Beethoven dacht aan een viool, niet aan een erhu; Chinees symfonieorkest verkent westerse muziek

“Het is een goede oefening,' zegt de dirigent van het Hongkong Chinese Orchestra, over de werken van Bach en Mozart die het orkest met traditionele Chinese instrumenten speelt in Amsterdam en Rotterdam tijdens het Festival van Contrasten.

Dirigent Yan Huichang beweegt als een acteur uit de Peking-opera. Hij draait zijn hoofd in kleine rondjes, slaat zijn arm uit en komt plotseling tot stilstand. “Peng!', de rechterhand van Yan slaat op een denkbeeldige trommel. Dan draait hij opnieuw met zijn hoofd, gevolgd door de abrupte bevriezing van zijn beweging. “Tu, tu, tu, tu, tu!', roept Yan. Iedere nieuwe `tu' klinkt een beetje harder en volgt sneller. Het is het geluid van een kleine gong.

In zijn eentje beeldt Yan Huichang een heel opera-orkest uit. De dirigent van het Hongkong Chinese Orchestra legt uit dat de Chinese musici uit de bewegingen van de baigu- of hoge trom-bespeler kunnen opmaken wat en hoe er gespeeld moet worden. “Bladmuziek is niet nodig', zegt Yan. De 37 complexe bewegingen vertellen alles. “Het is heel mooi om naar te kijken. Het is de oudste vorm van dirigeren in China.' Het eerste misverstand is uit de weg. Dirigeren heeft geen exclusief Westerse oorsprong.

Dat geldt evenmin voor het verschijnsel Chinese symfonie-orkesten. Het doet de Chinese traditie te kort, zegt Yan, om het Hongkong Chinese Orchestra, dat aanstaande zondag in Amsterdam optreedt, te beschrijven als een Chinees orkest naar klassiek Westers model, met Chinese instrumenten in plaats van westerse. Toch is de vergelijking, die dikwijls wordt gemaakt niet verwonderlijk. Het Hongkong Chinese Orchestra speelt, evenals de vele andere `zhongyuetuan' of Chinese orkesten in China, ook Westers repertoire. Bach Mozart of Tsjaikovsky uitgevoerd op erhu's (twee-snarig strijkinstrument) pipa's (tokkelinstrument) en guan's (dubbelrietinstrument). De benadering van de klanken, zoals de componist ze oorspronkelijk in gedachte had, is dan het uitgangspunt.

Yan heeft daar geen principiele bezwaren tegen. “Het is een goede oefening om andere muziek te verkennen. Bovendien bestaat er ook lang niet zoveel oorspronkelijk repertoire voor ensembles van Chinese instrumenten, omdat dit soort orkesten pas begin jaren vijftig is ontstaan. Maar als ik mag kiezen, speel ik natuurlijk liever Chinees werk. Beethoven heeft bij het schrijven van zijn muziek nu eenmaal aan een viool gedacht, en niet aan een erhu.' Andere orkesten zoals het Peking radio orkest, een van China's eerste en bekendste Chinese orkesten, hebben bijgedragen tot het misleidende beeld van `een westers orkest met Chinese karakteristieken'. Yan vertelt dat het concept van de uitvoering van muziek uit het Westen op Chinese instrumenten nota bene door een Japans electronicabedrijf in China is geintroduceerd. “Toshiba deed eind jaren zeventig het voorstel opnamen te maken van dergelijke muziek. Peng Xiuwen (volgens Yan de Chinese Karajan), die lang voor het radio-orkest heeft gestaan, is op dat aanbod ingegaan en heeft jaren achtereen muziek uit het Westen uitgevoerd. Daar heeft hij veel kritiek op gehad.'

Het Hongkong Chinese Orchestra wil vooral Chinese muziek uitvoeren. “De samenstelling van het orkest is heel bijzonder. De instrumenten komen goed tot hun recht in Chinese muziek', zegt Yan. Een repetitie van een nieuw werk van de eigentijdse Chinese componist Xu Shuya, dat zondag in samenwerking met het Nieuw Ensemble in het Concertgebouw in wereldpremiere gaat, is een belevenis. Xu is een Chinees en kent de karakteristieken en beperkingen van de instrumenten. De liggende noten, de langzame opbouw van clusters en de felle accenten van Xu, tonen de voor Westerse oren exotische diversiteit van de instrumenten.

Zoals het zacht en liefelijk aandringen van de erhu het diepe brommen van haar grote broer, de gehu. Of de rollende dreiging in de tokkelnoten van de pipa, het klagen van het dubbelriet, de guan en de suona, en de trillende harmonieen van het mondorgel, de sheng.

Jungle

Het orkest is een jungle van onbekende vormen, waar de halzen en stemsleutels van de verschillende strijk- en tokkelinstrumenten als exotische gewassen de hemel in ranken. Rechts staan de gehu's, uitvergrote erhu's, die met hun lompe klankkasten, zo groot als biervaten, op de grond rusten. En vooraan staat een yangqin, een Chinese cymbaal. Temidden van dat alles rijst de glimmende bundel pijpen van een bas-sheng als een troffee boven het orkest uit.

Choo Boon-chong, die dizi (dwarsfluit) speelt, trommelt met zijn vingers op zijn eigen arm om aan te geven waar de boringen in zijn fluit precies zitten. “Een traditionele fluit heeft zes boringen. Maar bij sommige muziek, zoals die van Xu, gebruik ik zo vaak halve grepen dat ik er gaten bij heb moeten maken.' Choo, die al sinds 1979 meespeelt in het orkest, vertelt dat de muziek van Xu niet pentatonisch is, terwijl zijn instrument, zoals de meeste Chinese instrumenten, voor het vijftonensysteem is gemaakt. “Ik probeer dat natuurlijk eerst uit op een oude fluit. Ik ga niet zomaar in mijn mooiste fluit zitten boren.' Choo houdt van zulke experimenten. “Van ons wordt verwacht dat we de grenzen van onze instrumenten verleggen. Het is een voortdurende ontwikkeling.'

Volgens Yan maken die experimenten de Chinese orkesten zo bijzonder. “Sommige instrumenten die in ons orkest worden gebruikt bestaan nog maar een paar decennia, terwijl andere instrumenten een eeuwenlange geschiedenis hebben.

In de moderne tijd hebben we naar orkesten uit het Westen gekeken om te leren op welke punten we tekortkomen. Dat maakt de Chinese orkesten zo kleurrijk. Een cultuur die openstaat voor veranderingen, maakt vooruitgang.' Een goed voorbeeld voor het vernieuwende karakter van het orkest is de gehu. Het instrument dat in de jaren vijftig door een Chinese instrumentenbouwer is ontwikkeld is de Chinese variant van een contrabas. “Maar het heeft zijn Chinese karakteristieken behouden', zegt Yan. De stamvader van de gehu immers is de erhu, die al tegen het einde van de Tang-dynastie, begin tiende eeuw, bekend was.

Andere instrumenten zoals de sheng (het mondorgel), de zheng (liggende harp) en de ruan (luit), hebben nog een veel langere geschiedenis. Botinscripties uit de periode van de Zhou (11de eeuw tot 221 voor christus), vertellen dat de sheng toen al werd bespeeld. En van de zheng en de ruan is bekend dat zij twee eeuwen voor het begin van de jaartelling al zeer populair waren. “Die oude en nieuwe instrumenten gedijen prima naast elkaar', zegt Yan. “Instrumenten veranderen op een heel natuurlijke wijze, en om heel natuurlijke redenen; wanneer de limieten zijn bereikt. Dat is ook in het Westen gebeurd.'

Yan, die in China is opgeleid, bespeelt vrijwel alle instrumenten die in het orkest worden gebruikt. Hij vindt dat noodzakelijk voor het overbrengen van zijn muzikale wensen. “Via de instrumenten doe ik suggesties.' “Bovendien', zegt Yan, “sommige orkestleden spreken geen standaardchinees, maar een dialect. Ik gebruik hun instrumenten om hen duidelijk te maken wat ik bedoel.' Tijdens de repetitie, blijkt dat dat ook in het Engels gaat, wanneer onduidelijkheid bestaat over maatcijfers.

Vasteland

Opmerkelijk genoeg bestaat het orkest vooral uit musici van het vasteland van China. Volgens Yan heeft dat te maken met de muziekcultuur in de Volksrepubliek. “In China dient de kunst de communistische partij. Musici zijn kaderleden en voor creativiteit is eigenlijk geen gelegenheid. Veel goede musici zijn daarom gefrustreerd en willen weg.' Yan weet waar hij over praat. Hij heeft bijna tien jaar het Central National Orchestra van China gedirigeerd en de beperkingen van het muziekleven in China aan den lijve ondervonden. “De politiek in China heeft grote invloed op de kunst. Als dirigent kun je zelden andere orkesten dirigeren, en de programmering van de orkesten is zeer conservatief. Orkestleden spelen jarenlang dezelfde muziek en een optreden is voor de meesten geen uitdaging meer. In het huidige klimaat van economische crisis komt daar nog bij dat de orkestmusici naar verhouding erg weinig verdienen en hun plek in het orkest niet langer zeker is. Het is voor iedereen erg demotiverend.'

In Hongkong is dat allemaal heel anders. De programmering is geheel aan Yan en het orkest heeft alle vrijheid te experimenteren met nieuw werk. Sinds de oprichting van het ensemble in 1977 zijn in opdracht van het orkest meer dan duizend stukken gecomponeerd of bewerkt en Yan prijst zich gelukkig dat het orkest vooral muziek van `levende componisten' uitvoert. Orkestmanager Celina Chin vertelt dat het Hongkong Chinese Orchestra ook niet wordt beperkt door commerciele overwegingen. Het orkest, dat uit 85 musici bestaat ontvangt jaarlijks een subsidie van ongeveer tien miljoen gulden, en aan iedere kaart die het verkoopt, draagt de overheid 150 gulden - maar liefst 95 procent van de kosten - bij.

Yan houdt zich met dat laatste niet bezig. Sinds zijn vertrek uit China en zijn aanstelling in Hongkong twee jaar geleden, is zijn bestaan als dirigent sterk verbeterd, en kopzorgen over het voortbestaan van orkesten of gedemotiveerde musici heeft hij niet meer. “We moeten nog erg veel werk verzetten tot onze komst naar Nederland', zegt hij, wijzend op de complexe partituur van Xu. “De maatwisselingen en tempoveranderingen zijn moeilijk onder elkaar te krijgen. Traditionele Chinese muziek biedt veel meer vrijheid. Alleen toon en sterkte zijn vastgelegd, maar de ruimte tussen de noten is vrij. Daarom is dit stuk zo lastig.'