De onofficiele Shakespeare; Eric Sams over herontdekte Shakespeare-stukken

De Engelse onderzoeker Eric Sams stelt op grond van overtuigend bewijs dat de toneelstukken `Edmund Ironside' en `Edward III' geschreven zijn door Shakespeare. Maar de Royal Shakespeare Company wil er niet aan. Sams: “Een instituut dat niet aan het wankelen gebracht wil worden, kan nu eenmaal nooit in beweging komen.'

William Shakespeare's leven kent tien verloren jaren. Niemand, geen enkele shakespeareaan, weet wat de toneeldichter deed in die periode ongeveer het eerste decennium van 1600.

De Britse Shakespeare-kenner Eric Sams wel: “Hij schreef, net zoals in die tijd ervoor en erna toneelstukken. Twee per jaar was zijn gemiddelde. Dus twintig stukken. Maar niemand die dat wil geloven, of anders heel moeizaam. Want die lieden van de officiele Shakespeare-edities, zoals van de Arden-reeks of van de Universiteit van Oxford, hebben een veel te verheven beeld van Shakespeare. Dat hij niet voor geld schreef, bijvoorbeeld. Onzin. Twintig stukken vertegenwoordigen een enorm kapitaal. Ga maar na: de opvoering honorarium voor schrijver en acteurs. Naderhand het drukken. Want toen gold het ook: Shakespeare sells.'

Eric Sams is tweeenzeventig jaar. Hij vecht al jaren tegen de officiele vertegenwoordigers van Shakespeare. Die van het bolwerk dat de Royal Shakespeare Company heet. Of de redacteuren van de standaardedities. Daarin ontbreekt namelijk een aantal stukken, zoals Edmund Ironside en Edward III. Sams heeft, na nauwgezet onderzoek, aangetoond dat deze werken tot de canon behoren. Dagen bracht hij door in The British Library, gebogen over handschriften en drukken. Zijn bewijs is hem niet in dank afgenomen, hoewel het verscheen bij de gezaghebbende Yale University Press.

Intussen heeft hij zijn triomf behaald: de redacteur van de enige wetenschappelijke Shakespeare-editie, Proudfood van The Arden Shakespeare, is overstag gegaan. Hij heeft toegezegd Edward III toe te voegen aan de complete werken.

Reistas

Door de telefoon vroeg Eric Sams me hem welke maandag dan ook te ontmoeten in zijn club in Londen `om 12.30 uur stipt'.

Die club ligt aan de stille Scotland Yard Street, een zijstraat nabij Picadilly. Het roodstenen gebouw oogt voornaam, is van binnen wat versleten door de verstreken jaren, sigarenrook en de galm van drinkende mannen. Sams trekt zijn regenjas uit, hij draagt een reistas vol papieren en boeken bij zich.

De naam `Shakespeare' alleen doet in hem het ene na het andere verhaal ontsteken. Hij zegt: “Het was in de late zestiende en vroege zeventiende eeuw gebruikelijk dat een toneelstuk anoniem werd uitgegeven. Het ging niet om de naam, wel om het stuk. In de loop van de zeventiende eeuw, na Shakespeare's dood, is de canon vastgesteld: dit is wel Shakespeare, dat niet. Er vielen stukken buiten de boot, zoals het prachtige en poetische Edward III en het bloederige drama Edmund Ironside. Ten onrechte. Officieel Shakespeare-Engeland gelooft niet dat Ironside door Shakespeare is geschreven. Het heeft een draak van een plot, is grof van taal, neuzen en oren worden afgehakt. Het geweld in Titus Andronicus is er niets bij. Op grond van stijlovereenkomsten ben ik ervan overtuigd dat Ironside een echte Shakespeare is.'

Tijdens de Tweede Wereldoorlog decodeerde Sams de berichten van de Duitsers. Met succes. De British Army heeft dankzij hem heel wat aanvallen kunnen voorkomen of weten terug te slaan. Sams is een schaker, hij bedenkt cryptogrammen, is pianist en schrijft literaire recensies voor de Los Angeles Tribune. Zijn vermogen tot decoderen en stilistische analyse steunen hem in zijn vorsing van Shakespeare. Er komt nog iets bij: oog voor feiten. Sams: “Er wordt slecht gekeken naar de feiten. Het is toch ondenkbaar dat zo'n gedreven schrijver als Shakespeare tien jaren zou zwijgen.

In de pers ben ik beschreven als een pesky gnat, een lastige muskiet die maar wat rondzoemt in de marge van de orthodoxe Shakespeare-canon.

“Mijn krachtigste bewijs is de stijlovereenkomst tussen Ironside en Edward III enerzijds en toneelstukken als King Lear, Hamlet en Macbeth anderzijds. Shakespeare schreef een zeer individueel Engels, met tal van nieuwvormingen bijzondere combinaties van woorden en een persoonlijke lyriek. Een voorbeeld is de volgende regel uit Edward III: `Like an humble shadow/ it haunts the sunshine of my summer's life.' Hier is de gravin van Salisbury aan het woord, op wie koning Edward III vergeefs verliefd is. Ze praat over haar schoonheid. Die `als een nederige schaduw/ de zonneschijn van haar zomerse leven achtervolgt'. Hier spreekt de dichter Shakespeare. Hij gebruikt altijd tegenstellingen, zoals `shadow' en `sunshine'. Dan de klankovereenkomsten: `humble' en `haunts' en de s-klank in `shadow', `sunshine' en `summer'. Dan is er het fraaie gegeven dat de gravin haar eigen schoonheid als een kwelling ervaart. Want zij, een getrouwde vrouw, kan de koning geen liefde geven.'

In zijn editie van Edward III schrijft Sams met soepele ironie over zijn dertig jaar durende gevecht tegen het establishment. Het is of je een `criminele daad' verricht als je betwiste toneelstukken aan de canon wil toevoegen: “Ja, inderdaad, criminal,' bevestigt hij enthousiast. “Toen mijn editie van Ironside uitkwam, werden de bijlen in literair Engeland geslepen. Iedereen vergeet dat Shakespeare een kunstenaar in ontwikkeling was. Als jonge schrijver en toneelacteur moest hij aan het eind van de zestiende eeuw met zo'n twintig andere auteurs maar liefst zes Londense schouwburgen van stukken voorzien.

Dat waren dus zestig stukken. De kritiek op Ironside was dat het een onrijp, grillig, al te heftig drama zou zijn. Maar Shakespeare was zestien of zeventien toen hij het schreef. Een onstuimige jongen die overvloeide van talent en schrijfdrang. Ik herken in Ironside passages die vergelijkbaar zijn met wendingen uit zijn sonnetten en zelfs uit een rijp werk als King Lear. Voorzichtigjes werd gesuggereeerd dat Shakespeare met een co-auteur zou hebben gewerkt. Daar is geen enkel bewijs voor, bij Shakespeare niet en evenmin bij andere auteurs uit die tijd. Shakespeare schreef zelf. Zou een dichter op die leeftijd samenwerken? Dat deed Mozart niet, Schubert niet, niemand. Van Ironside is bovendien een handschrift bewaard. Shakespeare eindigt met `Finis'; hetzelfde woord staat onder Edward III en koningsdrama's als Richard III en Henry VI. De enige zekerheid op het Britse continent was de universele ontkenning van Ironside en Edward III als geschreven door Shakespeare. Aan die zekerheid heb ik een einde gemaakt. En gaat de Royal Shakespeare Company nu een van die stukken opvoeren? Welnee. Een instituut dat niet aan het wankelen gebracht wilde worden, kan nu eenmaal nooit in beweging komen. Als orthodoxie je wapenfeit is, word je niet zomaar heterodox. De Oxfordians zeiden: `Die Sams heeft in alles gelijk behalve in de naam van de auteur'.'

Sams lacht, fijntjes. Als ik hem eraan herinner dat de Royal Shakespeare Company in 1980 een opvoering van Edward III heeft gegeven, antwoordt hij met: “Maar ze hielden een slag om de arm. Ze zeiden: `It's a possible Shakespeare'.'

Ik zeg dat ik bezwaar heb tegen de compositie van Ironside, die wel erg gammel en wrakkig is. Sams heeft daarover nagedacht: “Het is inderdaad weinig slechts een lijn: twee koningen vechten tegen elkaar en verzoenen zich plotsklaps aan het slot.

Ik ben een man van de poezie en van de taal. De plot van zijn andere koningsdrama's is evenmin opmerkelijk. Ik heb een goed geheugen. Alle Shakespeares liggen in mijn hoofd opgeslagen. Ik herken in het ene stuk meteen passages uit het andere.'

Zo heeft Sams zijn argumenten ook ondersteund: door parallellen aan te wijzen. Het is een fascinerend notenapparaat dat op Edward III volgt. In elke regel weerklinkt een andere Shakespeare-regel. Voorbeeld: `the eye of heaven' staat eveneens in Richard II derde bedrijf, akte 2, regel 37 en in het achttiende sonnet, vijfde regel. En: `cheerfool looks' echoot `cheerful look' uit Hamlet. En `eternal shame' keert weer in Love's Labour's Lost en Hamlet. Zo gaat het honderden voorbeelden door, Shakespeare's idioom is ontegenzeggelijk consistent. Hij citeerde zichzelf veelvuldig, zelfs hele regels, zoals de volgende regel uit Edward III die nagenoeg letterlijk terugkeert in het 94ste sonnet: `Lilies that fester smell far worse than weeds.'

Heilig

Eric Sams was ambtenaar bij het ministerie van Werkgelegenheid. Daarnaast schreef hij boeken over de liederen van Hugo Wolf, Schumann en Schubert. De combinatie woord en muziek is heilig voor hem. Het is aan deze kwaliteiten te danken dat hij een scherp lezer van Shakespeare's teksten is. Hij is geen academicus. Als ambtenaar heeft hij wel, vindt hij, `doeltreffend leren denken': “Kijk eens naar de schilderijen van Van Gogh of naar de composities van Beethoven. Lijkt de Aardappeleters op zijn Japanse tekeningen? Niet echt denk ik. Of is een vroege Beethoven ook zo mozartiaans als de latere? Nee. Een kunstenaar is altijd in ontwikkeling. Shakespeare was een berucht herziener. Als je die herzieningen bestudeert, dan valt op dat al te gemakkelijke cliches door hem veranderd zijn in persoonlijk taalgebruik.

Dat werken met contrasten is van later tijd; in eerder werk, dat wel tot de canon behoort, heeft hij het nadrukkelijk toegevoegd.'

Zoals elke Engelse leerling las Sams op jonge leeftijd zijn Shakespeare. Al vroeg verbaasde hij zich erover dat de zogenaamde kenners meteen in de verdediging sprongen als werd beweerd dat enkele zwakke stukken uit de elizabethaanse tijd door Shakespeare werden geschreven: “Shakespeare moest leven, de theaters moesten gevuld worden met toeschouwers. Er was een enorme vraag naar theater, vergelijkbaar met de hang nu naar soap en platheid op de televisie. Shakespeare voldeed daaraan. De kenners leven van Shakespeare, verscholen in hun bastion menen ze te mogen beschikken over echt of vals. Dat is wel van de hand van Shakespeare, dat niet. Daarmee doe je de dichter groot onrecht. In 1760 beweerde een boekhandelaar, Thomas Goff, dat Edward III door Shakespeare werd geschreven. Hij had gelijk. Maar in de studies komt hij ternauwernood aan bod, just a bookseller. Ik ben het met die boekhandelaar eens. In Shakespeare's tijd en ook daarna herkenden de toeschouwers zijn idioom. Ze konden zich passages herinneren, net zoals ik dat kan. Mijn werk is behalve een eerbetoon aan Shakespeare, een hommage aan het geheugen.'

    • Kester Freriks