A fish called Cod

Het is alleszins een ongebruikelijke formule. Een vis als onderwerp van een biologische, economische en cultureel-historische verhandeling. `Het is vooral een Angelsaksische formule', zeiden ze licht misprijzend bij een gerenommeerde uitgeverij die het boek ter vertaling kreeg aangeboden. Of het nu handel is of niet, de ongewone aanpak heeft wel degelijk geleid tot een net zo interessant, als verstrooiend boek. En er staan nog curieuze kabeljauwgerechten in ook.

Auteur Mark Kurlansky is een Amerikaan met een crush voor vissen koken en Basken. Hij schrijft reportages voor de International Herald Tribune en het Audubon Magazine, het glossy blad van de deftige Amerikaanse natuurbeschermingsorganisatie Audubon Society. Daarnaast heeft hij een culinaire rubriek in het eveneens Amerikaanse blad Food & Wine. Het is te merken dat Kurlansky voor kranten en tijdschriften werkt. In positieve zin wel te verstaan, want elk deelonderwerp is een afgerond verhaal.

Kurlansky maakt duidelijk dat als er een vissoort in aanmerking komt voor een biografie, het de kabeljauw uit de titel is. De allesetende smakelijke vis die geschiedenis schreef, komt van origine voor in het noorden van de Atlantische Oceaan, rond de Britse Eilanden, IJsland en Noorwegen, maar vooral bij de Grand Banks voor Newfoundland aan de Canadese oostkust. De oorspronkelijke grootte van de biomassa aan kabeljauw in de Canadese wateren tart iedere fantasie. De vissers konden de kabeljauwen aanvankelijk gewoon met manden uit volle zee scheppen. De aanwas overtrof de gevangen aantallen vele malen. De reproduktiecapaciteit van de kabeljauw is fenomenaal.

Al voordat Columbus de Nieuwe Wereld ontdekte, voeren Baskische visserschepen heen en weer naar de rijke visgronden. Toen de Franse ontdekkingsreiziger Jacques Cartier veertig jaar na de reis van Columbus in de monding van de rivier aankwam die later de Saint Lawrence ging heten, trof hij daar maar liefst zo'n duizend Baskische visserscheepjes aan. De Basken zaten er al zo'n 500 jaar en bevoorraden praktisch de hele wereld van grote hoeveelheden gedroogde en gezouten kabeljauw: de stokvis. De winderige rotsen van Newfoundland leenden zich uitstekend voor het droogproces.

De Basken hadden het bedrijfsgeheim van hun lucratieve visserijondernemingen laten prevaleren boven de historische roem van het vinden van een nieuw continent.

Toen het Baskische geheim eenmaal was uitgelekt, stortten ook andere landen zich op de onbeperkte voorraad kabeljauwen. Hun toekomstige kolonien werden bereikt op een dieet van scheepsbeschuit en stokvis. Rivaliteit op de visgronden was onvermijdelijk. De eerste kabeljauwoorlog was een feit. Met de driehoekshandel visserij-zout-stokvis werd goud verdiend. Dat wil zeggen: door de handelaars, de vissers op de Grand Banks hadden het in hun kleine scheepjes zwaar te verduren. Velen verdronken of woeien de eindeloze leegte van de oceaan op. Een enkeling raakte in de mist verrdwaald en kwam, al vissend, in Ierland terecht. De berooide vissers aten op de wal zelfs hun eigen vangst op, iets waartoe geen enkele visser zich wil verlagen.

Van overbevissing was nog lang geen sprake, kon ook geen sprake zijn doordat de visserij-technieken onvolkomen waren. De hoeveelheden die van de totale populatie werden afgeroomd beinvloeden de grootte hiervan nauwelijks. Pas met het verschijnen van gemotoriseerde kotters en trawlers kwamen de populaties in gevaar. De efficientere vangsttechieken en de daarmee gepaard gaande grotere vangsten maskeerden de roofbouw die werd gepleegd. Zolang er steeds meer kan worden gevangen is er niks aan de hand, dachten de vissers. In de jaren voor de Tweede Wereldoorlog was al sprake van aantasting van de visbestanden, maar het Duitse U-boot-offensief schoot de kabeljauwen onbedoeld te hulp. De Britse, Amerikaanse en Canadese trawlers kregen taken in de strijd tegen de onderzeeers. Netten uitgooien behoorde daar niet toe.

De kabeljauw kreeg zes jaar respijt. Maar na de oorlogsjaren sloeg de roofbouw weer hard toe. Het waren de IJslanders die als eersten maatregelen namen om de uitputting van de populaties rond het eiland tegen te gaan. In 1958 breidden ze de territoriale wateren uit tot twaalf zeemijl. Alle Europese landen, inclusief Nederland, waren verontwaardigd over deze inbreuk op mare librum. Groot-Brittannie stuurde de marine erop uit om de eigen vissersvloot te beschermen. De Britten gaven pas toe toen ze begrepen dat de IJslanders unaniem achter de beslissing stonden. De IJslandse kabeljauwen-populaties waren met deze bescheiden uitbreiding niet volledig beschermd. Ze migreerden verschillende malen per jaar over de nieuwe papieren grenzen en verklaarden zich daarmee vogelvrij voor de niet-IJslandse vissers. In 1972 riep IJsland daarom een exclusieve visserijzone uit van 50 zeemijlen gevolgd door een van 200 zeemijl in 1975. De Britten bedachten toen dat zo'n zone rond het eigen land ook voordelen had.

Cod eindigt met een onheilspellende noot: als de mensheid erg zijn best doet, dan komt zelfs een eind aan de meest overvloedige voedselbronnen. Eind jaren tachtig was de kabeljauw van de visgronden voor de kust van Newfoundland op. Op de oude visgronden worden nog maar heel sporadisch kabeljauwen gevangen. Andere vissen hebben hun niche weliswaar ingenomen. Maar die zijn niet zo lekker. En hebben daarmee geen biografie verdiend.