Mandarijnen op sap

Ongewild staan ze in het middelpunt van de belangstelling. De 'monetaire mandarijnen', de centrale bankiers die graag in de luwte van de publieke en politieke aandacht hun monetaire macht uitoefenen, zijn onderwerp van discussie geworden. Nu in de overgrote meerderheid van de Europese landen linkse regeringen aan het bewind zijn gekomen, is de vraag naar beinvloeding van het monetaire beleid weer actueel.

In Duitsland, waar de Bundesbank een onweersproken reputatie als bewaker van de hardheid van de D-mark heeft opgebouwd, schoppen nieuwgekozen politici tegen het gezag van de monetaire instituties. Bondskanselier Schroder en minister van Financien Lafontaine hebben, met verschillende nuances, de onafhankelijkheid van de centrale banken en de wenselijkheid van politieke sturing aan de orde gesteld. Ze hebben daarbij niet alleen de Bundesbank, maar ook de Europese Centrale Bank die op 1 januari als monetaire autoriteit in 'euroland' operationeel wordt, op het oog. Hiermee appelleren ze aan opvattingen die ook bij politici in andere Europese landen leven. Maar hun uitlatingen staan haaks, zo niet op de letter, dan toch op de geest van het Verdrag van Maastricht waarin de politieke onafhankelijkheid van de Europese Centrale Bank is verankerd.

Waarom moet een centrale bank zo nodig onafhankelijk kunnen opereren? De vraag kan ook gesteld worden met betrekking tot de rechtspraak. Maar toen premier Jospin vorige week in Den Haag zei (naar aanleiding van de zaak van wielerploegleider Priem) dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in Frankrijk gerespecteerd diende te worden, keek niemand daar van op. Natuurlijk functioneert de rechtspraak onafhankelijk van de politiek. Met centrale banken is het niet anders. De opgedragen taak - de zorg voor het monetaire beleid en een stabiele munt - verhoudt zich slecht met politieke inmenging. Op economisch terrein is de neiging tot voortdurende bijsturing van het beleid ten behoeve van uiteenlopende doelstellingen groot. Het monetaire beleid moet daarvan gevrijwaard blijven, anders wordt het de speelbal van politiek hobbyisme.

De vergelijking is wel gemaakt met Odysseus (de politici) die zich vrijwillig laat vastbinden aan de mast als hij langs de Sirenen (de verlokkingen van activistisch beleid) vaart om zijn schip (de munt) op koers te houden.

Centrale bankiers hebben de taak om zo nodig impopulaire maatregelen te nemen, zoals een renteverhoging om economische groei af te remmen. William McChessney Martin, in de jaren zestig voorzitter van de Federal Reserve Board, het stelsel van Amerikaanse centrale banken, heeft die taak ooit als volgt onder woorden gebracht: “We take the punch bowl away when the party gets going.'

De ECB is toegerust met een zeer grote onafhankelijkheid van de politiek en heeft als hoofddoel de handhaving van prijsstabiliteit. Maar de statuten vermelden ook dat de ECB het algemene economische beleid in de Europese Unie moet ondersteunen. Daartoe behoren onder meer “een hoog niveau van werkgelegenheid en van sociale bescherming, verbetering van de levensstandaard en van de kwaliteit van het bestaan' (artikel 2 van het verdrag van de Europese Unie). Bovendien heeft de directie van de ECB meer verplichtingen om zich publiekelijk te verantwoorden bijvoorbeeld in het Europarlement, dan de Nederlandse of Duitse centrale banken jegens hun parlementen. Het is dus niet zo dat de ECB in een vacuum opereert.

Oskar Lafontaine, de nieuwe SPD-minister van Financien heeft gepleit voor verruiming van de ECB-doelstelling tot die van de Federal Reserve. De FED heeft inderdaad een ruimere taakomschrijving dan de ECB, niet alleen lage inflatie, maar ook bevordering van de werkgelegenheid. Maar sinds Paul Volcker in 1979 teruggeroepen werd om de dollar te redden, heeft de FED zich niets van de werkgelegenheid aangetrokken.

Volcker en zijn opvolger Greenspan hebben de druk in de VS om rentebeleid af te stemmen op banengroei en om de FED meer politieke verantwoording te laten afleggen, weerstaan. De Amerikaanse banenmachine heeft zijn succes niet te danken aan de hoogte van het disconto, maar aan de flexibiliteit van de arbeidsmarkt.

Aan de gedachte dat monetair beleid banen kan scheppen, ligt de verwachting ten grondslag dat “een beetje meer inflatie leidt tot een beetje meer groei', zoals Volcker het heeft uitgedrukt. Deze theorie van de 'Phillips-curve' is na de desastreuze ervaringen in de jaren zeventig toen de inflatie uit de hand liep en de banen bij bosjes verdwenen, in alle industrielanden verlaten als basis voor economisch beleid. Sindsdien is er een brede consensus dat centrale banken dienen te zorgen voor een stabiele munt en dat met andere vormen van beleid - versoepeling van de arbeidsmarkt, scholing, herzieningen van de financiele prikkels van het belastingstelsel - de werkgelegenheid moet worden bevorderd. Die overtuiging leeft niet alleen bij Duisenberg, maar ook bij Tietmeyer Wellink, Trichet en alle andere centrale bankiers in 'euroland'. Nieuw aangetreden politici hebben daar soms moeite mee.

Economische uitgangspunten moeten zo nu en dan herhaald worden om de zin ervan aan de orde te stellen. Wat dat betreft is de discussie over de rol van de centrale banken nuttig. De centrale bankiers tonen zich niet onder de indruk van de politieke aanval op hun bastion. Gelukkig maar. Als aan de positie van de ECB zou worden gemorreld, zou dat buitengewoon schadelijk zijn.