Afgang dreigt in zaak-Bouterse

Als een integrale vervolging van Desi Bouterse eindigt in een onherroepelijk vonnis in Suriname is vervolging en berechting van de Surinaamse Adviseur van Staat in Nederland niet meer mogelijk, vindt Andre Haakmat. Het OM moet zich daar terdege van bewust zijn.

Het ziet ernaar uit dat het Haagse openbaar ministerie niet over alle aspecten van de zaak-Bouterse goed heeft nagedacht. Dat moet ik concluderen uit de reactie van persofficier van justitie, Horstink naar aanleiding van het bericht dat Bouterse zal bewerkstelligen door de Surinaamse justitie te worden berecht (NRC Handelsblad, 10 november). De persofficier zei dat een eventuele vervolging door Suriname een vervolging door Nederland niet in de weg zal staan.

Het strafrechtelijk beginsel dat hier in het geding is kan echter niet veronachtzaamd worden. Het gaat in feite om twee beginselen: het beginsel nemo debet bis vexari in eadem re (kortweg het ne bis in idem-beginsel) en het beginsel nemo debet bis puniri. Niemand mag voor hetzelfde feit of dezelfde feiten worden vervolgd en ook niet daarvoor worden berecht. Deze beide beginselen zijn neergelegd in art. 86 van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht (WvSr.). Men treft ze ook aan in art. 14 lid 7 van het Internationaal verdrag inzake burgelijke en politieke rechten (IVBP) en in Protocol 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Het gaat dus om de beginselen van het internationaal strafrecht.

Wanneer het feiten betreft die in beide landen strafbaar zijn en in beide landen zijn gepleegd, hebben beide landen rechtsmacht. Er zijn echter sommige feiten, zoals oorlogsmisdaden, slavernij, piraterij, foltering, die krachtens het verdrag tot 'internationale misdrijven' zijn verklaard, en die alle landen bevoegd verklaren tot de vervolging. Dat geldt ook voor de feiten waarvan Nederland Bouterse verdenkt.

Op grond van het feit dat Bouterse de Surinaamse nationaliteit bezit en de Surinaamse Grondwet geen uitlevering van eigen onderdanen kent, is zijn vervolging door Nederland legitiem.

Als Suriname echter besluit zelf tot de vervolging van Bouterse over te gaan en daartoe serieuze stappen onderneemt, geldt het volkenrechtelijk beginsel van aut punire, aut dedere. Dat wil zeggen dat wanneer een staat een onderdaan van een andere staat wil vervolgen daarvoor slechts de ruimte bestaat als de staat waarvan de te vervolgen persoon onderdaan is niet wil of kan vervolgen. Bijvoorbeeld (wat dit laatste betreft) omdat het gepleegde strafbare feit in de 'onderdaanstaat' niet strafbaar is.

Een integrale (wat de feiten betreft) vervolging, eindigend in een onherroepelijk vonnis tegen Bouterse in Suriname maakt volgens mij dat een vervolging en berechting van Bouterse in Nederland niet meer tot de mogelijkheden behoort. Gebeurt dat toch dan zullen zijn advocaten met succes een beroep doen op art. 68 WvSr. Het derde lid van dit artikel stelt namelijk: “Niemand kan worden vervolgd wegens een feit dat te zijnen aanzien in een vreemde staat onherroepelijk is afgedaan.'

Het artikel in NRC Handelsblad spreekt van een 'wedloop' die er nu zal ontstaan tussen de Nederlandse en de Surinaamse justitie. Naar verluidt van het derde lid van artikel 68 WvSr. kan Nederland immers gerust een vervolging in gang zetten zolang de strafzaak tegen Bouterse in Suriname niet 'is afgedaan'. Ik zie dat echter niet zo. Zoals bekend wordt Bouterse in Suriname bijgestaan door een juridisch team waarvan de Surinaamse oud-opperrechter dr. L. Waaldijk deel uitmaakt. In Nederland wordt hem rechtsbijstand verleend door een advocaat die alle wegen kent om een strafproces te vertragen. Gezien deze omstandigheid en de na een recente benoeming te verwachten erg cooperatieve opstelling van het Surinaamse OM zal ik er niet ver naast blijken te zitten met mijn voorspelling dat de Surinaamse strafzaak tegen Bouterse allang zal zijn afgesloten voordat de Nederlandse tegen hem goed en wel op gang komt.

Een curiositeit zal zich wel voordoen. Om een dagvaarding tegen Bouterse uit te kunnen brengen die alle feiten bestrijkt waarvoor Nederland hem wil vervolgen, zal Suriname een beroep moeten doen op het Nederland-Surinaams Uitleverings- en Rechtshulpverdrag. Artikel 10 van dit verdrag bepaalt dat de beide landen elkaar “in zo ruim mogelijke mate rechtshulp verlenen' en “elke procedure die betrekking heeft op strafbare feiten waarvan de bestraffing tot de bevoegdheid behoort van de rechtelijke autoriteiten van de verzoekende partij'.

Niet zolang geleden heeft Suriname een Nederlands verzoek om rechtshulp krachtens dit verdrag geweigerd op grond van de overweging dat Bouterse in Nederland niet kan rekenen op een eerlijk proces.

Wat zal Nederland als weigeringsgrond opgeven als een verzoek om rechtshulp krachtens dit verdrag Nederland bereikt? Want aan dat verzoek toegeven staat gelijk aan het uit handen geven van een zaak die miljoenen heeft gekost waarin zeer veel tijd is geinvesteerd , die de verhouding tussen de beide landen ernstig heeft verslechterd en die in Nederland bijna tot een kabinetscrisis heeft geleid. Een grotere afgang voor het Nederlandse OM in deze eeuw zou nauwelijks denkbaar zijn.