Nikisha leert spelen met een vormendoos; ALLOCHTONE KINDEREN

Allochtone kinderen kunnen les krijgen in spelen en omgaan met speelgoed. Dan kunnen ze straks op school beter meekomen.

MET EEN KRANT over het hoofd rent de Surinaamse peuter Nikisha door de huiskamer. Het is vandaag feest, want de speeljuf is op bezoek. De speeljuf zingt een liedje: 'Ik kom uit verre landen, Makok, Makok Makokketje.' Meteen is Nikisha vol aandacht. Ze klapt en zingt mee en houdt begerig de rode boodschappentas van het bezoek in de gaten. Ze weet al wat er komen gaat.

De speeljuf is Omaira Villarreal van het project Instapje. Als 'implementatrice' van de regio Amsterdam-Zuidoost gaat zij bij gezinnen langs om speelles te geven. Instapje is een landelijk cursusprogramma waarin moeders uit sociaal-economisch zwakkere gezinnen beter met hun kinderen leren spelen.

“Ik begin altijd met Makokketje', zegt Villarreal. “Dat is onze herkenningstune. Zo hoort het kind meteen dat we zijn begonnen.' Instapje probeert het kind structuur te geven. Daarom is het programma volgens een vast stramien opgebouwd. De implementatrices komen elke week op een vast uur. Iedere keer krijgen de kinderen speelgoed dat ze mogen houden. Nikisha staart naar de rode tas als ware het de zak van Sinterklaas.

Het cadeau van de week wordt ook aangekondigd in de herkenningstune: 'Wat heb je voor mij meegebracht, Makok, Makok, Makokketje?' Een handpop die uit de tas opduikt, is harig en grijs. “Poes!', roept Nikisha enigszins geschrokken. “Goed zo', zegt moeder. Het is eigenlijk een wasbeer, maar ze zat in de buurt.

Het klinkt gezellig, maar de doelstellingen van het project Instapje zijn heel serieus. Allochtonen kunnen over het algemeen minder goed meekomen in het onderwijs. Veel kleuters hebben vaak al een achterstand voordat ze aan de basisschool beginnen. Ze kunnen zich minder goed concentreren, ze hebben een taalachterstand, motorisch zijn ze niet zo sterk en ze kunnen niet goed kleuren onderscheiden.

In het hele land zijn nu projecten ontwikkeld om deze kinderen thuis scholing te geven voordat ze naar school gaan. Deze programma's zijn ondergebracht bij de Averroes Stichting, verbonden aan de VN-organisatie UNESCO. Voor peuters is er Instapje en Spel aan huis, Opstapje en Klimrek. Daarna volgt Opstapje Opnieuw, en zo verder. De 'voorscholing' geschiedt door middel van spel en speelgoed. Instapje is voor de allerjongsten, van een tot twee jaar oud.

Omaira Villarreal legt uit waarom speelles nodig is. “Het gaat er niet om dat allochtone ouders niet goed zouden spelen. Ze spelen anders. Ze zijn zelf opgevoed in landen waar de kinderen veel buiten speelden. Hier kan dat niet. Als je op een flat woont, is de afstand naar de straat te groot. Bovendien wordt er in andere landen meer samengespeeld en iedereen bemoeit zich met de opvoeding. Hier groeit een kind veel geisoleerder op en is het meer aangewezen op zijn moeder.'

Peuter Nikisha heeft al vanaf het begin van de cursus een vormendoos in haar bezit. De doos kent geen geheimen meer voor haar. Met gemak stopt ze de driehoek, het rondje en het vierkant in de juiste gaten. Om de spanning erin te houden, stopt ze soms expres eerst de figuren in het verkeerde gat. Villarreal: “We beginnen altijd met de vormendoos. Eerst geven we een pingpongbal die door alle gaten past. Zo hebben de kinderen meteen succes. Later geven we ze de echte vormpjes. De moeilijkste is het vierkantje.'

Nikisha en haar moeder zitten in het vierde blok van het project: 'Praten en dingen uitleggen'. Drie onderdelen hebben ze al met goed gevolg doorlopen: 'Steunen, aanmoedigen, troosten', 'Zelf laten ontdekken' en 'Grenzen stellen'.

Het lijkt op gewoon leuk spelen, maar over alles is diep nagedacht. Ieder stuk speelgoed heeft zijn doel. De eenvoudige vormendoos ontwikkelt bijvoorbeeld het kleurgevoel de motoriek, de scherpe blik en het onderscheidingsvermogen. Voorts kan er met het speelgoed aan het concentratievermogen worden gesleuteld en kan de leergierigheid van de peuter worden gestimuleerd door bij ieder succes hard te gaan juichen.

Instapje is door een groep psychologen ontwikkeld op de universiteit in Nijmegen. Dit verklaart wellicht de strakke, systematische opbouw van de cursus. Ook het moeilijke woord 'implementatrice' riekt naar een stoffig vergaderkamertje vol peinzende wetenschappers. Het project heeft eerst proefgedraaid in Rotterdam. Daarna kwam het naar de Bijlmer. Nu loopt het op verschillende plaatsen in Nederland, met zo'n honderd gezinnen.

Instapje richt zich voornamelijk op Surinamers. Binnenkort begint het ook in Groningen met blanke autochtone kinderen uit kansarme gezinnen. Spel aan Huis - een soortgelijk, losser opgezet programma - richt zich op alle nationaliteiten en werkt ook veel met vluchtelingen. Ook is er een variant voor woonwagenbewoners: 'Spel aan de Wagen'. De aanmeldingen komen binnen via de consultatiebureaus en andere hulpinstellingen.

Instapje wordt betaald en uitgevoerd door lokale welzijnsorganisaties. In Amsterdam-Zuidoost is dat de BZO. Averroes behoudt de supervisie. De BZO heeft inmiddels zes implementatrices in dienst die ieder 13 gezinnen per jaar doen. De speelleidsters zijn beroepskrachten met minimaal een MBO-opleiding en ervaring in de pedagogische of verzorgende hoek.

Het kantoor van Instapje zit op de begane grond van een van de oude galerijflats in de Bijlmer.

Hier komen de implementatrices na het werk bij elkaar. De helft van de kleine ruimte is gevuld met dozen speelgoed. Achterin is een soort schatkamer van Sint Nicolaas ingericht waar al het speelgoed ligt uitgestald: zandauto's, keukensets en primitief constructiespeelgoed dat de leidsters 'plakblokjes' noemen.

Ieder gezin krijgt bezoek van een begeleider van dezelfde nationaliteit. Vier van hen zijn Surinaams, een is Ghanees en mevrouw Villarreal doet meestal de Antillianen. Zo kunnen de deelnemers in hun eigen taal worden aangesproken en is de drempel laag.

Villarreals Ghanese collega Doris Vidda, onderstreept dat het niet om probleemgezinnen gaat: “Instapje is een preventieve maatregel. Het gaat erom dat de kinderen later niet slecht terechtkomen. Maar nu is er meestal nog niets aan de hand. Echte probleemgezinnen zijn niet geschikt voor dit project. Die komen in de hulpverlening terecht.'

Vidda legt uit dat spelen op het Ghanese platteland niet te vergelijken is met spelen in Nederland: “De vrouwen moeten de hele dag werken op het land en nemen hun kind mee op de rug. Of de kinderen worden thuis door een buurvrouw vermaakt.'

Volgens Vidda is er ook een verschil in opvoedstijl. In niet-Westerse culturen wordt het kind vooral geleerd te doen wat het wordt opgedragen. “Wij zijn autoritair opgevoed. Als de kinderen hier in het Westen op school komen, moeten ze opeens een mening vormen en weten wat ze willen.'

Bijkomend voordeel van het project is dat allochtonen via Instapje de weg vinden naar allerlei andere ondersteunende instanties zoals bibliotheken, speel-o-theken, peuterspeelzalen en buurtcentra. De implementatrices dienen ook vaak als vraagbaak voor opvoedkundige en andere kwesties.

Nikisha's cursustijd zit er bijna op. De tweejarige peuter behoort duidelijk tot de gevorderden. Na afloop van de sessie evalueert Villarreal met de moeder: “Ze heeft de hele tijd geconcentreerd gewerkt. Ze kan kliene opdrachten uitvoeren en ze praat veel.'

Nikisha is intussen nog lang niet uitgespeeld. Ze heeft een prentenboek voor zich en spreekt een afbeelding van een etend kind bestraffend toe: “Knoeien? Klap geven!' Het uur is om, Villarreal moet naar haar volgende adres in de Bijlmer. Maar niet voordat ze uitbundig en langdurig afscheid heeft genomen van Nikisha die duidelijk van zwaaien houdt. Als de peuter hierbij haar boekje laat vallen, roept ze 'eh-ooooooh!'

    • Wilfred Takken