De verlichte moslimjaren; Arabische mythe doorbroken

De rivaliteit tussen de Westerse en Arabische wereld is oud. Al eeuwen wordt de verhouding gekenmerkt door een sfeer van naijver, korzeligheid en onbegrip, waarbij de een de ander niks gunt. Een van de wrijfpunten was vanouds de klassieke Griekse beschaving, waaruit zowel Oost als West elk voor hun eigen doeleinden hebben geput. In Europa geloofde lang niet iedereen dat de Arabische wereld daarmee ook iets tot stand had gebracht. De vermaarde Duitse historicus Th. Mommsen meende zelfs te weten dat de islam de klassieke beschaving had vernietigd.

Daarin stond hij niet alleen. Terwijl het zelfbewustzijn van de negentiende-eeuwse Westerse wereld groeide, werd de Arabische cultuur verbannen naar de eerloze wereld van de toeeigenaars, naapers en overschrijvers. Wanneer het achttiende- en negentiende-eeuwse Europa naar het Midden-Oosten keek, trof men er niet de `edle Einfalt' en de `stille Groetanyahue' aan die daar sinds Winckelmann het inspirerende kenmerk van de Griekse oudheid was, maar een samenleving in verval, bevolkt door de verfoeilijke muzelman. Toch was het ook een wereld die de nieuwsgierigheid wekte en fantasieen opriep. In de verbeelding was het Oosten een wereld vol sensualiteit en wreedheid, die de onderdrukte verlangens van menig negentiende-eeuwer weer tot leven brachten.

De gemeenplaatsen wilden sindsdien altijd dat het Midden-Oosten `sprookjesachtig' en `mysterieus' was: de verhalen van Duizend-en-een-Nacht konden er gisteren zijn gebeurd. Natuurlijk, men wist vagelijk dat diezelfde wereld zich ooit diepgaand voor de geleerde cultuur van de vereerde klassieke oudheid had geinteresseerd, maar weinigen waren bereid die belangstelling serieus te nemen. Het zijn de dagen dat de Duitse Altertumswissenschaft bezig was het oude Griekenland voor zich op te eisen en grondig te `pruissificeren'. De ware geestelijke erfgenamen van het oude Hellas woonden en doceerden in Duitsland, al trof men ze ook wel elders in Europa aan. Dat ze vanouds ook in de Arabische wereld te vinden waren, kon niet waar zijn. Met deze opvattingen werd de toon gezet voor later, want de stemmen van degenen die wel beter wisten klonken zwak.

Ze klinken nog altijd zwak. De onderlegde publieke opinie in beide werelden weet nog altijd weinig van elkaars geschiedenis.

In beide kampen koestert men zijn vooringenomenheid want een herziening van standpunten zou een herziening van het historische en religieuze beeld van de ander vereisen en daar is nog steeds niet iedereen aan toe. Toch is er een handjevol geleerden dat in gewetensvolle arbeid, ver van de waan van de dag, de culturele verwantschap van Europa en het Midden-Oosten, hun vroege banden of hun verhouding tot de Oudheid probeert te ontrafelen.

Omwenteling

Een van hen is Dimitri Gutas, hoogleraar in de Arabische taal- en letterkunde aan de universiteit van Yale, die met zijn Greek thought, Arabic culture een geschiedenis heeft beschreven van wat men op het eerste gezicht niet anders kan noemen dan een periode van intellectuele vraatzucht. De tweede titel maakt duidelijk wat ermee bedoeld wordt: The Graeco-Arabic Translation Movement in Baghdad and Early 'Abb–asid Society (2nd-4th/8th-10th centuries).

Het valt op dat Gutas het hier over een `beweging' heeft. Dat doet vermoeden dat de vertaalcultuur, waarin Griekse filosofie en wetenschap in het Arabisch werden vertaald, een ideologische achtergrond moet hebben gehad. Dat blijkt inderdaad het geval te zijn geweest. Rond 750 verdreef het geslacht der Abbasiden op de golven van sociale onvrede de heersende Omajjaden uit Damascus. Om uitdrukking aan hun nieuwe politiek te geven stichtten de nieuwe kaliefen een hoofdstad: Bagdad. Het zou een stad worden die meer dan het hellenistisch georienteerde Damascus de veranderde geografische, ethnische en culturele kaart van het rijk zou weerspiegelen. Het zou een stad zijn waar de geschiedenis van dit deel van de wereld opnieuw begon.

De machtsgreep van de Abbasiden betekende ook een omwenteling in de Islam die zich weldra van het exclusieve geloof van een veroveraarselite zou gaan ontwikkelen tot een religie met universele pretenties.

In dat proces zou de `vertaalbeweging' een belangrijke rol spelen.

In de zevende en achtste eeuw hadden de Arabische veroveraars een aanzienlijk deel van het voormalig Romeinse rijk veroverd maar eveneens - en dat wordt wel eens over het hoofd gezien - het gehele Perzische rijk, dat destijds, behalve het huidige Iran, ook Irak omvatte en dat zich in het oosten tot ver over de huidige grenzen uitstrekte. Het is de Perzische staatsideologie die, zoals Gutas laat zien, van bepalende invloed is geweest bij de vorming van de Abbasidische staatsidee.

Volgens de overlevering was in de mist der tijden, toen de profeet Zoroaster nog op aarde wandelde, de Avesta, het heilige boek der Perzen opgetekend. Het moet een merkwaardig werk zijn geweest als we de negende-eeuwse geleerde en vertaler Qusta ibn-Luqa (d.w.z. Constantijn zoon van Lucas) mogen geloven. Het telde `twaalfduizend' delen, gebonden in waterbuffelleer, en was geschreven in `goudinkt'. Het bevatte `alle kennis en alle talen' ter wereld. Het verhaal ging dat deze boeken later door Alexander de Grote op zijn veroveringstocht waren vernietigd of gestolen uit jaloezie jegens de Perzische wetenschap. Alle kennis, ook de Egyptische en Griekse, was dus in oorsprong Perzisch.

In de derde eeuw van onze jaartelling was de leer van Zoroaster nog altijd de staatsreligie van het Perzische rijk, dat zichzelf zag als de wettige erfgenaam van het oeroude Perzische rijk met zijn weergaloze beschaving. De heersers ontwikkelden een ideologie om dit zelfbeeld te cultiveren en te verspreiden ter legitimering van hun koningschap en morele superioriteit. Om de wereld van Zoroaster te herstellen, rekenden de Perzische vorsten het daarom tot hun taak de ooit verloren gegane en over heel de wereld verspreide wetenschap, die immers hun erfgoed was weer bijeen te brengen en terug te vertalen.

Toen in de zesde eeuw op last van de Romeinse keizer Justinianus de heidense filosofenschool van Athene haar poorten moest sluiten, werden in Perzie de brodeloze denkers met open armen ontvangen.

De Abbasidische kaliefen waren mede dankzij de steun van zowel islamitische als Zoroastrische Perzen aan de macht gekomen. Om de invloedrijke Perzische nationalisten zoveel mogelijk wind uit de zeilen te nemen, streefden ze ernaar door hun onderdanen te worden gezien als de legitieme opvolgers van de Perzische en oude Mesopotamische heersers. Daarom omhelsden ze de Zoroastrische staatsidee van hun verslagen voorgangers.

Een aspect van deze ideologie - waarin de vorst als de hoeder van alle kennis en wetenschap optrad - kwam bijzonder goed van pas om het antwoord te vinden op een probleem dat de Abbasiden steeds meer hoofdbrekens bezorgde. De aanhang van de islam onder de overwonnen volkeren groeide. Hierdoor kwam het nieuwe geloof onder vuur te liggen van de gevestigde godsdiensten die hun aanhang zagen slinken. Nu was de islam nog jong en kende geen theologie van betekenis en van een duidelijk leergezag was al evenmin sprake, waardoor men zich niet voldoende toegerust achtte om de discussie met meer door de wol geverfde, veelal christelijke tegenstanders, aan te gaan.

Aristoteles

De Zoroastrische staatsidee en de bijbehorende vertaaltraditie zorgden voor de legitimering om de instrumenten en de kennis voor een dergelijk debat te halen waar ze te vinden waren: in de Byzantijnse bibliotheken. Een van de eerste boeken die men uit het Grieks vertaalde was de Topica van Aristoteles, een argumentatieleer die men in de polemiek met de tegenstander goed kon gebruiken.

Om dezelfde reden werd de Physica, waaruit men kennis over het wezen der dingen kon opsteken, al vrij vroeg vertaald. Maar ook al was Aristoteles al duizend jaar dood, hij was wel een Griek geweest en als zodanig een voorvader van de christelijke rivalen in Byzantium.

De propagandisten van het Abbasidische regime dachten daar anders over. De Byzantijnen spraken dan wel een soort Grieks, maar ze bleven in alles achter bij de oude Grieken. Volgens een andere redenering was het christendom de oorzaak van het Byzantijns verval, omdat de kerk zich tegen alle filosofie en wetenschap verzette. Daarentegen waren de kaliefen in Bagdad, als de legitieme opvolgers van de oude koningen, de erfgenamen en de hoeders van alle wetenschap, dus ook van de Griekse. Zo ontstond de merkwaardige situatie dat de kalief van Bagdad zich kon opwerpen als de enige en ware beschermer van de antieke Griekse filosofie en wetenschap, die hij tegen het Byzantijns obscurantisme verdedigde. Tegelijk werd de nieuwverworven kennis benut om de positie van de islam te versterken en die geleidelijk uit te bouwen tot een universele religie voor alle volkeren, met de kalief als Verdediger van het geloof aan het hoofd.

De belangstelling voor Griekse filosofie en wetenschap werd niet alleen door politieke motieven geinspireerd, ze groeide uit tot - in Gutas' woorden - een `beweging', die zich overal in intellectuele kringen manifesteerde. In opdracht van mecenassen zwermden vertalers uit over het Byzantijnse rijk en de voormalige Byzantijnse gebieden om wetenschappelijke manuscripten op te sporen en te vertalen.

Leerstellig

Voor de Griekse cultuur, in onze zin van het woord hadden de Arabieren nauwelijks belangstelling, men was alleen uit op filosofische en wetenschappelijke werken of op praktische kennis als geneeskunde, landmeetkunde en architectuur.

Anders dan later in Europa zochten ze in de oudheid geen voorbeeldwereld of morele en esthetische autoriteit. Dat is een essentieel verschil met de wijze waarop in het westen altijd naar de klassieke oudheid is gekeken. Het beeld dat de antieke wereld van zichzelf had, kon ook nooit op dezelfde wijze door de Arabische en de Europese wereld worden gedeeld niet alleen omdat de Latijnse cultuur, die in Europa zo'n grote plaats innam, de Arabieren onbekend was, maar ook omdat ze voor de Griekse literatuur en drama geen interesse hadden. Ook was de kijk op het vertalen anders dan welke zich later in west-Europa zou ontwikkelen. Sommige belangrijke vertalers hielden zich liever aan de strekking van een tekst dan aan de woordelijke betekenis. Indien nodig pasten ze de inhoud aan de wensen van hun opdrachtgever aan of ze voorzagen de vertaling van een commentaar. Soms volstond men met een parafrase of een uittreksel.

Na twee eeuwen raakte de vertaalbeweging over haar hoogtepunt heen. De tijden waren aan het veranderen, bovendien was er niet zoveel belangwekkends meer te vertalen en traden de filosofen in de Arabisch sprekende wereld nu ook als zelfstandige denkers, theologen en geleerden op.

Een ding wordt bij lezing van Greek thought, Arabic culture duidelijk: de wereld van de islam was in zijn jonge jaren verrassend open verlicht en bereid tot een debat dat nog niet bij voorbaat al met onwrikbare leerstelligheid was dicht gemetseld. Het geloof stond nog in de steigers, religieuze scherpslijpers kwam men niet tegen. Je vraagt je dan ook af of de hedendaagse fundamentalisten wel weten waarover ze praten als ze de beginperiode van de islam aanprijzen als een voorbeeldige tijd waarin alles nog was zoals het de profeet het zou hebben bedoeld.

    • Allard Schröder