Eigentijdse sjablonen

Twee jaar geleden debuteerde Karlijn Stoffels met het indrukwekkende jeugdboek Mosje en Reizele. Ze won er onmiddellijk de kersverse prijs `de Gouden Zoen' mee. Mosje en Reizele is het verhaal van twee inwoners van het beroemde weeshuis van dokter Korczak in Polen tijdens de oorlog. Sindsdien schreef Stoffels in een moordend tempo verder, zodat nu alweer de derde geengageerde roman voor jongeren van haar hand verschijnt.

Haar nieuwe boek, Khalid, speelt in een Bijlmerachtige wijk waar de wind giert tussen kale flats. In deze zielloze omgeving komt een heftig puberend meisje te wonen met haar moeder. Ze zijn bijna de enigen in de wijk die ook van Nederlandse afkomst zijn, al is er ook nog hangjongere Eddie met zijn brommer en `jankende Jackie' die onder de blauwe plekken zit. Hoe zou dat nou komen?

De lezer is dat al meteen duidelijk. Maar hoofdpersoon Evelien heeft een half boek nodig voor ze het verband legt tussen het geschreeuw vanaf een balkon `s nachts en de van blauw naar geel verkleurende butsen en builen van Jackie. Stoffels probeert haar onopmerkzaamheid te verklaren uit haar antipathie voor Jackie, en uit het feit dat Evelien zo verliefd is op medebuurtbewoner Khalid. Khalids ogen zijn donkerbruin, net als zijn haren en zijn huid. Hij weet alles van de natuur en wijst Evelien op menig metselwesp en miljoenpoot. Hij past altijd op zijn kleine zusje Hind en bouwt voor Evelien een prachtige geheime hut. Vreselijk slim en bijzonder is hij kortom, maar lezen en schrijven kan hij niet. Dat blijkt aan het einde van het boek. Omdat de lezer ook dit al geraden had, is het nogal een fletse climax.

Net als Stoffels' tweede boek over illegalen, Stiefland, is Khalid te bedacht. Alhoewel Stoffels doet voorkomen alsof we door de ogen van Evelien meekijken, wil ze de blik van de lezer voortdurend sturen. Aan het begin van het boek is Evelien net verhuisd, maar doet toch al de volgende observatie: `Er staan vier banken op het plein, elk aan een kant, zo ver mogelijk van elkaar af. (...) De Turkse moeders op de ene bank, en op de andere de Marokkaanse. De derde bank is voor de vaders en de vierde bank is leeg.

Dat is de Nederlandse bank, denk ik, want er zit nooit iemand.'

Stoffels beseft dat dit ongeloofwaardig over kan komen, dus haast ze zich te benadrukken dat Evelien al een week `op haar bed heeft zitten kniezen' en alle tijd had om naar buiten te staren. Maar het helpt niet. Hoe weet Evelien zo precies het verschil tussen Turkse en Marokkaanse moeders? Zitten vaders wel door elkaar? En waarom is het handig zo ver mogelijk uit elkaar te zitten? Of de moeders over elkaar roddelen, kan ze vanuit de flat niet horen.

Het is allemaal zo vreselijk voorspelbaar, zo typisch jeugdroman-achtig. Natuurlijk is Khalid een schoonheid, is de Nederlandse Eddie net een big. `Zijn mond is breed en hij heeft bolle ogen. Zijn gezicht lijkt meer op dat van een kikker. Een breedbekbig.' Uiteraard.

Karlijn Stoffels doet een zwakke poging aan het probleemboek-sjabloon te ontkomen door de mishandelde Jackie een zeldzaam onaangenaam mens te maken. Maar het mag niet baten. Stoffels is een kundig schrijfster, zolang ze haar engagement kwijt kan aan het verleden. Het lukt haar niet van deze tijd literatuur te maken. Daarvoor is ze te betrokken, te moralistisch.

    • Judith Eiselin