De onbedoelde beklemming; Prijs der Nederlandse Letteren voor Paul de Wispelaere

In Mijn levende schaduw, een roman van Paul de Wispelaere uit 1965, noemt de verteller zichzelf een `toeschouwer': `ik leef niet, ik zit hier en kijk, terwijl ik schrijf zie ik, ontdek ik wat ik tevoren niet wist, ik vind stukjes van een puzzel waaraan ik misschien mijn hele leven zal werken, nooit komt het legwerk klaar want het verleden wisselt voortdurend van gedaante volgens het heden (dat niets anders is dan de kop van dit verleden) en de toekomst (die morgen de kop van dit verleden zal zijn)'. Achteraf zijn het profetische woorden gebleken, want met deze `puzzel' is De Wispelaere inderdaad zijn leven lang in de weer geweest, tot en met zijn laatste roman En de liefste dingen nog verder uit 1998, waarin het einde in zicht komt nadat de verteller te horen heeft gekregen dat hij aan kanker lijdt en waarschijnlijk niet meer dan een jaar zal hebben te leven.

Voor zijn literair puzzelwerk ontvangt De Wispelaere volgende week woensdag uit handen van koningin Beatrix de Prijs der Nederlandse Letteren, de meest prestigieuze prijs in het Nederlandse taalgebied. Na eerdere laureaten als Hermans, Claus en Mulisch mag de keuze voor De Wispelaere op z'n minst een verrassing heten. Die keuze is ongetwijfeld mede een gevolg van het feit dat de driejaarlijkse prijs beurtelings aan een Nederlandse en een Vlaamse schrijver moet worden toegekend. Het zou mij niet verbazen als de meeste Nederlandse lezers (in Vlaanderen zal het anders liggen) amper weet hebben van De Wispelaere's toch tamelijk omvangrijke oeuvre, bestaande uit romans, essays en kritieken. De enige uitzondering is wellicht zijn dagboek Het verkoolde alfabet, dat in 1993 werd genomineerd voor de AKO Literatuurprijs.

Om het geheugen op te frissen heeft zijn nieuwe - Nederlandse - uitgever Atlas drie oude romans van De Wispelaere heruitgegeven. Naast het al genoemde Mijn levende schaduw, zijn ook Mijn huis is nergens meer (1982) en Brieven uit Nergenshuizen (1986) herdrukt. Met elkaar geven ze een goede indruk van zijn oeuvre, dat een onmiskenbaar autobiografische indruk maakt. Telkens komen we als verteller dezelfde schrijver tegen, van wie alleen de leeftijd varieert; zijn herinneringen aan zijn ouders, zijn jeugd, zijn geliefden, blijken steeds dezelfde te zijn, al wordt er nu en dan wat weggelaten of bij verzonnen. Maar veel verschil maakt dat laatste nauwelijks, want wat De Wispelaere verzint had evengoed wel echt gebeurd kunnen zijn.

Toch gaat het in dit oeuvre niet om autobiografie zonder meer. De Wispelaere heeft de vuurdoop van het modernisme ondergaan en daardoor weet hij dat het verleden, evenals het heden, niet pasklaar gereed ligt om te worden opgeschreven.

Het ontstaat pas in het verhaal dat de schrijver creeert. Zijn hoofdthema is het contrast tussen leven en schrijven, iets wat van het schrijven een zeer dubbelzinnige aangelegenheid maakt. Het zondert hem van het leven af en tegelijkertijd is het zijn enige middel om dat leven authentiek te maken. Of zoals de verteller van Mijn levende schaduw het paradoxaal uitdrukt: `Alleen schrijvend kan ik de authenticiteit rechtvaardigen van het niet-authentiek zijn'.

De nadruk op authenticiteit verraadt de invloed van het existentialisme. Geboren in 1928, behoort De Wispelaere tot een generatie die zich na de oorlog moeizaam heeft ontworsteld aan traditie en godsdienst, teneinde een nieuwe wind door de Vlaamse letteren te laten waaien. In een vroege roman als Mijn levende schaduw zijn bijvoorbeeld de sporen van de Franse `nouveau roman' te herkennen in de lange elliptische zinnen vol komma's en in de reflectie op het schrijven zelf terwijl de sfeer van melancholie en verzet aan de films van Godard Truffaut of Antonioni herinnert. In zijn latere werk blijkt De Wispelaere een meer eigen toon te hebben gevonden.

Verschanst in een oud boerenhuis, omringd door een met zorg onderhouden tuin, zien we hem nu boek na boek vol argwaan naar de oprukkende Vooruitgang kijken, die overal korte metten maakt met het oude en het vertrouwde - in Mijn huis is nergens meer ook met het boerenhuis zelf, dat moet wijken voor een snelweg en een industrieterrein. De gezochte authenticiteit wordt nu vooral gevonden in een verbeten poging zich tegen het progressieve geweld te verweren, door binnen het `reservaat' van tuin en letteren iets van het verlorene te behouden. Zijn huis is, zoals hij schrijft in Het verkoolde alfabet, letterlijk een `huis van bewaring' geworden.

De Wispelaere's gefoeter op de `snelheidsgekte van deze tijd', de `Universele Lelijkheid' of de `sprinkhanenplaag van het openbare taalgebruik' klinkt vaak nogal obligaat, als een wat al te gemakkelijke vorm van cultuurkritiek. Maar ook nu ontbreekt de dubbelzinnigheid niet want De Wispelaere beseft heel goed dat hij als intellectueel, die zich uit zijn oorspronkelijke milieu heeft bevrijd (zijn vader was timmerman) zelf deel uitmaakt van wat hij bestrijdt. Door in een boerenhuis te gaan wonen om het tegen `verdwijning' te beschermen, werkt hij als `indringer' die verdwijning mede in de hand. Het is juist deze `onvermijdelijk tegenstrijdigheid' die hem aantrekt, zo lezen we in En de liefste dingen nog verder; zij is `een kenmerk van mijn wezen'.

De grootste problemen levert het contrast tussen leven en schrijven niettemin op in de liefde. Door zijn geliefden te beschrijven verandert De Wispelaere hen in `mythische' personages, die de neiging hebben onder zijn pen met elkaar te vervloeien. In een nieuwe geliefde zal hij altijd de trekken van de vorige herkennen, en daardoor berooft hij haar van haar `eigenheid'. Om zelf authentiek te kunnen zijn ontkent hij in feite de authenticiteit van de ander, opgenomen als zij wordt in een literair universum dat alleen het zijne is. Niet alle geliefden nemen daar genoegen mee, en het kost je als lezer geen moeite hen gelijk te geven. De Wispelaere's gewoonte alles voortdurend tot literatuur te transformeren heeft ook iets irritants, juist omdat het zo opzichtig gebeurt; enige koketterie of zelfgenoegzaamheid valt dit literaire egotisme niet te ontzeggen.

Aan de andere kant zit hierin ook de kracht van zijn oeuvre, dat getuigt van een consequent volgehouden inzet.

Telkens wordt hetzelfde hernomen en opnieuw gerangschikt. Het is soms puzzelen op de vierkante centimeter, literatuur die haar literaire karakter wel erg nadrukkelijk opdringt, maar als het lukt kan er ook betovering van uitgaan. Het beste werkt dit procede wat mij betreft in een roman als Brieven uit Nergenshuizen, bestaande uit een aantal brieven aan een jonge, anoniem blijvende bewonderaarster, die buiten het boek aan een studie over Proust werkt en op zeker moment niets meer van zich laat horen. Hier verdwijnt het leven letterlijk in de literatuur, net als in Prousts A la recherche du temps perdu. Met als gevolg dat de schrijver zich aan het slot van zijn laatste brief afvraagt: `Schrijf ik dit nog aan jou?'

Deze slotzin laat hem achter op precies het snijpunt tussen literatuur en werkelijkheid, dat De Wispelaere in al zijn boeken exploreert, een onzekere tussenzone, die alleen dankzij de tekst tot stand komt. In Het verkoolde alfabet lezen we dat de verdwenen briefschrijfster in werkelijkheid helemaal niet is verdwenen, maar de nieuwe geliefde van de schrijver is geworden. Het maakt de roman achteraf tot de meest fictieve van zijn oeuvre, ook al worden er verhalen in verteld die ook al uit eerdere boeken bekend zijn. Maar ditmaal krijgen ze hun plaats in een geheel dat dankzij de distantie tot de autobiografie de dubbelzinnigheid van De Wispelaere's schrijven een raadselachtige en dus overtuigende authenticiteit verleent, die elders wel wordt gezocht maar lang niet altijd gevonden.

    • Arnold Heumakers