Het piggelmee-syndroom

Onder het eerste paarse kabinet regende het in de zorgsector financiele tegenvallers. In de afgelopen kabinetsperiode - zo was afgesproken - mocht de hoeveelheid zorg jaarlijks met 1,3 procent toenemen. Uiteindelijk bedroeg de gerealiseerde groei van het zorgvolume 1,8 procent per jaar.

Nederlanders slikten veel meer medicijnen dan was geraamd, specialisten en huisartsen declareerden enkele honderden miljoenen meer dan waarop was gerekend en de ziekenhuizen draaiden 200 miljoen meer omzet. In totaal liepen de overschrijdingen op tot tegen de twee miljard gulden. Met name in sectoren waarvoor geen uitgavenplafond was vastgelegd (geneesmiddelen vrije beroepen) liepen de uitgaven uit het roer. Waar zorgaanbieders binnen door de overheid gedicteerde budgettaire perken moesten blijven zoals bij de verpleeghuizen en in de thuiszorg, ontstonden wachtlijsten omdat de vraag het aanbod overtrof.

Het kabinet trok in de jaren 1995-1998 ten opzichte van het regeerakkoord bijna een miljard gulden extra uit om de ergste knelpunten in de thuiszorg te verhelpen, om ook elders in de sector de wachtlijsten te verkorten en de werkdruk van verplegenden te verlichten. Bovendien stegen de lonen en prijzen in de zorgsector bijna twee miljard meer dan waarmee de opstellers van het eerste paarse regeerakkoord hadden gerekend. Met diverse tegenvallers en intensiveringen was dus al met al bijna vijf miljard gulden gemoeid. Daartegenover besloot het kabinet slechts tot bijkomende bezuinigingen voor een bedrag van anderhalf miljard.

Per saldo liet de zorgsector miljardenoverschrijdingen zien terwijl de uitgaven op de rijksbegroting wel binnen de afgesproken perken bleven en - vooral onder invloed van de gunstige economische ontwikkeling - de uitgaven voor sociale uitkeringen zelfs enkele miljarden lager uitpakten dan de rekenmeesters in 1994 hadden voorzien.

Afgelopen zomer boekte D66-lijstaanvoerder Borst, tevens zorgminister in Paars I en II, een groot persoonlijk succes. Zij peuterde voor haar eigen sector aanzienlijk meer middelen los, waardoor de hoeveelheid zorg in deze kabinetsperiode met 2,3 procent per jaar kan groeien. Dat is een vol procentpunt meer dan in de afgelopen vier jaar. Verder zijn de miljardenoverschrijdingen uit de periode 1995-1998 stilzwijgend `gewit'.

Bovendien is rekening gehouden met een in verhouding tot de rest van de economie wat sterkere stijging van lonen en prijzen in de zorgsector. Gaan lonen en prijzen daar desondanks nog bovenuit, dan hoeft dit `ruilvoetverlies' niet langer uitsluitend binnen de zorgsector te worden gecompenseerd, maar draaien in beginsel alle ministers voor aanvullende bezuinigingen op.

Belanghebbenden mogen hun handen dichtknijpen. Doordat de zorgminister nauw bij de formatie en de opstelling van het regeerakkoord was betrokken, is de sector heel goed weggekomen.

Toch zijn de organisaties van de zorgaanbieders niet tevreden. Ondanks al het extra geld dat het kabinet voor de zorg heeft uitgetrokken, zou de sector onder Paars II jaarlijks ten minste 435 miljoen gulden tekortkomen (125 miljoen wanneer de geneesmiddelen buiten beschouwing blijven). Daarbovenop zouden nog honderden miljoenen nodig zijn om bestaande wachtlijsten weg te werken. Het doet denken aan vrouw Piggelmee. Zij stuurde haar man keer op keer met nieuwe wensen naar het `visje, visje in de zee`, dat aanvankelijk al haar wensen vervult, maar uiteindelijk schoon genoeg krijgt van de veeleisende en ondankbare echtgenote van mannetje Piggelmee en alle milde gaven terugneemt. Al lijdt de zorgsector aan het Piggelmee-syndroom, het is hoogst onwaarschijnlijk dat het kabinet de verruimde middelenstroom afknijpt. Als er namelijk een (grotendeels) collectief gefinancierde voorziening is die onder de kiezers grote populariteit geniet, dan is het wel de zorg.

De claim van de sector op nog meer middelen dan Paars II al beschikbaar stelt berust op becijferingen in het afgelopen maandag gepresenteerde rapport Gezondheidszorg in tel. In dit rapport kwantificeren de opstellers een `zorgkloof': het verschil tussen de in hun ogen benodigde en door de overheid beschikbaar gestelde middelen. Dit begrip is misleidend, want het gaat niet om een tekort aan zorg maar om een beweerd budgettair gat. Met de wel beschikbare middelen kan best meer zorg worden geproduceerd en kunnen bestaande wachtlijsten voor een aanzienlijk deel worden weggewerkt, bijvoorbeeld door doelmatiger te werken, wanneer verplegenden genoegen nemen met elk jaar een half procent minder loonsverhoging, als de prijzen van medicijnen worden bevroren, of politici duidelijke priorieiten zouden durven stellen.

Op de berekening van de benodigde middelen valt bovendien het nodige af te dingen. Bij de raming van de toekomstige zorgbehoefte houden de opstellers van het rapport allereerst rekening met veranderingen in omvang en samenstelling van de bevolking. Demografische veranderingen zouden nopen tot ongeveer 1 procent groei van de hoeveelheid zorg per jaar. In de praktijk blijkt dit lang niet altijd nodig te zijn. Zo krimpt, ondanks de voortgaande vergrijzing, de capaciteit van de verzorgingshuizen (de vroegere bejaardenoorden). Daarnaast trekken de auteurs van het rapportuitgaventrends uit de periode 1991-1997, met inbegrip van het effect van overschrijdingen en intensiveringen, min of meer klakkeloos door naar de toekomst.

Zo maken de rekenmeesters politici tot gevangenen van hun eigen verleden. Bovendien nemen ze aan dat de productiviteit in de zorgsector dooreengenomen niet verder zal verbeteren. Elk van deze uitgangspunten is aanvechtbaar en kan worden bijgestuurd door politici die zich niet van door belanghebbenden gefinancierde cijferaars afhankelijk willen maken.

    • Flip de Kam