Het uitbundige hofleven in Brussel; Tentoonstelling over de 17de-eeuwse aartshertogen Albrecht en Isabella

Tentoonstelling : Albrecht & Isabella (1598 - 1621) Jubelparkmuseum, Brussel

Kort voor zijn dood in 1598 poogde de Spaanse koning Filips II de Habsburgse heerschappij in de Nederlanden veilig te stellen. Hij arrangeerde een huwelijk tussen zijn dochter Isabella en haar neef Albrecht en gaf hun de Nederlanden als bruidsschat. Als aartshertogen namen Albrecht en Isabella het bestuur ter hand en vestigden zich in Brussel. De ruim twintig jaar van hun gezamenlijke regering, die voor een groot deel samenviel met het Twaalfjarig bestand (1609-1621), vormden een periode van relatieve rust en economische voorspoed voor de Habsburgse Nederlanden.

In de tentoonstelling Albrecht en Isabella overheersen de pracht en praal van de rijke hofcultuur van de periode rond 1600. Een grote hoeveelheid schilderijen, sculpturen, edelsmeedwerk muziekinstrumenten en andere voorwerpen laat zien dat de staat die de aarsthertogen voerden nauwelijks onderdeed voor die van vooraanstaande hoven elders in Europa. Prenten, munten en documenten geven bijvoorbeeld een beeld van de zogenaamde 'blijde inkomsten': de plechtige intrede van de vorsten in de belangrijkste steden van het aartshertogdom. De straten waren opgetuigd met versieringen en gelegenheidsarchitectuur, waarin de bevolking de aartshertogen feestelijk verwelkomde en soms ook haar verwachtingen van de nieuwe heerschappij tot uiting bracht.

Andere processies en optochten waarin de vorsten worden verheerlijkt, zijn in geschilderde vorm aanwezig, zoals in De zegepraal van Isabella. Dit schilderij maakt deel uit van een serie van acht werken die de aartshertogen in 1615 bij de schilder Denijs van Alsloot bestelden als aandenken aan plechtige festiviteiten waarbij Isabella centraal stond. Tijdens schuttersfeesten in Brussel had zij de titel van schutterskoningin verworven door een trofee (de 'papagay') van de torenspits te schieten.

Het schilderij toont een gezicht op een Brussels plein waarop zich een soort carnavalsoptocht van praalwagens ontrolt. De eerste wagen zingt de lof van Isabella's schutterskwaliteiten: voorafgegaan door mythologische figuren zit midden op de door paarden getrokken kar een als papegaai verklede man in een grote kooi. Een lange rij wagens daarachter brengt in tableaux-vivants mythologische thema's en, om bij al dat moois toch ook de goed-katholieke levensovertuiging van de aartshertogin te benadrukken, bijbelse verhalen in beeld.

Typisch voor het elegante hofleven van hun tijd, zijn de vele curiositeiten in de collectie van Albrecht en Isabella. In de expositie zijn de opvallendste daarvan twee levensgrote paarden: de merrie die Isabella bereed bij de intocht in Brussel en Albrechts hengst die sneuvelde tijdens een veldslag. Na hun dood zijn de vellen van de paarden afgestroopt en over staketsels gespannen om als uitzonderlijk aandenken te dienen aan de klaarblijkelijk bijzonder geliefde en gewaardeerde rijdieren. Daarnaast bevatten de aartshertogelijke verzamelingen kostbaarheden als fijn bewerkte kurassen en prachtig gedecoreerde nautilus- en kokosnootbekers. De collectie sluit daarmee aan bij kunst- en rariteitenkabinetten zoals die van keizer Rudolf II in Praag. Zo ver is in de expositie de vergelijking met diens verzameling doorgevoerd dat er zelfs enkele werken van de hand van Rudolfs hofschilder Bartholomeus Spranger zijn opgehangen. De reden daarvoor blijft duister, want in Brussel waren het juist niet zestiende-eeuwse manieristen als Spranger, maar veeleer contemporaine kunstenaars die in de aartshertogelijke gunst stonden.

Zoals ook de catalogus en de bijbehorende essaybundel benadrukken, staan Albrecht en Isabelle bekend om hun patronage van Vlaamse kunstenaars van de vroege zeventiende eeuw.

Schilders als Rubens, Jordaens en Van Dyck ontwikkelden juist tijdens de regering van de aartshertogen de stijl die als 'Vlaamse barok' bekend staat. De tentoonstelling belooft die ontwikkeling te illustreren maar die belofte wordt maar mondjesmaat ingelost. Weliswaar is er een mooi groot stilleven van Frans Snyders (1615-20) en een merkwaardige allegorie van De oorsprong van de Hoorn des Overvloeds (1615-17) van de minder bekende Abraham Janssen van Nuyssen, maar van de destijds allesoverschaduwende meester Rubens is maar weinig werk tentoongesteld. Naast een aantal kopieen naar zijn schilderijen, is een van de weinige eigenhandige werken een mooi paneeltje met de Maagd die een kazuifel overhandigt aan de heilige Ildefons (omstreeks 1630). Het is tekenend dat het gaat om niet meer dan een kleine olieverfschets voor het, niet tentoongestelde, grote altaarstuk dat Rubens in opdracht van Isabelle maakte voor de kerk van de broederschap van Sint-Ildefons in Brussel.

Bovendien is het een vrij laat werk, zowel in Rubens' carriere als in die van Isabella. Weliswaar zijn aan weerszijden van de centrale voorstelling Albrecht en Isabella zelf knielend, in vorstelijke kledij als schenkers geportretteerd. Maar toen Isabella de opdracht ervoor gaf was Albrecht al bijna tien jaar dood en was zijzelf ingetreden bij de Derde Orde van Sint-Franciscus. Het laatste deel van de expositie illustreert dan ook vooral het religieuze leven van Isabella na Albrechts dood. Ze had haar koninklijke waardigheid verloren, al bleef ze op verzoek van koning Filips IV aan als landvoogdes van de Nederlanden. Maar met het exuberante aartshertogelijke hofleven was het definitief gedaan.