Golfstaten zien geen diplomatieke oplossing

In de Golfregio gelooft men niet meer in een diplomatieke oplossing voor de crisis rond Irak. Maar een Amerikaanse aanval moet wel effectief zijn.

Hoewel in de Golfstaten nog steeds wordt gesproken over de wenselijkheid van een diplomatieke oplossing voor het conflict tussen Irak en de Verenigde Naties, gelooft in werkelijkheid geen van de politici daar meer in. Sterker nog: zij willen dat de Amerikanen zo snel mogelijk Irak aanvallen om hun radicaal-islamitische en Arabisch-nationalistische oppositie de gelegenheid te ontnemen zich te organiseren.

De Saoedische media slaan een opmerkelijk andere toon aan dan vorige week. Zij maken nu bekend dat een militaire actie tegen Irak uitsluitend te wijten is aan de beslissing van Saddam Hussein de resoluties van de VN aan zijn laars te lappen. De Saoedische krant Al-Bilad schreef dat het een ernstige vergissing van Bagdad is om te denken dat de Arabieren in staat zijn een aanval op Irak te verhinderen, als dat land weigert zich te voegen naar de eisen van de VN.

Gisteren keerde de Jordaanse premier Fayez Tarawneh na een bezoek aan Saoedi-Arabie in zijn land terug. Zijn boodschap aan de journalisten was dat de pogingen om de crisis diplomatiek op te lossen te laat komen.

Volgens een hoge Arabische diplomaat zijn er tijdens het bezoek van de Amerikaanse minister van Defensie Cohen van vorige week geen specifieke afspraken gemaakt. “Dat hoefde ook niet omdat er een stilzwijgende afspraak is dat de Saoediers bij zo'n aanval de nodige hulp bieden. Ze kunnen dat alleen niet openlijk verkondigen. Dus waarschuwen ze steeds nadrukkelijker dat het Saddam is die met zijn politieke beslissingen het onheil over zijn volk afroept.'

Onderdeel van die stilzwijgende afspraak is, zo vertelt een goed ingevoerde Arabische journalist, dat de Amerikanen ditmaal 'serieus' zijn.

“Ze moeten geen show-aanval uitvoeren, zoals twee jaar geleden. Toen schoten ze een paar raketten af op Irak, nadat Saddam in een bliksemaanval de Koerdische stad Arbil had ingenomen en daar vele honderden mensen die met de CIA samenwerkten had vermoord.' Een andere Arabische diplomaat van een der Golfstaten verduidelijkt: “Deze crisis is veel ernstiger dan alle voorafgaande. En niemand wil een militaire actie - tenzij die effectief is. Anders zal alleen Saddam de vruchten daarvan plukken. Hij zal als held worden geeerd, terwijl wij de politieke prijs mogen betalen.'

Dezelfde diplomaat is, anders dan in februari niet ontevreden over de Amerikanen. “Ze hebben de diplomatie een kans gegeven, drie maanden lang. En ze hebben niet, zoals begin dit jaar alleen maar gedreigd. Eindelijk hebben ze gedaan wat sjeik Zayed van de Verenigde Arabische Emiraten al jaren geleden tot een van hun ambassadeurs zei: 'Gedraag u als de wind: wees aanwezig, doch onzichtbaar'. Saddam heeft nog te veel chemische wapens, waarmee hij ons kan bedreigen. En intussen verkoopt hij ondanks alle sancties grote hoeveelheden olie. Wij hopen dat de sancties nu eindelijk strenger worden uitgevoerd.'

Het is een axioma in de Arabische wereld dat men meer van Saddam houdt naarmate men verder van Irak verwijderd is en dus minder van dat land heeft te vrezen. In die landen overheerst het gevoel dat het eens zo moderne en krachtige Irak door de sancties van de VN langzaam maar zeker te gronde wordt gericht, waardoor de hele Arabische wereld ernstig wordt verzwakt. Zelfs in het pro-Westerse Marokko klagen vertrouwelingen van koning Hassan openlijk over het onrecht dat Irak wordt aangedaan zonder Iraks verboden massa-vernietigingswapens te noemen.

Dezelfde houding hebben Egypte en Syrie. In 1991 deden zij nog mee aan de geallieerde coalitie die Koeweit bevrijdde. Want zij konden niet toestaan dat een Arabisch (olie-)land door een ander Arabisch land werd overweldigd. Bovendien werden zij voor hun deelname aan de coalitie door de Westerse landen rijkelijk beloond.

Maar nu zijn beide landen kampioen geworden van het Arabische verzet tegen strafmaatregelen tegen Irak. Vooral Egypte, dat niet meer - zoals in 1991 - Irak als een concurrent voor het leiderschap in de Arabische wereld ziet. Nog maar een paar dagen geleden herhaalde Osama al-Baz, een vertrouweling van president Mubarak, dat de Amerikanen met twee maten meten: een ten aanzien van Israel, dat straffeloos resoluties van de Veiligheidsraad kan negeren en een ten aanzien van Irak, dat voortdurend bedreigd en bestraft wordt. Hij zei er niet bij dat de Veiligheidsraad aan Irak bindende resoluties oplegde, en aan Israel niet. En minister van Buitenlandse Zaken Amr Mussa stelde, conform de eisen van Bagdad, voor om UNSCOM een andere taakopdracht te geven.

De Golf-Arabieren luisteren beleefd afwijzend naar de bezwaren die Egypte en Syrie opperen. “Egypte, dat door ons allen als het belangrijkste land werd gezien, zoekt wanhopig naar een rol in de Arabische wereld', zegt een van de hierboven genoemde diplomaten. “In Kairo hebben ze het gevoel dat Israel en Jordanie een complot hebben gesmeed om hen te isoleren. Vergeet niet dat Egypte, vergeleken met de jaren '50, '60 en '70, een stuk onbeduidender in de Arabische wereld is geworden. Iedereen kwam toen naar Kairo om te horen wat de Egyptenaren ervan vonden. Die tijd is voorbij. Egypte is politiek en economisch nu van veel minder belang.'

Een Arabische journalist vult aan: “De Saoediers hoeven zich niets van de Egyptenaren aan te trekken. Egypte is integendeel op economisch gebied afhankelijk van Saoedi-Arabie. Dat betekent dat als de Egyptenaren zeer behoedzaam tegen de Saoediers zeggen dat die de Amerikanen niet moeten helpen, zij te horen krijgen: 'Rot op. Wie loopt hier gevaar?' Tegen de Amerikanen echter zetten de Egyptenaren wel een grote mond op. Zij waarschuwen dat Kairo het Arabische standpunt vertegenwoordigt, en dat de VS de hele Arabische wereld verliezen als ze iets tegen Irak ondernemen. Maar uiteindelijk is Egypte machteloos. En dat geldt nog veel meer voor Syrie, dat in geval van oorlog met Turkije de steun van Saoedi-Arabie hard nodig heeft.'

Deze meningen weerspiegelen echter bepaald niet de hele politieke realiteit. Want Egypte is nog wel degelijk de machtigste Arabische mogendheid. En er zijn tal van Arabische kranten die een felle propagandaslag voeren “voor het Iraakse volk en tegen het Amerikaanse imperialisme'. Zeer vele journalisten en intellectuelen in de Arabische wereld belijden immers nog steeds met overtuiging het Arabische nationalisme.

Dat dwingt de leiders eveneens lippendienst aan dat nationalisme te bewijzen, en daar in elk geval niet al te openlijk tegen op te treden. Daarom stellen de Egyptische diplomaten de laatste tijd dat hun regering, die steeds meer trekken vertoont van het Arabische nationalisme uit de jaren '60, 'naar de straat moet luisteren'. Volgens hen wordt de Egyptische politiek en retoriek door die 'straat' bepaald.

In werkelijkheid volgt elke Arabische staat zijn eigen nationale belang. En dus kan geen van hen, met uitzondering van Irak, Soedan en Libie, het zich uiteindelijk permitteren om de VS - hun meester, dan wel hun beschermheer - al te zeer voor de voeten te lopen. “Wij blaffen hard, maar bijten niet', zegt een Egyptische professor. “Ons gebit is niet goed en de tandarts te duur.'

    • Michael Stein