Gecultiveerd heimwee; Persoonlijke mythe van W.G. Sebald

Bannelingen zijn wij allemaal. We dwalen rond in een vijandige wereld sinds onze smadelijke verdrijving uit het paradijs. Of we dat paradijs nu de Hof van Eden noemen, het vaderland, de natuur of domweg onze kindertijd, altijd is er een besef van gemis. Het geluk dat we ons des te beter herinneren naarmate we er minder van hebben komt hooguit terug in het hiernamaals en ook wie nergens meer in gelooft, droomt stiekem over de hemelse toestand van voor zijn verdrijving.

W. G. Sebald is een ongelovige die het stiekeme wel voor gezien houdt. In zijn werk geeft hij openlijk toe aan zijn verlangen naar vroeger, al doet hij dat op een stille manier. Het liefst vertelt hij over zichzelf door over andere, eveneens stille mensen te vertellen. Altijd zijn dat ontheemde zielen die veiligheid zoeken in een vreemd land en verre gedachten. Die Ausgewanderten (De emigres, 1992) ging over joodse Duitsers in de Nieuwe Wereld; ook daar verlieten zij zelden hun schuilplaats maar W.G. Sebald wist hen te vinden. En pakte hun geheim toch niet af. Een zweem van raadselachtigheid bedekt deze verloren gewaande migranten, die misschien echt bestaan of bestonden en misschien ook niet. Je weet bij W.G. Sebald nooit of je fictie leest dan wel feiten; de grens tussen duimzuigsel en documentaire, tussen gedegen onderzoek en geschiedvervalsing is in zijn proza moeilijk te trekken.

Logis in einem Landhaus heeft in de hoofdrollen bekendere mannen. In plaats van aan Dr. Henry Selwyn, Ambros Adelwarth en dergelijke obscure types wijdt Sebald zich nu aan onder anderen Johann Peter Hebel, Gottfried Keller Robert Walser en Eduard Morike, aan dode en beroemde collega's. Ze komen allemaal uit Zwitserland of Zuid-Duitsland. Aangezien Sebald zelf een Alemanne is, heeft hij alvast het dialect en de geboortestreek met hen gemeen. Ze trachten aan hun geboortestreek te ontsnappen, deze collega's: ze gaan voor hun Bildung bijvoorbeeld naar het verre Berlijn. Daar voelen ze zich nog ontheemder dan in de Heimat en teleurgesteld keren zij terug naar de provincie.

Zover is het nog niet met de emigre Sebald. Geboren in 1944 in Wertach in de Allgau woont hij al een kwart eeuw in het Engelse universiteitsstadje Norwich, waar hij Duitse letterkunde doceert en vooral zijn heimwee cultiveert.

Zijn melancholie reikt van z'n treurig neerhangende grijze snor tot en met het ongeluk dat hij zijn uitverkoren schrijvers oplegt. Het gevoel in de verkeerde tijd te leven heeft bij hen, suggereert Sebald, gevaarlijke proporties aangenomen. Ze brengen zichzelf in gevaar met hun schrijfdrang die allang tot dwang is verworden. Ze schrijven nog als de kracht daartoe hen allang heeft verlaten. Daar ze zich bewust zijn van het overtreden der gezondheidsnormen schrijven ze heimelijk, zoals Robert Walser, die zijn postzegelgrote notities zorgvuldig in zijn gekkenhuisbed verstopte. Fijntjes definieert Sebald deze schrijfdwang als een `eigenaardige gedragsstoornis die elk gevoel in letters veranderen moet en met verbazingwekkende precisie aan het leven voorbij schiet.'

Het leven: dat is voor Sebalds schrijvers de vreemdheid, de angst voor het zwakke geslacht, voor de totale mislukking, voor chaos en revolutie. Het systeem van de achttiende-eeuwer Johann Peter Hebel bestond uit kalenderwijsheden, verhaaltjes, elke dag een ander, voor het gewone volk. Montere, bravig-vrome verhaaltjes zijn dat, bedoeld om het volk zijn plaats te wijzen, maar Sebald negeert dit aspect. Hij maakt van Hebel een man met oog voor catastrofes, een schrijver die toch niet geheel aan het leven voorbijschiet.

Omdat Sebald zijn helden in bescherming neemt tegen de aantijgingen bijvoorbeeld dat zij reactionair, ouderwets en wereldvreemd zijn, moet hij zich af en toe in bochtjes wringen. Hij moet aantonen dat zij de wereld ontvluchtten en toch ook weer niet, zoals Sebald met zijn ene been in de romantiek wil staan en met het andere in de realiteit. Twee van zijn lievelingsschrijvers, de Zuid-Duitser Morike en de Zwitser Keller, zijn exponenten van respectievelijk het Biedermeier en het Burgerlijk Realisme.

Sebald vermijdt die etiketten omdat ze een muffige reputatie hebben, maar ze zeggen wel iets over een mentaliteit. In beide stromingen overheerst de hunkering naar een overzichtelijke wereld, naar een kleine, hechte gemeenschap. De 19e-eeuwers Keller en Morike prefereerden het land boven de stad, de agrarier boven de industriearbeider en de eerlijke ruilhandel boven het vuile gespeculeer met geld. Wat Sebalds favorieten in zijn ogen actueel maakt, is hun kritiek op het kapitalisme.

Zij treurden over de verwoesting van de natuur en het verdwijnen van de stilte, over de verlelijking en de massificatie van de mens en haatten in feite al wat modern was. Dat is de belangrijkste overeenkomst tussen de auteur van Logis in einem Landhaus en zijn personages. Het lijkt me niet verkeerd om ook Sebald een Burgerlijk Biedermeierschrijver te noemen. Hij hoeft zich daar niet voor te schamen: misschien gaan we het genre dankzij hem juist waarderen. Er is, binnen en buiten de literatuur, immers behoefte aan revolutionairen, maar ook aan mensen die vechten voor het behoud van dingen uit het verleden. Wanneer Sebald zijn collega Keller prijst als een `poeet van de vergankelijkheid', als een dichter met een ware `verzamelaarswoede, die hem ertoe beweegt in haast al zijn verhalen kleine juwelenkistjes te stoppen', dan prijst hij natuurlijk zichzelf. En het is waar: ook Sebald heeft in zijn verhalen juwelenkistjes gestopt.

Kistjes vol ouderwetse, bedachtzame, zwevende zinnen en spullen die hij op de rommelzolder vond. Tekeningen en vergeelde foto's, gedroogde bloemen, krabbels en krakend-oude kalenderbladen: ze zijn allemaal afgebeeld in het boek. Twee keer zien we Sebalds opa, de laatste keer als wandelaar met hoed en overjasje en een stuurse, dromerige blik.

De opa-foto's staan heel verwarrend tussen de foto's van Robert Walser, die er hetzelfde uitziet. Alleen: de ene heer wandelt solo terwijl de ander een kleine blonde jongen aan de hand houdt. Zo, geraffineerd en naief tegelijk, bouwt W.G. Sebald aan zijn persoonlijke mythe.