Compositie van King als heerlijk enge achtbaan; Oliver Knussen leidt Promconcert in Paradiso

Concert : Schonberg Ensemble o.l.v. Oliver Knussen

Is muziek in staat iets uit te drukken? Strawinsky dacht van niet: klanken zijn klanken. Volgens Geoffrey King (1949), die in 1988 naar de Haagse Studio voor Sonologie toog en nog steeds in Nederland woont, drukt de muziek vanaf de allereerste noot iets uit. King, die overigens wel degelijk beinvloed werd door Strawinksy, al is zijn melodiek typerender voor Messiaen, wordt geobsedeerd door het surrealisme. Magritte Weather (1990) is een opzettelijk destructief betoog aan de hand van klassieke modellen zoals een adagio, een scherzo, een pastorale, een allegro en een marcia funebre.

Het door Oliver Knussen gedirigeerde Promconcert in Paradiso begon echter met een werkje van de Amerikaan Peter Lieberson onder de titel Free and Easy Wanderer, waar ik echter eerder van zou zeggen: dat loopt als een trein, zij het dat het uitzicht wat saai en voorspelbaar is. Kings Magritte Weather echter heeft meer iets van een monstrueuze achtbaan. Zonder tijd om werkelijk te kunnen genieten van het hoge zicht voorspelt deze quasi-symfonische punkmuziek weinig goeds. En inderdaad, op meerdere plaatsen ontspoort deze compositie. Puur destructief is King toch niet. Deze combinatie van agressief afrekenen met het verleden, maar tegelijkertijd een zekere esthetiek niet verloochenend, werkt intrigerend. Onnodig zwak zijn de horroreffecten met windmachine en donderplaat die de muziek op momenten filmisch goedkoop maken.

Een uitgesproken expressionist als bijvoorbeeld de Duitser Wolfgang Rihm is King niet. Hij behoudt iets geolied glads, zoals de titel verwijst naar de fotografische, eveneens vrij afstandelijke surrealistische doeken van Rene Magritte. Zijn destructieve spel werkt als een achtbaan: die is niet werkelijk griezelig maar heerlijk griezelig!

Dit laatste was niet aan de orde in Twice Trough the Heart (1994-1996) van Mark-Anthony Turnage (1960), ondermeer een leerling van Hans Werner Henze. Het werk ontstond uit een gelijknamig BBC-tv-stuk van Jackie Kay over moord, vooral vrouwen die hun mannen vermoordden. Turnage wilde met Kay komen tot een opera, maar na zo'n vijf omwerkingen is er een monodrama, waarin de zangeres nogal pijnlijk direct haar relaas doet - in meer obsessieve dan poetische bewoordingen - verdeeld in drie blokken van elk drie gedichten.

Turnage beheerst zijn materiaal moeiteloos speelt met de grote vorm (snel-langzaam-snel) en is hoogst effectief in de toepassing van de middelen. Deze Engelse Henze is een geboren dramaticus is, het slot van het tweede deel ('We fight. He won't talk') gaat door merg en been. Een meer beschouwelijke lamento-stijl behoudt bij Turnage iets afstandelijks, zeker in de gezongen cantilenes. Dan maakt de tekst je meer misselijk dan de muziek. Het orkest heeft veel meer pijlen op zijn boog dan die zang.

Hoewel Turnage dramatisch nauwelijks verder kan gaan, blijft hij, net als King, op en top een Engelsman. De gevoelens zijn gemeend - Turnage speelt geen spel zoals King - maar voor de moord wordt thee gedronken. En een iets te slappe thee. Dat laatste lag niet aan het Schonberg Ensemble, want dat was hier op zijn best. En de messtrakke stem van sopraan Sarah Connolly toonde geen enkele aarzeling.