg tegengevallen, want niet alleen ontbreken alle lijsten, doch ook de spieramen der schilderijen. Het gevolg is dat veertig werken min of meer zwaar geleden hebben.

Zulks is niet het geval met uw zes doeken, deze zijn volkomen intact.' Regnault wilde de transportkosten en de hoge verzekeringspremie - de zes Van Goghs waren meer waard dan de rest van de hele collectie - verhalen. De Bataviasche Kunstkring was echter inmiddels opgeheven en kon de financiele verplichting niet meer nakomen. Hij stelde ir. Van Gogh voor ter compensatie van de door hem gemaakte kosten hem een klein werk van Van Gogh te schenken. Van Gogh betaalde liever de kosten en heeft later nog tevergeefs geprobeerd deze te verhalen bij het Bureau voor Oorlogsschade te Batavia.

De andere bruikleengevers zoals de Parijse kunsthandelaar Pierre Vorms beklaagde zich bij Regnault over de ernstige beschadigingen aan zeven van de elf geretourneerde schilderijen. Ook de eigenaar van galerie Percier te Parijs merkt op dat de zes retour ontvangen schilderijen ernstig schade hadden geleden. Trouwens de Franse transportonderneming Tailleur Fils en Co constateerde al eerder dat de meeste werken `in staat van volledig verval waren' en dat `op verschillende plaatsen van de schilderijen de verf was verdwenen.' Uiteindelijk liet Regnault deze doeken restaureren en kocht hij ter compensatie een aantal werken aan van de getroffen kunstenaars en kunsthandelaars.

In 1953 schonk Regnault een deel van zijn collectie aan het Stedelijk Museum te Amsterdam. Na de dood van Regnault en zijn vrouw werd in 1958 door de erven Regnault De rabbijn met wetsrol van Marc Chagall - dit gerenommeerde werk overleefde de oorlog in Indie - voor ruim een ton aan de gemeente Amsterdam verkocht. De werken van Vincent van Gogh zijn tot 1962 thuis bij ir. V.W. van Gogh geweest. Ze zijn sinds 1962 overgedragen aan de Vincent van Gogh Stichting en ondergebracht in het Stedelijk Museum en in 1973 overgedragen aan het Van Gogh Museum te Amsterdam.

Dit najaar heeft het Van Goghmuseum dat een renovatie ondergaat, zeventig schilderijen van Van Gogh aan de National Gallery in Washington uitgeleend. Van Goghs kunstwerken Klaprozen met vlinders en de Doodskopvlinder op een aronskelk - die de Japanse confiscatie ongeschonden hebben doorstaan - zijn op deze omvangrijke overzichtstentoonstelling te bezichtigen. Over het oorlogsverleden van deze belangrijke schilderijen was tot nu toe niets bekend. Momenteel geldt Vincent van Gogh in de Verenigde Staten als de populairste buitenlandse kunstschilder.