De epicus van de wijde wereld; Ludovico Ariosto, schrijver van Ferrara en van `Orlando Furioso'

Ariosto is Ferrara en Ferrara is een literair meesterwerk van een stad. Liever dan met een schaakbord of een labyrint moet de `Orlando Furioso' daarmee vergeleken worden. “Bijna alsof de dichter de ideeen voor zijn plot onwillekeurig heeft opgedaan, terwijl hij de nieuwbouw ofwel discrete herbouw van Ferrara liep te bekijken.'

De aardigste in heel Italie, de gevatste

Osip Mandelstam Ariosto

“Hebt u geen zin om te fietsen vanochtend?' vroeg de receptionist die mee naar buiten was gewandeld, terwijl hij lachte naar de wolkenloze lucht. Hij wees op het fietsenrek naast de hotelingang. “Speciaal voor onze gasten. En als Amsterdammer... Ferrara is het Holland van Italie, nietwaar?' Ook al had ik nog niet in deze termen gedacht over Ferrara, de hoeveelheid fietsers en openbare rekken - tegen de winkelsluitingstijd tot de laatste plaats gevuld, 's avonds na achten onbenut - was me de dagen ervoor opgevallen. En dat je in deze stad wilt fietsen, even onafwendbaar als je elders in Italie vroeg of laat verlangt naar een `motorino', had ik al ervaren op mijn eerste wandeling. Een middelgroot centrum, met enige moeite te belopen. De bodem uitnodigend vlak. Oude straten als renbanen, het effect van hun wijdte versterkt door de ingetogen, niet meer dan twee of drie verdiepingen hoge bebouwing. Genoeg passanten om je niet eenzaam te voelen, maar nergens dreigend gedrang.

In sommige opzichten herinnert Ferrara als typische renaissancestad aan Florence. Een vergelijking ligt daardoor voor de hand. En de vraag: ben je liever hier of daar? Persoonlijk heb ik geen seconde hoeven na te denken. Ferrara. Met die vaart en vrijheid suggererende straten voor ogen was ik verbaasd maar meteen ook opgelucht. Heerlijk geen Florence! Mijn uitstapje hield verband met Ariosto en mijn bewondering, al 25 jaar, voor diens Orlando furioso. Ik was vertrokken zonder concrete verwachting van wat die dagen Ferrara zouden kunnen bijdragen aan mijn begrip van het daar geschreven epos. Maar nu herinnerde ik me hoe ik had gereageerd op mijn allereerste Ariostolectuur: `Heerlijk geen Dante!' Dezelfde sensatie van openheid versus benauwenis.

Dat Dante een onaantastbare literaire reus is, hoeft geen deskundige mij te vertellen. Evenmin dat Florence sights biedt van een hogere orde dan Ferrara. Het onderscheid waarop ik doel staat los van een waardeoordeel. Steden zijn menselijke projecties. Aan sommige kun je aflezen hoe ze zijn opgebouwd naar het voorbeeld van onze anatomie. Andere steden lijken daarentegen symbolen van de wereld buiten de mens. Ze prikkelen ons om op stap te gaan, verder en verder naar het onbekende.

Wat een epos verwant maakt aan een stad is een soortgelijke oorsprong in een projectie. Zo herinnert de Divina commedia, het relaas van een afdaling naar de bodem van de hel en vervolgens van een opgang via de louteringsberg tot de hoogste hemel, mij altijd aan een enorme mensengestalte. De dichter en lezer wandelen, persen zich, kruipen op handen en voeten door een ruimtelijk systeem waar elk detail onwrikbaar vastzit aan zijn plek en functie, ook al is er uitleg nodig (plus geloof) om deze te begrijpen. Zelfs de lucht is er verdeeld in parten en genummerd, zoals de inhoud van een schedel op een anatomische prent. Geen kernachtiger poezie dan die van Dante. Onovertroffen diepzinnig. Het summum van verhevenheid. Maar voor wie er met alle ontzag niet van houdt, blijft dit epos een dwingerig en bekrompen boek.

Orlando furioso, twee eeuwen later geschreven biedt een projectie van onze buitenwereld. Ook hier is het hoofdmotief fysieke verplaatsing. Horizontaal ditmaal. En niet zozeer van de dichter-verteller als van de personages wier duizelingwekkend va et vient hij bezingt. Ridders en edelvrouwen, verwikkeld in een legendarische oorlog op wereldschaal, maar meer nog bevangen door een onstuitbare drang tot reizen.

Van China naar Ierland, van Dordrecht naar Gibraltar hoe sneller hoe liever. Geen vitalere poezie dan die van Ariosto. Geen groter meesterschap in literaire vaart en wendingen. Een summum van ruimdenkendheid. Maar ook Ariosto blijkt te kunnen irriteren. Zijn tegenstanders, opvallend talrijker dan die van Dante, vinden Orlando furioso oppervlakkig. Een kaal en bedenkelijk werelds boek. Dante-Florence, Ariosto-Ferrara? Een alternatief om te onthouden.

Woonstad

Het eerste rendement van mijn pelgrimage, de herdenking van Ariosto's werk als evenbeeld van zijn woonstad, was een verrassing. In de standaardwerken over de Furioso wordt deze gelijkenis bij mijn weten niet vermeld. De dichter zelf noemt zijn stad herhaaldelijk, maar zonder deze te beschrijven. Ferrarees is zijn epos, oppervlakkig beschouwd alleen door de opdracht aan de plaatselijke heersersfamilie, de d'Estes. Ariosto benut hun voorgeschiedenis, officieel teruggaand tot Homerische tijden maar in feite nogal duister, als zijn voornaamste houvast in de chaos van overleveringen waarop zijn meesterwerk is gebaseerd. En, zoals gezegd, dit werk is in Ferrara tot stand gekomen. Met ontelbare correcties, revisies, uitbreidingen, tot het, begonnen omstreeks 1504 in 1532, een jaar voor Ariosto's dood, de recordlengte had van 38736 regels. Sinds 1527 vond Ariosto's dichtarbeid plaats in het enige huis te Ferrara dat zijn eigendom is geweest. Een vrijstaand woonhuis, eerder van een middenstander dan van een patricier, pal aan een straat zoals tientallen andere, waar je het liefst met coureursvaart doorheen zou fietsen. De huidige Via Ariosto onderscheidt zich door niets dan een Latijnse inscriptie op die ene historische gevel: Parva sed apta mihi...

In de laconieke slotwoorden meldt Ariosto dat hij dit `bekrompen maar comfortabele' huis gebouwd heeft op eigen kosten (lees: en niet, zoals netjes zou zijn geweest, op die van de door hem vereeuwigde d'Estes).

Ook al is de Casa di Ariosto een bezienswaardigheid die u gerust kunt overslaan (het interieur achter de levenloze voordeur is zoals veel toeristische plekken in Ferrara, `tijdelijk ontoegankelijk vanwege werkzaamheden'), het feit dat deze muren nog overeind staan heeft iets prikkelend symbolisch. Ariosto, de dichter met waarschijnlijk de meest mobiele geest uit de literatuurgeschiedenis, was qua temperament een thuisblijver. Zijn eerste broodheer, kardinaal Ippolito d'Este, heeft hij willens en wetens geschoffeerd door niet mee te verhuizen toen deze werd benoemd tot aartsbisschop van Hongarije. Hij logeerde met tegenzin in Rome, waar hij een paar maal namens het Ferrarese hof moest onderhandelen met de Paus, en waar tegenover het Pantheon een oude gevelsteen boven een hotelingang herinnert aan de eregast Ariosto. De drie jaar van zijn gouverneurschap, als plaatsvervanger van hertog Alfonso d'Este, in een Appenijns district waar de dichter a la Multatuli verstrikt raakte in bestuurlijke vetes, waren de somberste van zijn leven. Een tevreden mens was hij eigenlijk alleen in Ferrara. Stationair. Zijn gedachten vrij voor het her en der van zijn epos.

Landkaarten

Behalve met manuscripten en boeken moet zijn schrijftafel hebben volgelegen met landkaarten. Hij leefde in het tijdperk van de grote ontdekkingsreizen. Ook al speelt zijn verhaal in de middeleeuwen met Karel de Grote als historisch orientatiepunt, de sfeer is overduidelijk die van rond 1500.

Vasco da Gama. Columbus. Magellaan. De verteller Ariosto, gekluisterd aan zijn werkkamerstoel (te bezichtigen in de Ferrarese stadsbibliotheek) deelt hun honger naar verten, hun geobsedeerdheid door afstanden en routes.

In een verse passage uit de Furioso-editie van 1532 zingt hij temidden van zijn Carolingische relaas de lof van de moderne zeevaarders en conquistadores. Het is een inlas vanuit de actualiteit, even kenmerkend voor Ariosto's compositiemethode als voor zijn zakelijke flair. De Britse bondgenoot van Karel de Grote, Astolfo, moet ijlings terug naar het Europese oorlogsterrein vanaf een betoverd eiland ter hoogte van Indonesie. Hij scheept zich in en koerst richting Perzische Golf, vanwaar de reis zal verdergaan over land. Met hem mee varen twee allegorische gestalten die herinneren aan boegbeelden: Andronica (De Manhaftigheid) en Sofrosina (De Bezonnenheid). Op het moment dat India is gepasseerd en Andronica de vaarrichting bijstelt naar het Noorden, volgt de inlas. Astolfo vraagt haar of er niet een manier bestaat om gewoon door te varen tot Europa. Haar antwoord is het geografische lesje dat iedere scholier sinds Ariosto's tijd kent. De aarde is rond en grotendeels bedekt met water:

Tue dei saper (Andronica risponde)

che d' ogn' intorno il mar la terra

abbriaccia.

Ten tweede, Afrika loopt zover door naar het zuiden dat je er schijnbaar niet omheen kunt varen. Andronica's blik wordt visionair. Zij vertelt van de `nieuwe Argonauten' die `met het wentelen der jaren' de route zullen vinden langs Kaap de Goede Hoop. En van `anderen' die `over zevenhonderd jaar' vanuit de Straat van Gibraltar de `ronde baan van de zon' zullen blijven volgen en uiteindelijk aanmeren bij een `nuovo mondo'.

Haar voorspellingen besluiten met een ode op Ariosto's tijdgenoot Karel V. De Habsburger, over wiens rijk zoals bekend de zon nooit onderging, wordt een ogenblik de held van het ridderepos.

Onderzoekers hebben vastgesteld dat Ariosto's toevoeging aan het Astolfoverhaal is geschreven tijdens een zeldzaam intermezzo van politieke eensgezindheid tussen de d'Estes en Karel V. En dat de keizer de schrijver voor diens woorden heeft beloond met een officiele benoeming tot `poeta laureatus'.

Thuisblijvers

Ariosto's beschrijving van de nieuwe Azie-Europaverbinding is opmerkelijk exact. Maar ook al uit de eerste versies van zijn Furioso spreekt een passie voor geografie, kennelijk zelfs eigen aan sommige thuisblijvers in het begin van de `nieuwe tijd'. Astolfo's expeditie moet door de jonge Ariosto zijn uitgestippeld aan de hand van reisverslagen. Ook de topografie van steden die hij zelf niet kende blijkt hij te hebben nageplozen. Het centrum van zijn epos is Parijs, belaagd door een moslim-invasie uit Noord-Afrika. Ook al heeft deze situatie zich in de geschiedenis nooit voorgedaan, het hoe en vooral het waar krijg je van Ariosto haarfijn beschreven. Een beroemde passage uit de Furioso is een poetische nocturne, gesitueerd even buiten Parijs. Een rustend legerkamp bij maanlicht. Rechts op de achtergrond schemert Montmartre, de Martelaarsberg.

si videro i duo colli di lontano

Martire a destra...

Elders memoreert de dichter het verschil tussen het stadscentrum van destijds (periode Karel de Grote) en nu (periode Ariosto):

De huizen waren in die Franse streken

Van hout, naar ik gehoord heb, in die

tijd.

Nu schijnen in Parijs heb ik gelezen

Zes op de tien nog steeds van hout te

wezen.

(vert. Ike Cialona)

Maar vaker zijn Ariosto's decors tijdloos, nu (1998) in wezen nog dezelfde als toen. Ziehier de Boul' Mich', met dravend over het middenpad een bewapende Algerijn, Charlemagnes geduchtste vijand:

En fier blijft Rodomonte voorwaarts

snellen

Terwijl hij in 't gedrang rondom zich

slaat

Langs een weg die hij naar 't water ziet

hellen

Waar hij de brug van Saint-Michel

opgaat.

Zoals Dante de grote dichter was van de ziel en het geweten, zo lijkt Ariosto de epicus van de wijde wereld. Orlando furioso is terecht omschreven als a-historisch. Misschien is `panhistorisch' een nog beter woord voor deze geschiedenis waar het er een beetje, zeker, maar niet serieus toe doet, of hij wel overeenstemt met De Geschiedenis. En zo ja, met welke geschiedenis?

De Grieken en Romeinen, de Carolingiers, de kruisvaarders, de vorige generatie, ons nageslacht? Zolang het verhaal maar spannend is. En wat feiten zo ongehoord spannend maakt bij Ariosto is niet hun chronologische samenhang (en al helemaal niet hun innerlijke motivering - voor liefhebbers van karakterstudies is zijn werk notoire blabla) maar hun locatie. De plaatsing van a ten opzichte van b. Hoe sensationeel voor Ariosto's tijdgenoten de prikkel moet zijn geweest van een epos, opgevat als ruimte-avontuur, blijkt wel uit de illustraties. In vroege edities van deze eerste bestseller uit de geschiedenis van de boekdrukkunst staat bij de aanhef van elke canto een houtsnede. De inhoud van de volgende pagina's wordt er weergegeven op de destijds gebruikelijke manier, als een stripverhaal zonder tijdsverloop.

Op een en dezelfde prent zie je hoe een ridder wegvlucht, wordt ingehaald door zijn vijand, neerstort door een houw van diens zwaard. In een andere hoek van het plaatje vind je een reeks stadia van een simultaan liefdesdrama. De enige visuele vaart bij zoveel bevroren drukte komt voort uit de proporties. Op de voorgrond een reus met het bijschrift `Damascus'. In het middenveld zijn de figuren waar `Parijs' naast staat, vier keer zo klein. Helemaal boven worden het bijna stipjes met de indicatie `Londen'. De kusten van Azie en Europa zijn hierbij geprojecteerd met zoveel stereometrische illusie dat je niet eens meer kunt spreken van vogelvlucht. Een eind 20ste-eeuwer denkt meteen aan satellietopnamen.

Raffinement

Het centrum van het tegenwoordige Ferrara werkt verwarrend. De sfeer is er haast monotoon met die gebouwen in aanverwante kleuren en van een op het eerste gezicht uniforme stijl. Krijg je er oog voor dan begrijp je het raffinement waarmee neoclassicisme, Jugendstil en Nieuwe Zakelijkheid hier zijn aangepast aan hun oudere omgeving. Tegelijk heerst er ondanks de smaakvolle afstamming van alles op alles een contrast waaraan je je niet kunt onttrekken. In de oude buurten benoorden de hoofdstraat lopen alle wegen recht als in New York. In de wijk tussen de hoofdstraat en de rivier kronkelen ze daarentegen niet minder dan in Florence of Praag.

Geintrigeerd door deze eigenaardigheid ging ik de avond van mijn eerste dag op zoek naar verhelderende lectuur. In de boekwinkel tegenover het hotel vond ik tussen fotoalbums en gidsen een stedebouwkundige studie over Ferrara, kennelijk een baanbrekend werk, van de architectuurhistoricus Bruno Zevi¹. Dit bleek een eye-opener waarvoor de ambitieuze titel `de stad leren zien' in feite nog te bescheiden is.

Wat Zevi mij heeft leren zien is, conform zijn opzet, een Ferrara dat model staat voor een ideale aanpak van het vraagstuk stadsplanning. Direct die avond daagde mij bij het doorbladeren ook een ander perspectief. Filosoferend over stedebouw gebruikt Zevi woorden als `syntaxis' en `poetica'. Blijkbaar is de aanleg van straten en pleinen in zijn visie verwant met de `bouw' van zinnen, alinea's, verhalen. Ik was naar Ferrara gereisd vanwege Ariosto. In Het Ferrara van Biagio Rossetti, `de eerste moderne Europese stad' (Zevi's ondertitel) waar Ariosto's naam nauwelijks wordt genoemd, vond ik het commentaar bij Orlando furioso.

Biagio Rossetti is de planoloog van de stadsuitbreiding in opdracht van hertog Ercole I, die sinds 1492 het aanzicht van Ferrara bepaalt. De 19de-eeuwse historicus Jacob Burckhardt vond het plan van de vrijwel onbekend gebleven Rossetti dermate geniaal dat hij het Ferrara van na 1492 gekwalificeerd heeft als `de eerste moderne stad van Europa'. Zevi, een theoreticus uit de school van Gropius en Frank Lloyd Wright, gaat in zijn boek aanzienlijk verder: “niet alleen `de eerste moderne stad van Europa' maar de enige moderne tot nu toe.' Wat Rossetti's ontwerp volgens hem zo profetisch maakt is de tweeledigheid ervan. Modernisering van de bestaande bebouwing met behoud van het middeleeuwse stratenpatroon. Daarnaast nieuwbouw volgens het principe recht-toe, recht-aan. Bovendien werd in de nieuwbouwbuurten de ruimte binnen de stadsmuren door Rossetti grotendeels ongebruikt gelaten. Resultaat: een permanente mogelijkheid tot verdere uitbreiding overeenkomstig het aangegeven trace. Integratie van verleden, heden en toekomst. Overwinning van het bestuurlijk dilemma tussen planning (wil zeggen dwang) en niet-planning (wil zeggen capitulatie voor de chaos).

Het stadsplan uit 1492 als structurering van het onvoorzienbare, `poetica van het niet-voltooide'. Pas na vierhonderd jaar was de door Rosetti omschreven ruimte definitief bebouwd.

Science fiction

De overeenkomst met Ariosto's werk is niet ver te zoeken. Orlando furioso is een navolging van de Orlando innamorato, geschreven tijdens Ariosto's jeugd door zijn stadgenoot Matteo Boiardo. Tot ieders verdriet was Boiardo bij zijn dood blijven steken in aflevering zoveel van zijn levenswerk. Min of meer in de trant van de stadsplanoloog bedacht Ariosto een methode om het fragmentarisch blijven van zijn eigen project nog ambitieuzer dan dat van Boiardo, te vermijden. Al in 1516 was Ariosto's Orlandogeschiedenis in principe af. De jaren die de dichter restten heeft hij besteed aan de eerder genoemde revisies en uitbreidingen, waarbij hij de plot als zodanig spaarde. Is de Furioso heruitgegeven in '21, met zijn gewijzigde taalgebruik en geperfectioneerde rijmen een ander boek dan de editie van '16? Is de aanzienlijk uitgedijde versie van '32 opnieuw een kunstwerk met een eigen status? Andere vraag: hoeveel Furiosi zou Ariosto nog hebben geproduceerd wanneer hij niet 58 zou zijn geworden maar 90? Als monumentale tekst die erin slaagt om `af' te zijn en tevens permanent uitbreidbaar, lijkt Orlando Furioso niet minder profetisch dan Rossetti's stratenplan. Welke hedendaagse romancier met compositieproblemen zou niet jaloers zijn op Ariosto?

`Een urbanistische eenheid van middeleeuwen, renaissance en toekomstmogelijkheden' (Zevi). Hoeveel toekomst bevat de Furioso? Er wordt de laatste decennia frappant veel geschreven over dit epos, vooral in Italie waar Ariosto door Italo Calvino is geroemd als de voor twintigste-eeuwers meest genietbare onder de klassieken.

Wat ik heb gemist in de recente Ariosto-literatuur is een beschouwing over hem als voorloper van de science fiction. Naar mijn indruk verdient de Ferrarese opvolger van Vergilius en Dante ook de erenaam van een vroege Jules Verne. Een pionier van het technologische tijdperk zoals ook Leonardo da Vinci dit, ongeveer tegelijk met Ariosto, is geweest in zijn tekenaarsfantasieen. Een van Ariosto's belangrijkste toevoegingen aan de traditionele verhaalstof rondom Orlando is een surreeel wezen, half paard half vogel, dat lijkt op de antieke Pegasus. Toch is Ariosto's `hippogrief' een vinding zonder precedent. Hij kan vliegen op variabele hoogte. Hij remt, landt, stijgt op via procedes die de dichter aanschouwelijk maakt - zo aanschouwelijk dat je van voor 1900 moet zijn om bij `hippogrief' niet te denken `helicopter'. De constructeur een Moorse tovenaar met de naam Atlas, bestuurt het vervoermiddel aan de hand van een magisch boek (computer) en reist gewapend met een schild dat bij gevaar dodelijke (laser)stralen uitzendt. Halverwege het verhaal komt de heli in bezit van de christenen. De wereldreiziger Alfonso bereikt er het hoogste punt mee op aarde. Zijn verdere vlucht vandaar, per supervliegtuig naar de maan, is de meest adembenemende scene in het epos. Astolfo naast de evangelist die de adelaar tot embleem heeft, aan boord van Elia's oudtestamentische `hemelwagen'. Lancering. Maanlanding. Maanexploratie. Safe terugkeer naar onze planeet.

Gezien de allegorische inslag van Ariosto's epos mag je zijn hippogrief opvatten als zinnebeeld. Misschien visualiseert dit ros (vanouds symbool van de driften die een mens moet leren beteugelen) Ariosto's vervoering bij het dichten.

Zijn vakmanschap in het reguleren van de taal binnen de strofevorm die de veelgeprezen wendbaarheid geeft aan het Italiaans van de Furioso, zou dan zijn te vergelijken met de stuurkunst, nodig voor het manoeuvreren van het allegorische mechaniek. Maar vanwaar Ariosto's bijzondere affiniteit met de luchtvaart? Het ligt voor de hand dat een verteller, gespecialiseerd in verplaatsingen, vroeg of laat ontevreden wordt met de mogelijkheden van zelfs het snelste paard of schip. Bovendien, onze fantast woonde in Ferrara. Ten tijde van de d'Estes dankte de stad haar welvaart onder meer aan ijzergieterijen en productie van wapentuig beantwoordend aan de nieuwste ballistische principes. Ook was Ferrara een centrum van astronomie, met een universiteit die vreemdelingen aantrok zoals Copernicus (geboren een jaar voor Ariosto en in 1503 afgestudeerd in diens woonplaats). En gaat u bij gelegenheid eens kijken naar de stadswallen, die ik na Giorgio Bassani's romanDe tuin van de Finzi-Contini's niet hoef te beschrijven. Staande ergens op de gaanderij boven de zestiende-eeuwse ommuring, met je rug naar de stad waan je je op een dak in de Haarlemmermeerpolder. Je blik dwaalt over de velden en zwenkt dan, kregelig door het gemis aan houvast, naar het vacuum boven je.

Krachttoer

Een goede verteller volgt zijn personages bij hun komen en gaan in hun eigen wereld. Maar hij zorgt dat zij zich bewegen zoals hem dit schikt binnen het arrangement van zijn verhaal. Aan de Furioso merk je duidelijker dan waar ook dat vertellen een kwestie is van planning, het uitzetten van een parcours. En dat Ariosto's epos een compositorische krachttoer betekent. De hoeveelheid verhaallijnen is zo groot dat geen criticus er nog in is geslaagd de Furioso bevattelijk na te vertellen.

Blijkens de inconsequenties die zijn vastgesteld raakte ook Ariosto zelf nu en dan de weg kwijt in zijn schema. Niettemin je hoeft zijn boek maar ergens op te slaan of je bent geabsorbeerd als na het toevallig inschakelen van een geraffineerde tv-serie. Telkens wanneer de spanning bijna culmineert, verspringt de aandacht naar een eerder onderbroken reeks gebeurtenissen. Cantus interruptus, om de term te citeren die guitige Ariostianen voor dit procede hebben bedacht. Maar voordat je besef krijgt van je frustratie lees je al weer verder verder. `De rest vertel ik u bij een andere gelegenheid.' ` zult zich wellicht herinneren...' Met tientallen van dergelijke overgangen houdt de dichter ons duizenden verzen lang in zijn ban.

Ariosto's epos is een vorm van entertainment. De `u' in de zojuist genoemde zinnen is nu eens Ippolito d'Este, dan diens broer Alfonso, aan wie Ariosto de Furioso persoonlijk voordraagt als stond hij tegenover hen, zijn manuscript in de hand. Zijn toon is respectvol, haast kruiperig naar ons gevoel. Maar vergist u zich niet, zolang het optreden duurt is er maar een baas in het paleis: de entertainer. Hij bepaalt de route en vaart van ieders gedachten. Hij regelt wat men successievelijk voor zich ziet. De hooggeplaatsten binnen zijn relaas blijken zelfs evident zijn slaven. Hoor maar hoe Ariosto tijdens een regiepauze vertelt over het gebedel om aandacht van een Carolingische hertog

Die mij van verre wenkt en met zijn

kreten

Laat weten dat ik hem niet mag

vergeten.

De schokkendste regel in de hele Furioso staat denk ik in de beschrijving van het Parijse beleg. Gedurende het strijdgewoel rondom Karel de Grote en diens evenwaardige Afrikaanse tegenstander stopt de auteur abrupt om te veranderen van locatie:

Ma Carolo un po et Agramante aspette

`Laat Karel maar even wachten'. Aldus een Ferrarese pennenlikker uit de kleine adelstand over de keizer der Christenheid. Je moet maar het lef hebben.

Nieuwbouw

De eigenzinnige bouw van Ariosto's epos, tegelijk rationeel en chaotisch is vaak vergeleken met een schaakbord of een labyrint. Maar sinds mijn reis lijkt de stad van na Rossetti mij een passender metafoor. Bijna alsof de dichter de ideeen voor zijn plot onwillekeurig heeft opgedaan, terwijl hij de nieuwbouw ofwel discrete herbouw van Ferrara liep te bekijken. `Narratief continuum', zo vat Zevi het wezen samen van een kronkelstraat. Naar het voorbeeld van de beeldspiraal rondom de Romeinse zuilkolossen uit de latere keizertijd, waarin Zevi het prototype ziet van alle middeleeuwse urbanistiek, geniet de passant er een ononderbroken maar telkens veranderend uitzicht. De moderne stadsaanleg wordt daarentegen bepaald door een vorm van discontinuiteit, die Zevi begrijpt als `de poetica van de hoeken'. Verlangt een lezer die zich het effect van de Furioso bewust wil maken nog meer? Een ingenieus systeem van parallelle en elkaar kruisende lijnen. Lange passages die je het gevoel geven verder en verder van het doel te raken, zoals de helden uit de Furioso telkens dreigen te verdwalen in een bos. Andere passages die voornamelijk bestaan uit wendingen van negentig graden. Rechtsaf. Linksaf. Linksaf. Rechtdoor tot... Keer op keer een cantus interruptus. Bij het kennismaken met Ariosto's entertainment moeten zijn stadgenoten zich het universum glimlachend hebben voorgesteld als een replica van Ferrara. Of andersom.

De fundamentele tweeslachtigheid van het stratenbeeld lijkt zich te weerspiegelen in Ariosto's ironie, zijn constante neiging tot dubbelzinnigheden.

De dichter prijst de d'Estes naar ik schat wel vijftig maal. Uit ongeveinsde geestdrift? Op de stortplaats voor geestelijk afval, die Astolfo aantreft op de maan, krijgen we van Ariosto een afzonderlijke vuilnisbelt te zien met `vleierijen aan het adres van de groten der aarde'. In het bijzonder poetische lofzangen die erbij liggen als `geexplodeerde krekels'. Het epos besluit in de laatste editie met een Latijns onderschrift waarover door specialisten nog steeds wordt geharreward. Pro bono malum. “Goed vergolden met kwaad'. Heeft de dichter, verongelijkt, de kardinaal en de hertog ten afscheid voor schut willen zetten? Of werpt hij zich - ultiem compliment - voor hen in het stof?

Waanzin is een hoofdthema van Ariosto's epos, dat een pleidooi wil zijn voor ridderlijkheid in de zin van aangename manieren menselijkheid op zijn best. Humanisme betekent voor deze tijdgenoot van Erasmus het verlangen naar redelijk gedrag. Verliest een mens zijn bezinning, verwordt hij van een beschaafd wezen tot een `razende Roeland' dan ontheiligt hij het voorbeeld, gegeven in Christus. Verliefd zijn tot jaloerse paranoia en plichtverzuim toe, dit is de vorm van gekte waar de Furioso om draait. Ter afschrikking. Aan de andere kant, welke dichter na Ovidius heeft zo aanlokkelijk over de liefde weten te schrijven als juist Ariosto? Zelf verklaart hij zijn meesterschap op dit terrein uit zijn bezit, helaas, van een rijke persoonlijke ervaring. Al in de tweede strofe van zijn epos laat hij op het woord matto (krankzinnig, betreffende Orlando) de confessie rijmen dat de auteur dit bijna zelf is geworden (fatto) door zijn amoureuze perikelen. Trouwens dichten, zo mijmert hij elders, is dat niet al een soort verstandsverbijstering?

High noon

Tot voor kort stond Orlando furioso bekend als een typisch product van de rijpe renaissance, de high noon in de geschiedenis van zonnig Italie. Het sleutelwoord dat de beschouwers elkaar naschreven was `harmonie'. Wat zij aantroffen in dit epos was de verbeelding van een probleemloze realiteit, een volmaakte fantasiewereld in volmaakt mooie taal, door een levensblije kunstenaar. Zoiets als de Mei van Gorter bij ons. De gewijzigde opvatting over het boek wordt het best gesymboliseerd door de titel van de invloedrijke Furiosostudie die de Amerikaan Albert Russell Ascoli heeft gepubliceerd in 1987: Ariosto's Bitter Harmony. Nu ruim tien jaar later, lijkt het ondenkbaar dat eerdere generaties doof zijn geweest voor de tegenmelodie, de `gebarsten stem', die Ascoli heeft vastgesteld in de Furioso. Onmogelijk, bijvoorbeeld, voortaan beaat heen te lezen over Ariosto's klacht om de `helse machine' (geschut met buskruit) die even opduikt in zijn Orlandogeschiedenis, daar snel verdwijnt maar over honderden jaren, naar het commentaar van de dichter in de vorm van donderbussen, mortieren enzovoort een definitief eind zal maken aan illusies over oorlogvoering als een ridderlijk bedrijf. Zijn epos bevat verwijzingen naar de politieke situatie in het Italie van zijn tijd. Nationale verdeeldheid. Militaire interventies vanuit het buitenland. Machtsverlies van ouderwetse stadstaatjes zoals Ferrara. De spectaculairste canto, die over de maanreis, zet in met een apocalyptisch visioen. Jaren en jaren niets dan armoe en barbarij in het verschiet voor Ariosto en zijn landgenoten. Weg alle waarden waarvoor hij een subliem model wil ontwerpen en die hij nu samenvat als il bel vivere (`de elegante leefstijl', niet te verwarren met het patserige dolce vita uit onze eeuw).

Is Orlando furioso dan een zwaarmoedig gedicht? Niet echt. Ariosto's epos hoort tot de categorie kunstwerken (de sympathiekste wat mij betreft) waar je overal een vrijwel niet te definieren temperament proeft. Luchtig kan er synoniem zijn met aards. Optimistisch met radeloos. Ariosto's favoriete hemellichaam is de maan - begrijpelijk bij een auteur die werd gefascineerd door geestesziekte. Maar hoe weinig romantisch, hoe totaal ondecadent is de maneschijn die de hele Furioso kleurt. Voor de ware Ariostolezer vormen de zon en de maan geen tegenstelling. In maneschijn ziet hij een boeiende variant van zonlicht. Indirecte zonneschijn, omgeven door de schaduw van de aarde.

Furiosofan

Bij het naarbuiten komen uit een restaurant, gesprek tussen medegasten:

“Kijk de maan, wat wazig!'

“Morgen regent het.'

Mijn hotelentree lag aan de overkant van de gracht rondom de blikvanger die torent boven het middelpunt van Ferrara, het Castello d'Este. Een kunstminnaar vindt weinig van zijn gading in deze burcht - een vroege d'Este liet hem na een belastingoproer bouwen als bolwerk tegen zijn onderdanen. Hoogstens is de `rots van de tiran' (naar de Florentijnse architect Leon Battista Alberti) leerzaam voor een Furiosofan, wanneer deze denkt aan het verschil in omvang met de Casa di Ariosto. De rivaliteit tussen machthebbers en auteurs is een nauwelijks verhuld thema in het Ferrarese epos. Machthebbers die in de waan verkeren dat zij geschiedenis maken, zo geeft Ariosto te kennen, vergeten dat `de geschiedenis' een collectie boeken is. En wie hebben bepaald wat daarin staat? Naar de uiteindelijke verhouding tussen de historische betekenis van Ariosto en die van de d'Estes durf ik niet te gissen. Wel heb ik uit eigen observatie iets te melden over hun huidige status in hun stad. De doorsnee plaatselijke middenstander, kennelijk even origineel als middenstanders waar ook ter wereld, noemt zijn espressobar, bakkerij kapsalon, begrafenisondern