Argentinie splijt ontwikkelingslanden

Op de klimaattop in Argentinie heeft de Argentijnse president Menem aangekondigd dat zijn land vrijwillig de uitstoot van broeikasgassen zal beperken. De ontwikkelingslanden reageerden furieus.

De coalitie van ontwikkelingslanden op de klimaatconferentie in Buenos Aires, die de grote meerderheid van de wereldbevolking vertegenwoordigt, is gisteren in zwaar weer beland. Tot nog toe had ze nog iets van eensgezindheid weten te bewaren tegenover de geindustrialiseerde landen, maar het was uitgerekend de president van gastland Argentinie, Carlos Menem, die de knuppel in het hoenderhok gooide.

In een rede tot de conferentie kondigde hij aan dat zijn land bereid was vrijwillige verplichtingen aan te gaan om de uitstoot van CO2 en vijf andere zogeheten broeikasgassen te beperken. Zijn toespraak werd onmiddellijk verwelkomd door de Amerikaanse delegatieleider Stuart Eizenstat als “de doorbraak' van de conferentie. Washington dringt al geruime tijd aan op substantiele actie van ontwikkelingslanden op dit terrein en dreigt anders het verdrag van de vorige klimaatsconferentie in Kyoto niet te ratificeren.

Hoewel Menem niet uitweidde over zijn plannen, was het voldoende om landen als China, India, Indonesie en Brazilie in woede te doen uitbarsten. Te meer omdat al snel bleek dat Argentinie niet alleen stond. Ook Chili, Zuid-Korea en nog enkele andere landen voelen wel voor zulke vrijwillige beperkingen.

China India en de meerderheid van de G77, een groep van ontwikkelingslanden had nu juist betoogd dat zulke vrijwillige verplichtingen volstrekt niet aan de orde waren. In eerdere overeenkomsten was uitdrukkelijk afgesproken dat de ontwikkelingslanden vrijgesteld zouden zijn van reducties in de uitstoot van de broeikasgassen. Niet zij, maar de ontwikkelde landen droegen bovenal schuld aan het broeikasprobleem en daarom was het aan hen om als eersten tot actie over te gaan.

Elke concessie aan dit principe was in hun ogen uit den boze. “Er is geen enkele reden voor ontwikkelingslanden om meer te doen dan afgesproken', oordeelde de Braziliaanse minister van Wetenschap en Technologie Jose Israel Vargas dinsdag.

De sterk uiteenlopende individuele belangen van de leden van de G77 maakten het onmogelijk de schijn van eensgezindheid erg lang op te houden. Sommige, zoals China, India en Brazilie, zijn druk bezig zich te industrialiseren en wensen daarbij niet gehinderd te worden. Het milieu is voor hen op dit moment van ondergeschikt belang.

Vooral China is een interessant geval. De Chinezen, die zich op de conferentie behendig opwierpen als de kampioen van de ontwikkelingslanden, maakten er geen enkel geheim van wat ze wilden. Zhong Shukong, een hoge Chinese ambtenaar, verklaarde vorige week openlijk in Buenos Aires dat China nooit zal instemmen met verplichtingen om zijn uitstoot van broeikasgassen terug te brengen zolang het niet voldoende is uitgegroeid tot een ontwikkeld land.

Die industrialisatie is in volle gang en gaat gepaard met een snel stijgende uitstoot van CO2. Nu al is China na de Verenigde Staten verreweg de grootste producent van CO2. De Chinese uitstoot was in 1996 ruim twee keer zo groot als die van Rusland, de nummer 3 op de wereldranglijst. Ook India hoort, zij het op enige afstand, tot de eerste zes staten op de CO2-lijst.

En hierin zal in de toekomst allerminst verandering komen. Volgens het Internationale Energie Agentschap (IEA) uit Parijs, dat deze week nieuwe berekeningen in Buenos Aires presenteerde, zal tot 2020 tweederde van de groei van het energieverbruik voor rekening komen van ontwikkelingslanden, waarbij landen als China en India samen de hoofdmoot voor hun rekening zullen nemen.

Ruim driekwart van de groei in de CO2-uitstoot zal uit de ontwikkelingslanden komen, zo verwacht het IEA.

Naar verhouding zullen China en India ook een hoog aandeel in de CO2-uitstoot hebben, omdat ze veel steenkool gebruiken die ze in overvloed bezitten. In China werd in 1996 ruim driekwart van de energievoorziening verzorgd door de kolensector. Slechts 20 procent van het energieverbruik bestond uit olie.

Behalve de Amerikanen vallen nog maar weinigen de Aziaten lastig met zulke feiten. Zowel China als India is er bovendien als de kippen bij om eraan te herinneren dat zijn energieconsumptie per hoofd van de bevolking nog steeds bijzonder laag is: in het Chinese geval ruim tien keer zo laag als in Westerse landen en in India zelfs ruim twintig keer zo laag. De Chinese bevolking bedraagt nu ruim 1,2 miljard, die van India naar schatting 970 miljoen.

In veel ontwikkelde landen heerst er wel begrip dat deze landen de vaart in hun industrialisatie willen houden. “Ze liggen nog ver achter op ons', aldus de Japanse hoge ambtenaar Kiyotaka Akasawa. “Hun economie moet verder groeien, daar hebben wij geen probleem mee.' Maar Japan hoopt wel dat een land als China er toe kan worden gebracht energiesparende technologieen in te voeren. Inmiddels zijn, los van de VN-klimaatsconferentie, hierover al bilaterale contacten geweest tussen Japan en China.

Naast China en India zijn er landen, die al verder zijn in hun ontwikkeling zoals Argentinie, Chili en Zuid-Korea. Geleidelijk aan gaan die zich - net als de Westerse landen - meer bekommeren om de ongezonde bijwerking van de industrialisering, zowel in eigen land als in de wereld. De ironie is hier, dat net als eerder in het Westen het besef van het belang van het milieu toeneemt naar mate het energieverbruik stijgt.

Een groep die juist weer meer tegenstribbelt en op de Chinees-Indiase lijn zit, is die van de OPEC-landen. Die vrezen dat ze als olieproducerende landen schade zullen ondervinden van een afnemend gebruik van fossiele brandstoffen zoals 'Kyoto' beoogt. Zij vertragen elke actie zo lang mogelijk.

Ten slotte is er een grote groep van vooral Afrikaanse landen, die nog altijd nauwelijks zijn geindustrialiseerd. Ze zijn vaak zo arm dat ze extra kwetsbaar zijn voor calamiteiten. Een recent onderzoek van de VN naar de mogelijke gevolgen van een temperatuurstijging op aarde kwam tot de conclusie dat juist veel Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara hiervan het meest de dupe zouden worden. Zo'n stijging zou de toch al geringe watervoorraden verder uitputten en tot rampzalige droogtes kunnen leiden. Andere gebieden zouden daarmee ook te kampen hebben, maar die zijn beter in staat de gevolgen ervan op te vangen, stelde het rapport.

Veel Afrikaanse landen willen daarom best inschikkelijk zijn tegenover de Amerikanen. Niet door vrijwillig verplichtingen aan te gaan, maar door mee te werken aan het zogeheten Clean Development Mechanism (CDM), ook al zijn de regels daarvan nog niet helder geformuleerd.

Het CDM zou op verschillende manieren voordelig voor de Afrikaanse staten kunnen uitpakken. Zo zouden de geindustrialiseerde landen kunnen betalen voor projecten in ontwikkelingslanden, waarmee de uitstoot kan worden teruggedrongen. In ruil daarvoor zou het betreffende ontwikkelde land kredietpunten krijgen, die meehelpen om aan zijn verplichting van 'Kyoto' te voldoen.

“Wij zijn ervoor zo snel mogelijk te beginnen met CDM', zegt een Oegandese afgevaardigde.

“We beseffen dat het niet ideaal is maar het is het beste wat we op dit moment kunnen doen.' Een diplomaat uit Malawi meent dat de landen al doende kunnen leren hoe met de CDM om te gaan. Hij is teleurgesteld dat de Aziatische landen op dit punt niet toeschietelijker zijn.

China en vooral India schilderen de Amerikaanse plannen echter af als een manier om zich goedkoop van de verplichting van Kyoto af te maken. Het kost gemiddeld ongeveer 125 dollar per ton CO2 om de uitstoot in de VS terug te dringen, terwijl dat in arme landen al kan voor 15 dollar. “Het gaat niet aan dat de VS bij ons dingen proberen te wijzigen, terwijl ze in eigen land niets veranderen', verwoordt Anju Sharma van het Indiase Centre for Science and Environment de Aziatische sentimenten. “Zij moeten hun levensstijl eindelijk eens aanpassen.'

    • Floris van Straaten