Tv-maker Sinan Can vond loonstrookjes van IS-strijders, met toeslag voor overwerk

Interview Sinan Can reisde door Irak en Syrië voor de documentaire In het spoor van IS. Het viel hem zwaar. „IS-strijders zijn erger dan de nazi’s.”

Documentairemaker Sinan Can in de bevrijde IS-stad Mosul. Foto’s Bruce Amende

„Ik wilde zo graag, op die hele reis, één iemand horen zeggen: ‘Dit is een donkere tijd, maar het komt goed.’ Die ene quote, daar heb ik zo naar gezocht, want daar wilde ik mijn documentaire mee eindigen. Ik breng graag hoopvolle verhalen waar je ook een beetje blij van wordt. Maar niemand zei het. Niemand had hoop.”

Net nu de Iraakse regering het einde van Islamitische Staat (IS) verkondigt, zendt de publieke omroep deze maandag het eerste deel van het tweeluik In het spoor van IS uit. Hiervoor reisde documentairemaker Sinan Can (Nijmegen, 1977) drie weken door het voormalige IS-gebied in Syrië en Irak om de slotakte van het kalifaat te filmen. Can: „Ik dacht: dit is het moment. Wij moeten op de smeulende resten filmen. Als je twee weken later komt, is alles weg.”

Eén dag nadat Can aankwam in Mosul, viel de IS-stad in handen van het Iraakse regeringsleger. Can: „Een BBC-journalist zei: verdomme, ik zit hier al acht maanden. Jullie komen net aanrijden en Mosul valt.”

Can vertelt in de documentaire de geschiedenis van IS. Hij staat op het voetbalveldje in Sargat waar terrorist Abu Musab al-Zarqawi en zijn mannen schietoefeningen deden – de voorloper van IS. Hij staat bij de al-Nuri-moskee In Mosul, waar Abu Bakr al-Baghdadi in juni 2014 voor het eerst als de IS-kalief verscheen. Can raapt tussen de puinhopen een koran op, en legt hem weer neer. „Stom, dacht ik later, ik had hem mee moeten nemen als souvenir: de koran van Baghdadi.”

Erger dan de nazi’s

Hoewel Can al eerder uitzichtsloze burgeroorlogen filmde, voor de documentaires Onze missie in Afghanistan en De Arabische Storm, viel deze reis hem bijzonder zwaar. „Toen ik terugkwam kon ik niet slapen, ik was zwaar chagrijnig, ik was uitgeput, helemaal leeg. Ik ben op vakantie naar Italië gegaan, maar ik kon mijn spanningsniveau niet naar beneden krijgen. ’s Nachts kon ik niet slapen en liep ik een ronde om de stad heen. En nog steeds achtervolgt het me. Dan zit ik ergens en dan denk ik eraan en dan ga ik huilen. Ik loop ’s zondags door Nijmegen, door de rust, en dan denk ik je: dit is surrealistisch, dit is niet echt.”

Wat Can opbrak waren de inkzwarte verhalen over de drie jaren van IS-schrikbewind die hij te horen kreeg. „Ik heb in Mosul een kooi gezien in een hotelzwembad, waarin mensen werden verdronken. Ik heb kooien gezien waarin vrouwen op een markt als slavinnen werden verhandeld. Ik heb aan de oever van de Tigris gestaan, waar 1.500 man een nekschot kregen en in de rivier werden gegooid. Ik heb gehoord van mannen wiens handen en voeten werden afgehakt, om ze vervolgens dood te laten bloeden.”

Maar wat hem het meeste achtervolgt zijn de verhalen van de kinderen, die bijvoorbeeld de executie van hun vader moesten bijwonen. „Een jongetje had van zijn vader gehoord dat het niet echt was – het was maar voor een film. Net als het kind in het nazikamp in de film La Vita è bella.” Can ontmoette in een kamp jongens van tien, twaalf jaar die buikpijn hadden. „Ik dacht: zal wel van het slechte eten of het water komen. Maar die waren allemaal verkracht, als een soort wraak. Ik kan met alles meegaan: dat je boos bent op het Westen, dat je boos bent op die kut-Amerikanen die je land hebben ontregeld. Maar dat je kinderen gaat verkrachten en onthoofden – waar is in godsnaam je geweten?

Barbaars is een understatement, stelt Can: „De IS-strijders zijn erger dan de nazi’s. Ik ben dan ook niet mild over Nederlandse jihadisten die terugkeren. Ook al hebben ze in Syrië alleen maar brood staan bakken, je moet ze behandelen als SS’ers. Een tweede kans? Voor hen? Maar wie gaat die kinderen in Syrië en Irak een tweede kans geven?”

Mee met de milities

Afgezien van wat Can te horen kreeg van de bevolking, was het ook een zware reis puur omdat hij dwars door een burgeroorlog reisde. Can: „We konden helemaal niets van tevoren organiseren. We hadden onze visa binnen, maar na elke wegblokkade heb je een andere militie die de macht heeft, en die kan je weer tegenhouden.” Can en zijn ploeg waren embedded – ze reisden onder de hoede van de milities, die hen gratis begeleidden en bepaalden wat ze wel en niet mochten filmen.

Can: „Voor elke seconde in de film moesten we vechten. Die scène dat we naar de bunker gaan waar Saddam Hoessein zich schuilhield, daar hebben we drie dagen voor moeten zeuren bij de plaatselijke militie. Ze zeiden: ja, maar dat is te gevaarlijk, onverantwoordelijk, hardcore IS-gebied. Uiteindelijk kregen we ter beveiliging tachtig soldaten mee. Toen we daar aankwamen, gingen ze allemaal hun wapens doorladen. Vinger op de trekker. Toen dacht ik: ok, nu snap ik het.”


Omdat het gebied zo’n lappendeken is, moesten ze doorlopend van militie wisselen. In één scène zie je Can met een multomap in de auto zitten om de veertig sjiitische milities van Irak en hun vlaggen uit zijn hoofd te leren. De overdracht van de ene militie op de volgende was steeds een probleem: „Als we aankwamen met de Sadr-militie, dan wilde de Badr-militie ons niet doorlaten. Als we bij de ene groep op de compound hadden geslapen, was de andere jaloers. De commandant zei dan: ‘Jullie laten je gebruiken door de andere militie’. Dan zei ik: ‘Jongens, we hebben jullie gewoon nodig om veilig van de ene naar de andere plek te reizen’. Wat we wel deden, zo mogelijk, was eerst afscheid nemen van de ene militie, en dan door het strookje niemandsland zelf naar de volgende rijden. Dan had je geen ruzie.”

Het reizen met beveiligers van de Iraakse milities – en in Syrië in het kielzog van het Syrische en Russische leger – had als nadeel dat de bewoners vaak niet vrij durfden te spreken. Can: „Het enige wat we konden doen was steeds de grens opzoeken. En in de documentaire mijn eigen twijfels hierover laten zien.” Zo filmde Can in een gevangenenkamp voor familieleden van IS-strijders – oudere mensen, kinderen. Can: „We hebben eerst drie kwartier door het kamp gelopen, met vijftig graden hitte. Net zo lang tot de beveiligers even ergens gingen zitten. Toen konden we theedrinken met de gevangenen en hun verhaal horen. Maar toen de beveiligers kwamen aanlopen, zweeg iedereen weer.”

Je ziet ook dat Can met Iraakse soldaten meerijdt, die vermeende IS-strijders uit hun huizen halen. Je ziet de doodsangst in de ogen van de bewoners. Can: „Mensen waren ook bang voor mij, omdat ik met de militairen meereed. Dan moest ik ze duidelijk maken: nee, ik hoor niet bij het leger.” Die scène zet ook meteen aanhalingstekens om het begrip ‘bevrijdingsleger’. Can: „Er zijn geen good guys in die burgeroorlog. Iedereen neemt steeds wraak op iedereen, er is geen enkele handreiking of verzoening.”

‘Die dikke is wel oké’

Waarom hielpen de milities en legers de tv-ploeg van Can? „Ze beheersen zo’n gebied, dus wilden ze ons ook beheersen, zodat ons niets zou overkomen, dat we niets zouden doen wat zij niet wilden. Verder vonden ze ons gewoon aardig. Dan hoorde ik ze tegen elkaar zeggen in het Arabisch: ‘Die dikkerd is wel oké.’ Of ze zeiden tegen mij: ‘We helpen je omdat we het je gunnen, omdat we je aardig vinden, omdat je netjes blijft – niet boos’.”


Volgens Can hielp het ook dat hij Levantijns Arabisch verstaat en een beetje spreekt – eerder deed hij een intensieve cursus Arabisch in Libanon – en omdat zijn ploeg het Midden-Oosten goed kent. Can: „Je moet bepaalde gedagsregels kennen: nooit kwaad worden, een engelengeduld hebben, je schoenen uit als je binnenkomt, niet zelf naar binnen lopen, in de gang wachten tot de heer des huizes op je afkomt, eerst thee met ze drinken.” En verder: „Ik ben weliswaar geboren in Nijmegen en ik heb niets Arabisch – mijn vader is Turks, mijn moeder Koerdisch – maar ik denk dat mijn moslimachtergrond me toch hielp. Ze vertrouwden me sneller dan een witte journalist.”

Wat ook hielp: Can en zijn ploeg bleven relatief lang in het gebied en sliepen vaak bij de bewoners thuis. Dat schiep een band. Can: „Ik heb op de meest gekke plekken geslapen, ook op de betonnen vloer van een radiostation. Met 120 kilo lichaamsgewicht is dat niet heel fijn. Maar het goede was dat ik dicht bij de mensen was, dichtbij hun verhalen. Als de camera uitstaat, gaan de gesprekken door, ook over dagelijkse dingen. Het grote probleem van werken in het Midden-Oosten is wantrouwen. Als je daar eenmaal doorheen bent, dan willen ze graag met je praten, willen ze je graag ergens mee naartoe nemen.”

Het verlaten stadje

Eén keer had hij mazzel: het Russische leger bevrijdde Maskanah, in de provincie Raqqa, maar trok meteen verder, waardoor het stadje even onbeheerd was. Can en zijn ploeg, die achter het leger aanreden, konden daardoor uitgebreid en vrij filmen, wat een paar van de beste scènes oplevert.


We zien een Syrische dichter en zijn vrouw op een brommertje naar hun geplunderde huis terugkeren. Alles is kapotgemaakt, maar de dichter vindt wel het scheermes dat nog van zijn vader is geweest. Een paar mannen tonen een IS-executieplek, waar slachtoffers werden gekruisigd aan een schommel. We zien een oude man met een kalasjnikov die triomfantelijk zegt: ‘Die Bagdhadi kan mijn reet likken’. Can: „Toen we klaar waren met filmen, zei ik tegen de anderen: alles is misgegaan, maar nu hebben we een keer geluk.”

Can filmde in een administratiekantoor van IS. Hij vindt loonstrookjes van de jihadisten, met toeslag voor overwerk. En een klachtenboekje. Can: „Daarin stond bijvoorbeeld dat de elektra het niet deed. Maar ook: ‘Abu Hassan moet dood’. En daaronder tussen haakjes: ‘En snel een beetje.’ Er was een klacht van een Franse jihadist, die klaagde dat hij was gekomen om te vechten, maar dat hij alleen maar suffe klusjes mocht doen.”

Werken hoeft niet leuk te zijn

Can maakte eerder de documentaire Bloedbroeders, over de Armeense genocide van 1915. Dat kwam hem op veel doodsbedreigingen te staan, vanuit Turks nationalistische hoek. Daarna maakte hij drie documentaires over de oorlogen in het Midden-Oosten, waarvan zeker de nieuwste hem mentaal en fysiek kraakte. Hij doet gevaarlijk werk waaraan hij geen lol beleeft. Waarom?


Can: „Ik zit niet in de journalistiek omdat ik het leuk vind. Ik hoef geen lol te hebben in mijn werk. Ik wil impact hebben; dat is waarom ik het doe. Ik heb een film gemaakt over het verdere lot van uitgewezen kinderen, Uitgezet, dat heeft mede geleid tot het kinderpardon. Als ik hoor dat er donderdagavond in Rotterdam een bijeenkomst was van Turken en Armeniërs samen, dankzij Bloedbroeders, dan ben ik tevreden. Dan is me het allemaal waard. Als je vraagt: waar heb je een steen verlegd? Dan zeg ik: met Bloedbroeders. Dan is het me het allemaal waard.”

En wat wil hij met In het spoor van IS bereiken? „Deze documentaire heeft geen happy ending en daar maak ik me zorgen om. Hebben de kijkers daar wel zin in: twee keer veertig minuten zware kost met weinig hoop? Maar door de vluchtelingenstroom en de terreuraanslagen is Syrië dichterbij gekomen. We lezen al drie jaar over IS, maar weten we wel hoe het is begonnen, en hoe het zich heeft ontwikkeld?

„Ik hoop dat een paar kijkers geroerd zijn door de verdrietige verhalen. Ik hoop dat mensen die op de PVV stemmen ernaar kijken. Als ik met een zo’n film tien mensen op andere inzichten kan brengen, over vluchtelingen, over moslims, dan ben ik tevreden.”

In het spoor van IS (BNNVARA) Maandag, NPO 2, 21.10-22.00u. (Volgende week maandag deel 2.)