Cabaretiers

Cabaretier Jeroen van Merwijk, dichter van het lied Het leven is kut, zat met zijn handen in het haar. De afgelopen weken was hij het hele land doorgereisd. Van Sappemeer tot Doetinchem, van Hyppolitushoef tot Middelharnis, overal had hij in kleine zaaltjes gespeeld. En met succes want na de laatste toegift was het publiek steevast in een uitgelaten stemming naar huis gegaan.

“Het leven is kut, kut, kut!', schalde men buiten, ongeveer zoals de Belgen in 1830 na afloop van de opera La Muette de Portici de opstand hadden uitgeroepen. In Beemsterzwaag had een enkeling zich schuddebuikend aan een lantarenpaal moeten vastklampen. Tranen stroomden de man over de wangen, terwijl hij half gillend, half brakend, met dichtgeknepen billen had gezongen: “Het leven is kut. Hihoeha!!!'

Zeker, cabaretier Jeroen van Merwijk had de laatste tijd niet slecht geboerd. Het ging goed met het cabaret in Nederland. Voor het eerst in zijn leven had hij zelfs wat aandeeltjes kunnen kopen. “Zo jong nog en nu al in de aandelen', had hij gedacht, terwijl hij de kooporders aan zijn bank doorgaf, “het leven is toch wel kut, volkomen kut.'

Wat hij doormaakte, dat was niets vergeleken bij wat de slachtoffers in Honduras en Nicaragua doormaakten. Dat was pas echt kut. Wat betekende zijn eigen misantropie in het licht van het leed dat de orkaan Mitch had veroorzaakt? Niets, helemaal niets! In het oog van de wereld was zijn eigen wanhoop niet meer dan een pluisje in de wind, een quark in het heelal, een huidschilfer van God. Niets stelde hij voor. Het leven is kut, voor mij voor jou, voor iedereen.

Langzaam als een aangeslagen bokser kwam cabaretier Jeroen van Merwijk overeind. Toch wist hij wat hem te doen stond, want inmiddels had hij zich hierop geestelijk voorbereid. Met een uiterste krachtsinspanning zocht hij het nummer op in zijn boekje en pakte de telefoon.

“Met Freek', zei de stem.

Hij legde uit wat hij van plan was, dat hij Carre wilde afhuren voor het goede doel. “En Youp komt ook', hoorde hij zichzelf zeggen, maar ik beloof je dat jij de avond mag afsluiten.' Geschrokken van zijn eigen moed hing hij op en belde opnieuw.

“Met Youp', zei de stem.

Weer legde hij uit wat hij van plan was. “En Freek komt ook, maar ik beloof je dat jij de avond mag afsluiten.' Nog nabibberend stond hij met de hoorn in zijn had. Wat had hij gedaan? Hoe redde hij zich hier uit? Wat je allemaal niet moest doen om iets van de grond te trekken. Ja, het leven is gruwelijk, kut, kut kut.

Moeizaam, alsof zijn handen bezweken onder de last van de zwaartekracht, bladerde hij verder in zijn boekje. “Met Dorrestein', zei de stem.

Hij legde het uit. “Kan niet', zei de stem, “mijn vrouw is zojuist weggelopen, de kachel is uit, de kelder staat onder water en het kind van de buren blijkt een mongooltje.' Hij haalde diep, diep adem en vermande zich. “Maar Freek en Youp komen ook', zei hij, “en als het aan mij ligt mag jij de avond afsluiten.' Dat veranderde de zaak en even later kon hij zich weer in zijn stoel laten zakken, weer een deelnemer rijker.

Zeker een half uur was hij daarna in de weer om Paul Brigitte en Raoul te bellen. Gerard kan trouwens alleen als Henk niet kwam. Eigenlijk ging het zo slecht nog niet. Hij nam een slok uit het pijpje pils, dat naast hem op de grond stond. Hongerig voelde hij zich, maar na de inspaningen van zojuist had hij te weinig puf om iets op het vuur te zetten. Hij zou natuurlijk iets bij de traiteur kunnen halen. Ja, het leven was kut, volkomen kut, maar kennelijk had je nog gradaties in het kut-zijn. Daar ging de telefoon.

“Met Jack' zei de stem, “waarom ben ik niet uitgenodigd!'

Hij legde uit dat hij er nog mee bezig was. Hij moest de Grote Toon ook nog bellen. “Toon' zei de stem, “die kan niet. Die ligt in het ziekenhuis voor een hersenoperatie.' Plotseling veerde cabaretier Van Merwijk helemaal op. “Hoera!', riep hij, “Zie je wel. Het leven is kut. Echt waar.'

    • Max Pam