Trou moet blijcken

De pop

Gelijk een spelend kind, in zoete waan

Haar pop aan 't liefdevolle hartje drukt

Van 't zielloos mondje menig kusje plukt

En meent haar kindjes hart te voelen slaan

Het vlassen haar met bloem en lintje smukt

De kleertjes aantrekt, die zo mooi haar staan

De wassen wang, wier rooskleur haar verrukt

Warm streelt - de verf hangt lipje en vingers aan -

Zo deed ik, dwaze, met mijn dichterdroom.

Mijn leven leende ik aan de lieve pop.

O glimlach niet: ik was zo jong, zo mild!

Mijn popje doste ik uit en sierde ik op

En kuste en minde ik, o zo teer, zo vroom

Zo lang. Wee mij! ik heb mijn ziel verspild!

Helene Swarth (1859-1941)

Dit is een gedicht van een vrouw die over haar pop schrijft, maar niet heus. Dit is een poppengedicht voor kinderen, maar vergeet het. Er is niets lievigs en zoets aan dit sonnet. Al staan haast alle regels vol met hemelse woordjes, het is een sonnet met duivelse trekken.

O, het begint heel lieftallig -

gelijk een spelend kind, in zoete waan

haar pop aan 't liefdevolle hartje drukt

- een homerische vergelijking die een vervolg belooft van spel zoetheid, liefde en omhelzingen. Misschien dat iemand in de uitdrukking zoete waan al een worm in de appel vermoedt, maar dan moet zo iemand wel een erg argwanende lezer zijn. Hoe dan ook, dat er iets wordt aangekondigd staat vast. Wat ons in dit gedicht verbaast is hoezeer de dichteres de spanning weet vol te houden - door geen moment te verdonkeremanen dat er iets aan de hand is, maar door niets te verraden van wat er straks aan de hand zal zijn. Ze zet, om zo te zeggen, de lezer op het verkeerde been en laat hem zo lang mogelijk op dat been staan.

Wie door de zoete waan nog geen argwaan kreeg, zal dat toch zeker door 't zielloos mondje krijgen. Het mondje geeft niets terug, er moet van dat mondje geplukt worden. Wat volgt is een hele reeks dompers op de vreugde van de zoetheid en het liefdevolle hart. Het kind meent het andere hart te horen slaan. Eerder de waan van het misverstand dus dan van de verbeelding. Het gaat bij de pop om vlassen haar en een wassen wang, de kleur en de substantie van de imitatie. Het binnenrijm - vlassen, wassen - benadrukt de dreiging van de levenloosheid. We voelen dat we ergens naar toe geleid worden, al weten we niet precies waar naar toe. Er heeft zich al iets voltrokken, maar wat? Geen idee.

We zien in de voorstelling van het spelende kind met de pop de ironie groeien, al hebben we geen vermoeden van de reden.

Het kind blijft verrukt. Het kind blijft de zielloze wang warm strelen. Het kind weet nog niet beter. De dichteres kreeg het intussen voor elkaar dat het kind dat alles bleef doen tegen ons beter weten in. Alleen weten we weer niet welk beter weten.

Achteloos, tussen twee gedachtenstreepjes

- de verf hangt lipje en vingers

aan -

geeft de dichteres de ergste eigenschap prijs van de automaat die voor het kind het alomvattend begrip beduidt van moederschap. De verf bladdert er af. De verf blijft plakken op lip en vingers. Dooier en ondankbaarder kan een troetelwezen niet zijn.

Zelfs op dat moment weten we nog niet waar de dichteres heen wil. De dichteres speelt met ons, het lijkt of ze de lezer als een pop in haar handen houdt.

Na de eerste acht regels van een sonnet volgt, zoals dat heet, de chute. Nu, geen chute zo'n chute als hier.

Zo deed ik dwaze, met mijn dichterdroom.

Boem, en meteen een punt er achter. Er is maar een regel nodig om met beide benen op de grond te komen. De spanning rond de onechtheid van de pop werd opgebouwd, alleen om te belanden bij de dwaasheid van het kind.

Onmiddellijk pakt de dichteres de beeldentaal van pop en uitdossing weer op. Er lijkt geen breuk, de chute was alleen het scharnierpunt van een symmetrie. Je had een verwachting en je had een onvoorspelbare ontknoping - de zoete spanning van de eerste helft en de bittere ontnuchtering van de tweede - maar het gedicht brak niet in tweeen. De dichteres presenteert zich zelf als volledig uit het veld geslagen -

Wee mij! ik heb mijn ziel verspild!

maar ondanks die radeloze kreet loodste ze het gedicht beheerst naar de laatste regel. De kreet aan het eind komt er des te snijdender door aan. De kreet is die van een Faust. Maar de dichteres heeft haar ziel niet verkocht, ze heeft haar ziel verspild. Haar verzoeking heette niet Mefistofeles, haar verzoeking heette Pinocchio.

De pop wordt in de tweede helft geen verwijt gemaakt. Het wordt de droom niet aangewreven dat ze lieftallig en het koesteren waard was. De dichteres verwijt zich haar eigen naiveteit. Ze was zo dom in haar droom te geloven - dat ze het dode door haar kunst tot leven kon wekken.

Als symmetrie werkelijk geslaagd is - en dat is ze hier - keert de lezer terug naar de eerste helft. Daar staat met terugwerkende kracht dat de dichterdroom vals is. Alleen - het kind weet het niet. In de eerste helft werd juist de kunstenaar geen verwijt gemaakt.

Wat houdt dit allemaal in? De ware dichter gaat onbewust te werk. Zodra hij zich van zijn kunstjes bewust wordt, sterft de poezie. En ook: een kunstenaar maakt kunst niet zielvol door er zijn eigen ziel in te stoppen. En ook: dichten doen alleen speel- en spilzieke kinderen. En ook: kunst ontnuchtert door haar hardvochtigheid en laat de ziende met lege handen achter. En ook: jeugd weet niet wat ze bezit en volwassenheid is het toegeven van verlies. En zo nog het een en ander. In alle gevallen werkt het Wee mij! als een deur die dichtknalt.