Schervenrapers zonder systeem; Amateurarcheologie

Wie een kuil graaft, droomt van een pot met gouden munten. Diep in ons hart zijn wij allen schatgravers en daarom heeft archeologie waarschijnlijk zo'n universele aantrekkingskracht. Gouden munten heb ik nooit gevonden, maar tot mijn meest gekoesterde bezittingen behoren een gave vroeg-middeleeuwse dakpan en een aardewerkscherf waarop 'honi soit q' te lezen valt.

Op nog geen honderd meter van mijn huis stond ooit een jachtslot van Willem III, ridder in de Orde van de Kouseband met als zinspreuk 'Honi soit qui mal y pense', en het spreekt voor mij dan ook vanzelf dat ik een scherf bezit van het bord waarvan onze stadhouder-koning ooit zijn maaltijd at.

Mijn belangstelling voor archeologie was al vroeg aanwezig. Toen mijn schoolvriendjes en ik een jaar of zes waren maakten wij dreggen, van touw en stalen haken, waarmee we de bodem afzochten van de moddersloot die ons dorp doorsneed. Onze vangst bestond voornamelijk uit reusachtige paardenschedels - in de oorlog was er een noodslachterij geweest, wisten oudere dorpsbewoners te vertellen - maar eenmaal haalde ik een zilveren lepel uit de modder op. Met schuurpapier probeerde ik die lepel schoon te maken en na al die jaren zijn de krassen nog altijd zichtbaar.

Op de middelbare school werd mijn belangstelling voor bodemvondsten nog verder aangewakkerd. Mijn tekenleraar was Dingeman Korf, een vriendelijke fantasieloze man en een autoriteit op het gebied van 17e-eeuwse tegels en majolica. Zijn boekje 'Tegels' werd destijds voortdurend herdrukt. Mijn middelbare school stond in Haarlem en Korf nam ons in de weekends mee naar een bouwterrein aan het Spaarne, waar toen een nieuwe stadswijk verrees. In de 17e eeuw werd op die plaats het stadsvuil gestort en de potscherven lagen er voor het oprapen. Voor tekenen heeft Dingeman Korf mij nooit kunnen interesseren, maar aan het schatgraven en het kwijtraken van je kaplaarzen in de zuigende modder denk ik met genoegen terug.

Latere hoogtepunten uit mijn oudheidkundige carriere zijn het vinden van Romeinse scherven in Pompei - net zo moeilijk als het vinden van een bloemkool bij de groentenboer - en het bij toeval oprapen van een prehistorische vuurstenen krabber terwijl ik op het strand bij Calais naar fossielen zocht. Want fossielen-zoeken is mijn grote passie en archeologie komt op de tweede plaats. Wat niet wegneemt dat ik elk jaar het veld naast mijn huis afloop als het geploegd is, terwijl ik in de voren speur naar prehistorische vuistbijlen en Romeinse kurassen.

Scherven, en nog eens scherven, is alles wat ik daar tot nu toe heb gevonden. Maar een stroper met een metaaldetector heeft hier ooit een bronzen Romeinse mantelspeld opgeraapt en daarom blijft mijn hoop op een spectaculaire vondst levend.

Zo langzamerhand heb ik een aardige collectie vondsten opgebouwd, maar die ligt voor het grootste deel op zolder te verstoffen, want stukken van museale waarde zijn er niet bij. Amateur-archeoloog kan ik mijzelf niet noemen; ik ben een schervenraper zonder enig systeem.

Vorige week verscheen het boek 'Kruisende Sporen, Handleiding voor amateur-archeologen' van Arnold Carmiggelt. 'Kruisende Sporen' is ook de naam van een project van het Anjerfonds Gelderland, dat de professionalisering van de amateur-archeologie beoogt en het boek sluit daar bij aan. Waarschijnlijk is de naam van dit project bedacht voordat er van de Betuwelijn ook maar sprake was. In het boek dat bedoeld is om amateurs wegwijs te maken in de wereld van de beroepsarcheologie, onderscheidt Carmiggelt drie soorten liefhebbers: de schatgraver, de verzamelaar en de amateur-archeoloog. De schatgraver is alleen uit op geldelijk gewin; hij overtreedt de Monumentenwet verstoort het bodemarchief en verkoopt zijn vondsten aan verzamelaars en handelaars. De verzamelaar kan dus ook heler zijn, maar over het algemeen is het een goedwillende schervenraper met meer belangstelling voor de eigen collectie dan voor de reconstructie van het verleden. De amateur-archeoloog ten slotte is primair geinteresseerd in de archeologische context van een vondst en in de geschiedenis van zijn streek. Hij mag gecharmeerd zijn van een mooie vondst, maar moet zijn emoties de baas kunnen en de neiging om dingen in eigen zak te steken onderdrukken. Het wetenschappelijk belang staat voorop. Ik vrees dat ik in de ogen van Carmiggelt maar een ordinaire verzamelaar zou zijn. Maar mocht ik mij ooit tot amateur-archeoloog willen ontwikkelen, dan wijst 'Kruisende Sporen' de weg.