'Papa, ga je bij mama of bij Han slapen?'; Ton van Dijk, vader van twee dochters, ging na zijn veertigste met een man samenwonen

Ton van Dijk (63), Nuenen. Vader van twee dochters. Was gelukkig getrouwd met Riet. Hij verliet haar voor een man. “Ik wilde Han niet kwijt. Ik wilde Riet niet kwijt. Altijd deed ik iemand pijn. Maar ik had het gevoel dat ik meer bij Han dan bij Riet hoorde.'

'Mijn vrouw en ik hoorden gewoon bij elkaar. We hebben dezelfde positieve levensinstelling. We zaten bij elkaar op de lagere school in Doorn. Op ons zestiende is het aangeraakt. Toen had ik nog helemaal geen oog voor jongens. Heel misschien een stukje nieuwsgierigheid, maar dat heb ik eigenlijk nooit kunnen plaatsen. Uiteraard heb ik als kind ook wel spelletjes met jongens gedaan. Net als de meeste jongens op die leeftijd.

In het tweede jaar van mijn studie zijn Riet en ik getrouwd. We zagen het samen wel zitten. Ik dacht: met deze vrouw wil ik oud worden. Financieel kon het. Riet had een baan gekregen als medisch analiste op een laboratorium in Leiden. Ik studeerde theologie. Na mijn studie aan de HTS was ik in het geloof geinteresseerd geraakt. Tijdens een stage in Eindhoven maakte ik kennis met de remonstrantse broederschap. De openheid en het ondogmatische van dit vrijzinnig kerkgenootschap spraken me aan.

Toen was ik het me niet bewust. Maar achteraf bezien was er toch al die groeiende belangstelling voor mannen. Hoewel Riet en ik het samen heel fijn hadden. Ook seksueel.

We woonden in Leiden op kamers - zonder douche. We gingen naar het badhuis om te douchen. Nou, dan was ik altijd wel nieuwsgierig.

Wat me achteraf het meeste bijstaat is de dag - nog voor mijn huwelijk - waarop een jongen bij ons dispuut kwam hospiteren. De hele nacht heb ik toen wakker gelegen. 'Als hij maar bij mij in het dispuut komt', dat flitste de hele tijd door me heen. Toch zag ik dat niet als een verliefdheid. Het woord homoseksualiteit was nog nooit bij me opgekomen. In die tijd werd daar ook niet over geschreven. Er was geen Gay Krant.

Een jaar na ons trouwen raakte mijn vrouw in verwachting.

Dat was eigenlijk niet de bedoeling. Een ongelukje met een condoom, de pil bestond nog niet. Op onze etage mochten van de huurbaas geen kinderen komen. Na drie maanden eindigde de zwangerschap in een miskraam. In die zin was de zaak opgelost, maar vanaf dat moment wilden we heel graag kinderen. Nog twee miskramen volgden. Vlak voor het einde van mijn studie werd Marieke geboren. Willemijn kwam twee jaar later.

Ik werd predikant in Hoogeveen. Uit die tijd herinner ik me een paar voorvallen. Een camping in de Dolomieten. Achter ons lag een jongen in een tentje. Ik kon mijn ogen niet van hem af houden. En de zoon van de loodgieter. Daar kreeg ik het ook heel warm van.

Op een dag kwam ik thuis van een reis. Mijn vrouw had slecht nieuws. Een bevriend echtpaar ging scheiden. Hij had een relatie met een jongen. 'Goh', heb ik tegen Riet gezegd, 'dat zou mij nou ook kunnen gebeuren'. Dat ervaarden we beiden niet als een grote bedreiging. We hadden meer zoiets van: dat kan gebeuren, maar het gebeurt niet.

Een andere herinnering: een ober in een bistro. 'Op hem zou ik kunnen vallen', vertelde ik Riet. Ik ging het bij mezelf herkennen. Dat was geen schok. Nog niet. Ik voelde wel een ontzettende spanning bij bepaalde mannen. Op televisie was een documentaire vertoond: Vader heeft een vriend. Dat was in die tijd heel opzienbarend. Ook liedjes van Robert Long zetten mij aan het denken. Ik heb je ontmoet op het Thorbecke plein. Over dat hij een getrouwde man mee naar huis nam.

Ik had wel eens van de baan gehoord. Op een keer reed ik op de Veluwe een parkeerterrein op. Ik moest nodig plassen. Er kwam een man achter me aan. Zou het nu gebeuren? Hij stroopte zijn mouw op.

Om zijn arm tien horloges. Of ik er een wilde kopen.

Iets willen en het niet kunnen bereiken. Hoe is het om door een man te worden aangeraakt? Hoe voelt het om bij een man in bed te liggen? Op een avond werd ik bijna geschept door een auto. Het had me toen niet veel kunnen schelen als het was afgelopen. Dan was ik van alle spanning af geweest.

Met mijn werk als predikant was ik al gestopt. Maar dat had niets te maken met mijn belangstelling voor mannen. In die tijd kon ik me daar ook nog niets concreets bij voorstellen. De reden om te stoppen lag vooral in het feit dat velen het geloof als iets puur persoonlijks wilden zien. Zij hadden er moeite mee dat ik nogal eens de relatie probeerde te leggen met maatschappelijke en politieke vragen. Als predikant werd ik bovendien op een voetstuk gezet. Dat stond me tegen. Ik wilde geen leider zijn, maar begeleider. Ik ging toen aan de slag bij een vormingscentrum in Heeze in Noord-Brabant.

Op een dag ben ik naar een homosauna gegaan. Dat was een heel moeilijk besluit. Ik was nog heel geremd in aanraken. Wel had ik inmiddels een parttime opleiding voor cultureel werk aan de sociale academie gevolgd. Daar deden we veel oefeningen met bewegen en aanraken. De eerste keer dat ik het gezicht van een man aanraakte, schrok ik heel erg. Maar die opleiding heeft me denk ik wel geholpen om de stap naar die sauna te zetten. Gewoon kijken wat er gebeurt.

De sauna. Dat was een openbaring voor me. Een ontzettend fijn gevoel. Dit was waarnaar ik had verlangd. Ik bleef de sauna bezoeken. Stiekem. Op een dag ontmoette ik een man bij wie het niet alleen om de seks draaide. We gingen vaker afspreken. Ik moest het nu wel mijn vrouw vertellen.

Het was zaterdagavond. Er lagen worstenbroodjes in de oven. Die hebben we niet meer opgegeten. Ze had het wel gemerkt, zei ze, dat ik met die dingen bezig was. Geestelijk dan. Ze reageerde eigenlijk heel nuchter. We zouden wel zien hoe we er verder mee zouden komen. Ik wist zelf ook nog niet waar het op uit zou draaien. Ik had niet het gevoel dat het het einde van mijn huwelijk was en dat ik nu maar een vrind moest zoeken. We hielden nog van elkaar. In die tijd hadden we ook nog een seksuele relatie.

'Wat is het verschil?', wilde ze ooit weten. 'Vergelijk het met ons eerste bezoek aan de heuvels van Limburg', zei ik. Die vonden we fantastisch. Toen gingen we naar de Vogezen. Dat was nog fantastischer. Daarna de Alpen - weer totaal iets anders.' Riet vond het een vreselijke vergelijking. Maar zo voelde ik het. Er was een wereld voor me opengegaan waarvan ik geen weet had gehad.

In die tijd ging ik geregeld naar de sauna. Riet vond dat niet leuk, maar ze dacht dat ik het nodig had. Als ik maar af en toe in de sauna stoom kon afblazen, dan kon ons leven gewoon verder gaan. Dat idee hadden we beiden. Riet is de allerlaatste die ik verdriet wilde doen. Uiteindelijk gebeurde dat natuurlijk toch. Ik heb geen schuldgevoel, maar ik vind het nog steeds heel rot voor haar.

Toen ontmoette ik mijn huidige vriend. In de sauna. Het klikte meteen. We zijn wat gaan drinken. We bleken veel overeenkomsten te hebben. 'Zien we elkaar nog een keer?', wilde hij aan het einde van de avond weten. 'Hoor es' heb ik gezegd. 'Ik ben getrouwd. Bovendien ben ik veertig en jij vijfentwintig. Ik wil je helemaal niet in die situatie betrekken. Ik zou je graag nog een keer willen zien, maar dan moet het van jou uitgaan.' Toen hij wegging kreeg ik het opeens ijskoud.

Dat was het dan. Het was fijn geweest, maar het kon niks worden. Een paar dagen later belde hij me op. Hij had nagedacht en wilde toch graag nog een afspraak maken.

Een paar maanden later stond hij bij de wastafel zijn tanden te poetsen. 'Zou je met me willen samenwonen?', vroeg ik hem. Dat kwam zo maar bij me op.

Ik had het gevoel dat ik Riet niet in de steek kon laten. En ik wilde de kinderen zoveel mogelijk om me heen hebben. Daarom logeerde Han in de weekeinden vaak bij ons. Op vrijdagavond sliep ik dan bij hem in bed, op zaterdag bij Riet en op zondag weer bij Han. Dan kropen mijn dochters ook gewoon bij ons in bed. Dat vonden ze helemaal niet raar.

Een jaar later ben ik met Riet en de kinderen gaan kamperen in de Jura. Han zou zich later bij ons voegen. We hadden een vouwcaravan en een klein tentje bij ons. De ene nacht sliep ik bij Riet en de kinderen in de vouwcaravan, de andere nacht bij Han in het tentje. 'Papa, slaap jij vannacht bij mama of bij Han?', vroeg mijn dochter op luide toon toen we op een avond in een restaurant zaten te eten. 'Willemijn, dat hoef je niet zo te vragen', vermaande ik haar. 'Nou goed, laat ik het dan zo zeggen:', zei ze. 'Slaap je vannacht in de caravan of in het groene tentje?'

Nog steeds had ik niet het idee dat mijn huwelijk op een einde liep. We zullen wel zien, was de gedachte. Misschien kunnen we het met ons drieen redden. Maar tijdens een wandeling met Han op de hei ben ik toen - ik, de veroorzaker van alle narigheid - in huilen uitgebarsten. Hartverscheurend. Er kwam geen eind meer aan. Ik kon niet meer stoppen. Ik wilde Han niet kwijt. Ik wilde Riet niet kwijt. Altijd deed ik iemand pijn. Maar ik had het gevoel dat ik meer bij Han dan bij Riet hoorde.

Het grappige is dat de kinderen dat ook wel in de gaten hadden. Echt flirterig was ik nooit met hem in het bijzijn van Riet of de kinderen, maar mijn jongste dochter zei ooit: 'Ik heb soms het gevoel dat je meer van Han houdt dan van mama'. Of: 'Goh, dat zou je zo nou nooit tegen mama zeggen.' Later had ik ook steeds meer het gevoel als ik bij Riet sliep, dat ik eigenlijk beneden in de logeerkamer wilde zijn. De seksuele relatie met mijn vrouw was minder geworden.

Het moeilijkste punt was: de kinderen. Mijn vader is in de Tweede Wereldoorlog gefusilleerd door de Duitsers. Ik had me altijd voorgenomen dat als ik kinderen zou krijgen, ik een goede vader voor ze zou zijn. En dan zou ik ze nu in de steek laten?

In de herfst van 1976 besloot ik dat het zo niet langer kon. Ik kende Han toen een jaar. Ik wilde met hem verder leven. Hij studeerde in Nijmegen en moest nog een jaar. Pas na zijn afstuderen zouden we samen een huis zoeken. 'Wat wil jij?', vroeg ik Riet. 'Wil je dat ik nu al wegga?' Wat haar betreft kon ik nog thuisblijven. We konden het toch met elkaar vinden? We vertelden het nog niet aan de kinderen. Dat zouden we pas doen als we wisten waar we zouden komen te wonen.

We zaten allemaal te janken. Ik was vooral benauwd geweest voor de reactie van mijn jongste dochter Willemijn. Die kan zo direct zijn. Als kind zat ze een keer boos op haar kamer. Voor het raam beneden verscheen een vel papier: 'Het is oorlog. Hoera.' Zo'n kind. Ik was erg huiverig dat ze tegen Han zou uitvaren, dat hij haar vader had afgepikt. Door mijn tranen heen zag ik hoe Marieke bij Riet op schoot kroop en Willemijn bij Han. Dat was zo'n opluchting. Ik was zo blij.

We zijn toen nog niet officieel gescheiden.

Stel je voor dat er wat met mij gebeurde. Han kon in die tijd nog geen aanspraak maken op mijn pensioen. Dan wilde ik dus graag dat Riet dat zou krijgen. Een jaar geleden zijn we pas officieel gescheiden. Het was eigenlijk Riets idee. Toen er ook een partnerpensioen voor homoseksuelen kwam, leek het haar wel verstandig als we dat ook konden aanvragen. Haar financiele situatie was inmiddels ook veranderd. Begin dit jaar ben ik opnieuw getrouwd. Dat wil zeggen: Han en ik hebben ons als partners laten registreren.

In de tijd dat het speelde voelde iedereen een groot medelijden voor Riet. Maar weet je wat me ontzettend heeft geroerd? De opmerking van een moeder van een vriendinnetje van mijn dochter. Het was tijdens de avondvierdaagse. We stonden onze kinderen op te wachten. 'Ik heb vaak gedacht', vertelde ze, 'jij zult het toch ook wel moeilijk hebben gehad.' Dat had nog nooit iemand tegen me gezegd.'